Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BC4450

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
113256 - HA ZA 06-825
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht titel Aanneming van werk; artikel 7:761 lid 1 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Vonnis : 13 februari 2008

Zaaknummer : 113256 / HA ZA 06-825

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[Naam B.V.],

gevestigd en kantoor houdende te [vestigingsplaats],

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

procureur mr. W.C.M. Coenen;

tegen:

[Naam],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

procureur mr. M. Moszkowicz jr.

1. Het verdere verloop van de procedure

In reconventie:

Ter voldoening aan het tussenvonnis van 11 juli 2007 hebben partijen elk een akte genomen.

Ten slotte hebben partijen wederom vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

In reconventie:

2.1

Bij voormeld tussenvonnis, waarbij de rechtbank volhardt, heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten omtrent de vraag of deze zaak moet worden beoordeeld aan de hand van titel 7:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW) danwel aan de hand van het oude recht (artikel 217 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek Overgangswet).

2.2

[Gedaagde in reconventie] heeft zich - als meest vergaand verweer - beroepen op artikel 7:761 lid 1 BW.

2.3

De rechtbank is van oordeel dat dit beroep doel treft.

2.3.1

Artikel 217 lid 1 Overgangswet luidt:

Op overeenkomsten van aanneming van werk die vóór het tijdstip van het in werking treden van titel 12 van Boek 7 zijn gesloten, wordt deze titel drie jaren na dat tijdstip van toepassing.

2.3.2

Titel 12 van Boek 7 BW is in werking getreden op 1 september 2003. Dat betekent dat in casu (waar inderdaad sprake is van een overeenkomst die is gesloten vóór 1 september 2003) artikel 7:761 BW op 1 september 2006 van toepassing is geworden.

2.3.3

[Eiser in reconventie] heeft zich beroepen op het bepaalde in artikel 217 lid 3 Overgangswet en met name op de laatste zinsnede daarvan ("tenzij dat tekortschieten een voortzetting van een eerdere tekortkoming is"), waar in casu volgens [Eiser in reconventie] sprake van zou zijn.

De rechtbank verwerpt dit verweer nu het naar haar oordeel berust op een onjuiste lezing van het derde lid van artikel 217 Overgangswet. Artikel 217 lid 1 Overgangswet bepaalt dat op overeenkomsten van aanneming van werk die vóór het tijdstip van het in werking treden van titel 12 van Boek 7 zijn gesloten, die titel pas drie jaren na dat tijdstip van toepassing wordt. Daarop maakt lid 3 van genoemd artikel Overgangswet echter een uitzondering in die zin dat in het geval dat een der partijen na het in werking treden van titel 12 van Boek 7 BW in de nakoming van een van haar verbintenissen tekort schiet, wordt afgeweken van lid 1 van genoemd artikel. In dat geval is titel 12 van Boek 7 BW onmiddellijk van toepassing.

De door [Eiser in reconventie] geciteerde zinsnede maakt dáárop weer een uitzondering in het geval het tekortschieten een voortzetting van een eerdere tekortkoming is. In dat geval geldt dus het in lid 1 genoemde "uitstel" van het in werking treden weer wel en wordt titel 12 van Boek 7 BW (en dus artikel 7:761 BW) pas op 1 september 2006 van toepassing.

2.3.4

Uit productie 5 bij inleidende dagvaarding van [Gedaagde in reconventie] blijkt dat [Eiser in reconventie] voor het eerst op 29 juli 2004 schriftelijk heeft geprotesteerd wegens gebreken in het opgeleverde werk (bij haar vonnis van 11 juli 2007 heeft de rechtbank in conventie beslist dat er van uit wordt gegaan dat het werk in juni 2001 is opgeleverd). De verjaringstermijn van artikel 7:761 lid 1 BW is gaan lopen op het moment van de ontvangst door [Gedaagde in reconventie] van voormelde brief van [Eiser in reconventie] van 29 juli 2004 (artikel 3:37 BW). Nu deze brief zowel per post is verzonden als persoonlijk is bezorgd, valt aan te nemen dat deze brief [Gedaagde in reconventie] aanvang augustus 2004 zal hebben bereikt. [Eiser in reconventie] heeft zijn vordering echter pas ingesteld bij zijn conclusie van eis in reconventie d.d. 18 oktober 2006, zodat zijn reconventionele vordering - voor zover die gebaseerd is op gebreken in de opgeleverde zaak - is verjaard.

