Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BC4305

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
AWB 07 / 1281 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verboden onderscheid niet aangetoond nu er geen objectief aanknopingspunt bestaat om aan te nemen dat geen inkomsten kunnen worden verworven die het minimumniveau te boven gaan.

Zie ook LJN: BC 4299

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07 / 1281 WWB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiseres],

wonende te Geleen, eiseres,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Sittard-Geleen,

gevestigd te Sittard, verweerder.

Datum bestreden besluit: 12 juli 2007

Kenmerk: 65061101/20123760 - 122454

Behandeling ter zitting: 22 november 2007

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres tegen het besluit van 27 april 2007, waarbij verweerder de aanvraag van eiseres om een langdurigheidstoeslag op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) heeft afgewezen, ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit heeft eiseres bij brief van 12 augustus 2007 op daartoe aangevoerde gronden een beroepschrift ingediend.

Ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 22 november 2007. Eiseres is niet verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde H.J.G. Kubben.

2. Overwegingen

Eiseres heeft op 26 april 2007 verweerder verzocht haar met ingang van 1 januari 2004 in aanmerking te brengen voor een langdurigheidstoeslag. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 26 april 2007 afgewezen. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat de inkomsten van eiseres vanaf 1 januari 2004 meer bedroegen dan € 764,- op jaarbasis en dat eiseres daarom niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een langdurigheidstoeslag.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Ze heeft zich op het standpunt gesteld dat zij wordt gediscrimineerd vanwege het feit dat zij werkt. Ter hoorzitting in bezwaar heeft zij een vergelijking gemaakt met haar buurvrouw, die, net als eiseres, een inkomen op bijstandsniveau heeft, maar anders dan eiseres geen inkomsten uit arbeid heeft en wel een in aanmerking komt voor een langdurigheidstoeslag.

Bij het thans bestreden besluit van 12 juli 2007 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Verweerder heeft zijn besluit van 26 april 2007 en de gronden waarop dit berust, gehandhaafd.

De rechtbank begrijpt het beroepschrift van eiseres aldus, dat zij de door haar eerder in bezwaar aangevoerde grond handhaaft.

Aldus is in geding de vraag of verweerder de aanvraag van eiseres om een langdurigheidstoeslag op grond van de WWB terecht en op goede gronden heeft afgewezen. Bij de bespreking van deze rechtsvraag zal de rechtbank overigens in het midden laten in hoeverre de omstandigheid dat artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB in zijn huidige redactie pas sinds 1 januari 2006 geldt, in de weg staat aan de mogelijkheid voor eiseres de langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 aan te vragen. De rechtbank overweegt voorts als volgt.

In artikel 36, eerste lid, van de WWB is bepaald dat het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag verleent aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen of ten aanzien van wie het college van oordeel is dat, gelet op de zeer geringe hoogte van de inkomsten uit of in verband met arbeid in die periode en de zeer geringe duur van deze arbeid, in redelijkheid niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, en;

d. na een periode als bedoeld in onderdeel a binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.

Verweerder heeft de hem in onderdeel b van dit artikellid gegeven beoordelingsvrijheid bij besluit van 4 december 2006 bij beleidsregel aldus ingevuld dat aan dit artikellid (tevens) wordt voldaan als de belanghebbende gedurende de in onderdeel a bedoelde periode (hierna: de referteperiode) inkomsten uit arbeid heeft genoten die een bedrag van € 764,- per jaar niet te boven gaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met deze beleidsregel de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet overschreden.

