Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BC4379

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
14-02-2008
Zaaknummer
03-702003-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Maastricht heeft een verdachte vrijgesproken van het 'ronselen' (het aanwerven dan wel het meenemen) van een vrouw voor prostitutie in Nederland en twee verdachten van het zich bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van twee vrouwen. De rechtbank heeft in het bijzonder niet bewezen geacht dat de verdachten de bedoeling hadden te profiteren van de prostitutie (op een wijze als bedoeld in artikel 273f Sr.) van de vrouwen dan wel dat zij daadwerkelijk hebben geprofiteerd van die prostitutie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/702003-07

Datum uitspraak: 6 februari 2008

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 januari 2008 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot en met 28 augustus 2006 te Parijs, in elk geval in Frankrijk en/of te Maastricht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [naam slachtoffer 1] heeft aangeworven of medegenomen, met het oogmerk die [naam slachtoffer 1] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of meer seksuele handeling(en) met of voor een derde tegen betaling;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot en met 28 augustus 2006 te Parijs, in elk geval in Frankrijk en/of te Maastricht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [naam slachtoffer 1] met één van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273a Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten misbruik van een kwetsbare positie, heeft gedwongen dan wel bewogen hem verdachte en/of zijn medeverdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handeling(en) van die [naam slachtoffer 1] met of voor een derde, immers heeft verdachte en/of zijn mededader die [naam slachtoffer 1] voorgehouden dat in Nederland de prostitutie legaal is en/of er veel meer geld is te verdienen in de prostitutie in Nederland en/of heeft aangeboden dat die [naam slachtoffer 1] in zijn, verdachtes en/of medeverdachtes, woning kon logeren/verblijven;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 augustus 2006 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [naam slachtoffer 2], immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader van die [naam slachtoffer 2] geld ontvangen en/of zijn/werden door hem, verdachte en/of zijn mededader boodschappen ontvangen welke door die [naam slachtoffer 2] werden betaald.

Het requisitoir

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 primair en onder 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft de rechtbank gevraagd de verdachte vrij te spreken van de gehele tenlastelegging.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en subsidiair en onder 2 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De nadere overwegingen aangaande de vrijspraak

Met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat zij de in de tenlastelegging genoemde termen bezigt in de betekenis die daaraan toekomt in artikel 273a, eerste lid onder 1 en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) oud, waarin de Nederlandse Wetgever mensenhandel strafbaar heeft gesteld.

Het doel van artikel 273a Sr is, zo blijkt zowel uit de plaatsing van het artikel in Titel XVIII: “Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid”, als uit de wetsgeschiedenis van (de voorloper van) deze bepaling, de uitbuiting van personen te voorkomen, waarbij het begrip ‘uitbuiting’ ruim dient te worden opgevat, en het bieden van bescherming tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van individuele personen.

In het eerste lid onder 3 van artikel 273a Sr is, behalve het ontvoeren, strafbaar gesteld het aanwerven of medenemen van een ander met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling wordt algemeen aangeduid als prostitutie.

In Nederland is echter niet iedere vorm van prostitutie strafbaar. Uitgangspunt van het Nederlandse beleid ter zake van exploitatie van prostitutie is dat met strafrechtelijke middelen moet worden opgetreden tegen vormen van exploitatie waarbij op ongeoorloofde wijze economisch profijt wordt getrokken uit de exploitatie (uitbuiting) dan wel de betreffende persoon niet telkens volledig vrij tot het verrichten van de seksuele handelingen kan beslissen, daarvan kan afzien en ook helemaal daarmee kan stoppen.

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende.

De verdachte heeft in Parijs de meerderjarige [naam slachtoffer 1] ontmoet en haar verteld dat zij - met prostitutie - in Nederland veel meer geld kan verdienen dan in Parijs en dat in Nederland prostitutie legaal is. Terug in Nederland heeft de verdachte na korte tijd telefonisch contact opgenomen met [naam slachtoffer 1] met de bedoeling dat zij naar Nederland zou komen, om, aldus de verdachte, in de prostitutie te gaan werken. De verdachte heeft daarna [naam slachtoffer 1] opgehaald en is samen met haar met de trein naar Maastricht gereisd. In Maastricht heeft [naam slachtoffer 1] in de woning van de verdachte en zijn toenmalige vriendin [naam medeverdachte] gewoond, met hen meegegeten en vanuit die woning in de prostitutie gewerkt. Het telefonisch contact met klanten verliep via [naam medeverdachte] en/of de verdachte. Ook betaalden de klanten niet rechtstreeks aan [naam slachtoffer 1]. Zij ontving aldus het geldbedrag van een klant - ter hoogte van € 35,- per uur -, volgens haar eigen verklaring uit handen van [naam medeverdachte]. Verder betaalde [naam slachtoffer 1] mee aan de boodschappen. Er is niet gebleken dat zij heeft bijgedragen aan de huur of anderszins geld heeft afgedragen. Het is niet, althans onvoldoende, komen vast te staan dat een klant kennelijk meer dan € 35,- per uur voor het seksuele contact met [naam slachtoffer 1] heeft betaald, hoewel dit de rechtbank niet onmogelijk lijkt. Het door [naam slachtoffer 1] van [naam medeverdachte] ontvangen bedrag is immers aanzienlijk lager dan het bedrag dat [naam slachtoffer 2] van een klant vroeg als zij zich ook vanuit de woning van verdachte prostitueerde, te weten € 100,- per uur.