De rechtbank merkt nog op dat het bepaalde in de tweede volzin van lid 1 van artikel 7:761 BW in casu niet van toepassing is, nu de brief van [Eiser in reconventie] van 29 juli 2004 geen termijn bevat waarbinnen [Gedaagde in reconventie] de gebreken zou kunnen wegnemen.

2.4

Het door [Eiser in reconventie] sub 1 gevorderde bedrag ad € 65.953,24 bestaat uit 3 "componenten": 1) een bedrag van € 57.815,11 incl. BTW voor herstel geconstateerde gebreken; 2) een bedrag van € 7.009,10 incl. BTW voor niet uitgevoerde en nog te verrekenen werk; en 3) een bedrag van € 1.129,03 voor toegebrachte schade tijdens de werkzaamheden.

2.4.1.

Het onder 1) genoemde bedrag heeft betrekking op in de brief van [Eiser in reconventie] van 29 juli 2004 genoemde gebreken. Die vordering is - zoals hiervoor reeds is overwogen - verjaard.

2.4.2

Het onder 2) genoemde bedrag heeft betrekking op een aantal wel in de overeenkomst opgenomen werkzaamheden die volgens [Eiser in reconventie] niet zijn uitgevoerd. De rechtbank zal die punten bespreken aan de hand van het rapport van [de deskundige] van augustus 2006.

Stokleuning keldertrap en traphek:

Deze post is zodanig zichtbaar dat zij direct bij de oplevering geconstateerd had dienen te worden. Uit geen enkel stuk van [Eiser in reconventie] blijkt echter dat hij concreet op enig moment voordat hij zijn reconventionele vordering heeft ingediend op dit gebrek heeft gewezen noch heeft hij de stelling dat dit gebrek aanwezig is naar behoren onderbouwd. Aldus slaagt het beroep van [Gedaagde in reconventie] op artikel 6:89 BW.

Kozijnen meterkast en c.v. ruimte en Spant ter plaatse van de meterkast:

De rechtbank merkt op dat - blijkens de als productie 10 overgelegde afrekenstaat - voor deze twee posten (waarvan [Gedaagde in reconventie] kennelijk erkent dat ze niet zijn uitgevoerd) door [Gedaagde in reconventie] de daarvoor kennelijk in de oorspronkelijke overeenkomst opgenomen bedragen van resp. € 439,71 en € 260,47 als minderwerk zijn verrekend. [Eiser in reconventie] heeft erkend dat hij die eindafrekening in orde heeft bevonden, zodat de vordering van [Eiser in reconventie] op dit punt zal worden afgewezen.

Ramen keuken:

[Eiser in reconventie] stelt dat een van de twee ramen niet conform de overeenkomst is uitgevoerd, nu dat raam slechts een vleugel met bovenlicht heeft. Deze post is zodanig zichtbaar dat zij direct bij de oplevering geconstateerd had dienen te worden. Uit geen enkel stuk van [Eiser in reconventie] blijkt echter dat hij concreet op enig moment voordat hij zijn reconventionele vordering heeft ingediend op dit gebrek heeft gewezen noch heeft hij de stelling dat dit gebrek aanwezig is naar behoren onderbouwd. Aldus slaagt het beroep van [Gedaagde in reconventie] op artikel 6:89 BW.

Parket:

De rechtbank merkt op dat - blijkens de als productie 10 overgelegde afrekenstaat - voor deze post door [Gedaagde in reconventie] de daarvoor in de oorspronkelijke overeenkomst opgenomen stelpost van € 3.693,77 als minderwerk is verrekend. [Eiser in reconventie] heeft erkend dat hij die eindafrekening in orde heeft bevonden, zodat de vordering van [Eiser in reconventie] op dit punt zal worden afgewezen.

Stootborden hardstenen vloeren:

Volgens [Eiser in reconventie] zijn de opgenomen stootborden naar de verhoogde vloerdelen van de zithoek en de achterbouw niet geleverd en gemonteerd.

[Gedaagde in reconventie] heeft hierop gesteld dat al de geleverde hardsteen is verrekend conform begroting en werkelijk geleverde materialen. Uit de overgelegde afrekenstaat blijkt dat de door [Gedaagde in reconventie] genoemde verrekeningen inderdaad hebben plaatsgevonden. [Eiser in reconventie] heeft erkend dat hij die eindafrekening in orde heeft bevonden, zodat de vordering van [Eiser in reconventie] op dit punt zal worden afgewezen.