Tussen partijen is niet in geding dat eiseres gedurende de referteperiode een inkomen uit arbeid had van ongeveer € 500,- per maand. Daarnaast ontvangt zij van verweerder een aanvullende bijstandsuitkering. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voornoemde beleidsregel meebrengt dat eiseres niet voldoet aan het bepaalde in onderdeel b van artikel 36, eerste lid, van de WWB. Dit zou anders zijn indien, naar eiseres in beroep heeft betoogd, de beleidsregel in strijd zou zijn met het verbod van discriminatie, zoals dit, onder meer, is neergelegd in artikel 1 van de Grondwet, artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (hierna: IVBPR). Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank volgt eiseres in haar stelling dat de beleidsregel een onderscheid maakt naar werkenden en niet-werkenden. Daarbij tekent de rechtbank aan dat dit ook geldt voor onderdeel b van artikel 36, eerste lid, van de WWB zelf, op welke bepaling de beleidsregel berust. Er is echter pas sprake van discriminatie in de zin van voornoemde wettelijke en verdragsbepalingen (waarbij de rechtbank aantekent dat artikel 1 van de Grondwet niet kan dienen als toetssteen voor de wettelijke bepaling zelf) als dit onderscheid niet kan worden gerechtvaardigd.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 36 van de WWB is de langdurigheidstoeslag bedoeld als een inkomensondersteuning voor mensen die langdurig zijn aangewezen op een minimuminkomen en die een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Daarbij is het begrip arbeidsmarktperspectief van wezenlijke betekenis. Het vooralsnog ontbreken van arbeidsmarktperspectief vormt de kern van de rechtvaardigingsgrond voor aanvullende inkomensondersteuning voor mensen die gedurende vijf jaren ononderbroken aangewezen zijn geweest op een inkomen op minimumniveau. Bij aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief zal de langdurigheidstoeslag naar het oordeel van de wetgever een ongewenste bonus vormen op een langdurig verblijf in de uitkering en een onaanvaardbare bijdrage leveren aan de armoedeval.

Uit deze toelichting blijkt dat het door eiseres gewraakte verschil in behandeling tussen werkenden en niet-werkenden zeer bewust door de wetgever is gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van arbeidsmarktsperspectief in algemene zin een voldoende rechtvaardiging biedt voor het door de beleidsregel (en onderdeel b van het eerste lid van artikel 36 van de WWB zelf) gemaakte onderscheid tussen werkenden en niet-werkenden. De rechtbank begrijpt het beroep van eiseres echter ook aldus dat zij heeft beoogd te betogen dat bij de toepassing van genoemde wettelijke bepaling en beleidsregel onvoldoende rekening wordt gehouden met de bijzondere situatie dat, zoals in het geval van eiseres, weliswaar sprake is van arbeidsmarktperspectief, maar waarbij dit perspectief in zoverre beperkt is dat geen uitzicht bestaat op een omvang van werkzaamheden die leiden tot een inkomen boven minimumniveau.

Hoewel het ook de rechtbank, juist gelet op het streven een bijdrage aan de armoedeval te voorkomen, onwaarschijnlijk lijkt dat de wetgever de bedoeling zou hebben gehad uitkeringsgerechtigden die weliswaar inkomsten hebben uit arbeid, maar van wie vast staat dat zij niet in staat zijn deze inkomsten tot boven het minimumniveau te verwerven - in de woorden van eiseres ‘te bestraffen’ - door hen van de langdurigheidstoeslag uit te sluiten, ziet zij onvoldoende aanleiding het beroep van eiseres gegrond te verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank zou er slechts aanleiding kunnen zijn het in onderdeel b van artikel 36, eerste lid, van de WWB neergelegde vereiste van het (nagenoeg) ontbreken van arbeidsmarktperspectief in de door eiseres bedoelde situaties buiten toepassing te laten, indien er voldoende objectieve aanknopingspunten bestaan voor de conclusie dat de uitkeringsgerechtigde in de onmogelijkheid verkeert inkomsten uit arbeid te verwerven die het minimumniveau te boven gaan. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 juli 2006 (LJN: AY0173), waarin de Raad een dergelijke objectief aanknopingspunt heeft gevonden in de omstandigheid dat de in die zaak betrokkene een gedeeltelijke uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontving. Een dergelijk objectief aanknopingspunt ontbreekt in het geval van eiseres. Ook overigens heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij in de referteperiode in de onmogelijkheid verkeerde inkomsten uit arbeid te verwerven die het minimumniveau te boven gaan.

Op grond het voorgaande is het beroep ongegrond.

Gelet op artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. mr. E.J.H.G. van Binnebeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2008

door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. van Binnebeke w.g. R.E. Bakker

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 4 februari 2008

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.