De mogelijkheid dat verdachte en/of een derde financieel voordeel hebben behaald uit de prostitutie van [naam slachtoffer 1] in Nederland is echter onvoldoende om te kunnen vaststellen dat er daadwerkelijk voordeel is door de verdachte en/of een derde is behaald. Bovendien heeft de rechtbank op geen enkele wijze de indruk gekregen dat [naam slachtoffer 1] niet uit geheel vrije wil naar Nederland is gekomen en dat het haar ook niet vrij stond om er mee te stoppen. Aldus is niet komen vast te staan dat [naam slachtoffer 1] op enigerlei wijze - ook niet ruim opgevat - zou worden uitgebuit dan wel is uitgebuit, en/of dat haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid (op strafwaardige wijze) zou worden aangetast, dan wel werd aangetast. Dientengevolge acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte heeft aangeworven of meegenomen met het oogmerk tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling.

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het hiervoor overwogene komt eveneens naar voren dat de aan verdachte (en aan eventuele mededaders) verweten handelingen geen voordeel hebben opgeleverd, althans, dat daarvan niet is gebleken, zodat ook dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde samen met [naam medeverdachte] woonachtig was in een woning, gelegen aan de [adres]. Eind 2005 heeft [naam slachtoffer 2], een bekende van zowel verdachte als [naam medeverdachte], besloten zich als prostituee aan te gaan bieden en heeft zij gevraagd of zij vanuit hun woning mocht werken. Verdachte en [naam medeverdachte] hebben dit goed gevonden. [naam slachtoffer 2] ontving ongeveer € 100,- per klant. Dit geld gaf zij in bewaring aan [naam medeverdachte], die het naderhand aan haar terug gaf. Soms werkte zij ook op escort-basis. Verdachte bracht haar dan met zijn auto naar de betreffende klant. Voor het rijden kreeg hij € 30,-. [naam slachtoffer 2] gaf ook wekelijks € 25,- aan verdachte en/of [naam medeverdachte]. Dit geld werd gebruikt voor het plaatsen van advertenties voor [naam slachtoffer 2].

Verdachte heeft verklaard dat zij gezamenlijk boodschappen deden en dat [naam slachtoffer 2] hiervoor soms geld gaf of dat zij soms de boodschappen geheel of gedeeltelijk zelf betaalde. Hij ontkent ook anderszins geld van [naam slachtoffer 2] te hebben ontvangen, terwijl [naam slachtoffer 2] ook niet het tegendeel beweert.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Enerzijds is niet, althans onvoldoende, gebleken dat verdachte en/of [naam medeverdachte] enig voordeel hebben verkregen. [naam slachtoffer 2] heeft weliswaar geld aan [naam medeverdachte] en/of verdachte gegeven, maar dit betrof oftewel geld dat later is teruggegeven, oftewel geld dat als vergoeding voor het plaatsen van een advertentie of vervoer werd betaald. Niet is gebleken dat de hoogte van de vergoeding niet in verhouding zou hebben gestaan met de geleverde dienst.

Anderzijds is voor een veroordeling vereist dat verdachte en/of [naam medeverdachte] [naam slachtoffer 2] hebben uitgebuit en dat verdachte ook het opzet had uit te buiten. Ook hiervan is in het geheel niet gebleken. Integendeel. [naam slachtoffer 2] is op eigen initiatief en verzoek als prostituee in de woning van verdachte gaan werken. Zij heeft zelfs afspraken gemaakt met de klanten over de hoogte van de betaling en als het bedrag eerst aan [naam medeverdachte] en/of [naam verdachte] in bewaring is gegeven, is het kennelijk daarna aan haar volledig overhandigd.

DE BESLISSING:

De rechtbank verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. W.A.P. Hillen en mr. J.M.E. Kessels, rechters, in tegenwoordigheid van J.Th.G. Coenders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 6 februari 2008