Berliner plinten:

Volgens [Eiser in reconventie] zijn de in de offerte beschreven "berliner plinten" niet geplaatst. De rechtbank merkt op dat - blijkens de als productie 10 overgelegde afrekenstaat - voor deze post (waarvan [Gedaagde in reconventie] kennelijk erkent dat deze niet is uitgevoerd) door [Gedaagde in reconventie] het daarvoor kennelijk in de oorspronkelijke overeenkomst opgenomen bedrag van € 290,42 als minderwerk is verrekend. [Eiser in reconventie] heeft erkend dat hij die eindafrekening in orde heeft bevonden, zodat de vordering van [Eiser in reconventie] op dit punt zal worden afgewezen.

Aftimmeringen:

[Eiser in reconventie] stelt dat de deur naar het tochtportaal van het restaurant/bargedeelte niet is voorzien van aftimmerlatten. Deze post is zodanig zichtbaar dat zij direct bij de oplevering geconstateerd had dienen te worden. Uit geen enkel stuk van [Eiser in reconventie] blijkt echter dat hij concreet op enig moment voordat hij zijn reconventionele vordering heeft ingediend op dit gebrek heeft gewezen noch heeft hij de stelling dat dit gebrek aanwezig is naar behoren onderbouwd. Aldus slaagt het beroep van [Gedaagde in reconventie] op artikel 6:89 BW.

Vensterbanken:

[Eiser in reconventie] stelt dat de hardstenen vensterbanken niet door [Gedaagde in reconventie] zijn geleverd en gemonteerd. De rechtbank merkt op dat voor de levering van de vensterbanken een bedrag van € 207,38 is opgenomen in de voormelde afrekenstaat die door [Eiser in reconventie] is geaccordeerd, zodat het de rechtbank onwaarschijnlijk voorkomt dat [Gedaagde in reconventie] deze vensterbanken niet zou hebben geleverd en gemonteerd.

2.4.3

Het onder 3) genoemde bedrag heeft betrekking op toegebrachte schade tijdens de werkzaamheden.

Deze schadepost is gebaseerd op het rapport van [de deskundige] van augustus 2006, waarvan de inhoud door [Gedaagde in reconventie] gemotiveerd is betwist.

Nu pagina 28 van het rapport van [de deskundige] de nodige "voorbehouden" bevat (bv. 2e alinea: "…is deze wand kennelijk onvoldoende gestut, …"; 3e alinea: "…terwijl de noodzaak hiertoe omwille van het behoud van de gevel en zijn constructieve functie niet duidelijk is. Het geveldeel is moeilijk bereikbaar en tijdens de opname ter plaatse niet nader geïnspecteerd."; 4e alinea: "…en moet wellicht nog herstel plaatsvinden aan de onderconstructie. Hoewel de schade een niet wenselijk beeld oplevert, is de functionaliteit en daarmee de verhuurbaarheid van de betreffende kamer niet in het geding." [Alle cursiveringen Rb.]) is deze schade naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd onderbouwd, zodat ook deze post zal worden afgewezen.

2.5

Sub 2 heeft [Eiser in reconventie] een vergoeding gevorderd wegens door hem geleden en nog te lijden bedrijfsschade als gevolg van noodzakelijke bedrijfssluiting bij herstel, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

2.5.1

De rechtbank merkt op dat het bij de volgens [Eiser in reconventie] noodzakelijke bedrijfssluiting kennelijk gaat om het herstel van de op pagina 29 van het rapport van [de deskundige] onder de nrs. 1 t/m 11 genoemde gebreken, gelet op hetgeen is vermeld in de laatste regel van die pagina 29.

Nu de vordering van [Eiser in reconventie] ten aanzien van dit herstel wordt afgewezen, komt schade wegens bedrijfssluiting bij herstel niet meer aan de orde.

2.6

Al het vorenstaande brengt met zich dat de vordering moet worden afgewezen en dat [Eiser in reconventie] als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit geding dient te dragen.

3. De beslissing

De rechtbank:

In reconventie:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [Eiser in reconventie] in de kosten van de procedure aan de zijde van [Gedaagde in reconventie] gevallen en tot op heden begroot op:

salaris procureur € 894,00

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, mr. J.J. Verhoeven en mr. M.E.W.M. Nuijts, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

PZ