Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BC1872

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
125398 /OT RK 07-1851
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit niets blijkt dat in situaties als de onderhavige waar de minderjarige en haar moeder het onmogelijk maken voor de hulpverlening een nader onderzoek naar de huidige persoonlijke omstandigheden van de minderjarige te doen, terwijl uit alle beschikbare informatie een zeer zorgwekkend beeld volgt dat door de uitlatingen van moeder ter zitting bepaald niet wordt weggenomen, de vereisten van artikel 29B van de (op 1 januari 2008 in werking getreden gewijzigde) Wet op de Jeugdzorg ter zake de door de bureau jeugdzorg te verstrekken verklaringen aan het verlenen van een machtiging in de weg dienen te staan zeker gelet op het belang van de minderjarige.

Wetsverwijzingen
Wet op de jeugdzorg
Wet op de jeugdzorg 29b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 4 januari 2008

Zaaknummer: 125398 / OT RK 07-1851

ONDERTOEZICHTSTELLING EN MACHTIGING TOT UITHUISPLAATSING

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak met betrekking tot d[naam kind]derjarige:

[namen kind], geboren te [geboortejaar 1990]

kind van:

[naam vader], wonende te [adres]

en

[namen moeder], wonende te [adres].

procureur mr. F.E.H.M. van Aken.

1. Verloop van de procedure:

Op 19 december 2007 heeft de Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht, verder te noemen: de raad, een verzoekschrift met bijlagen ingediend, daartoe strekkende dat de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige wordt uitgesproken.

De raad heeft op 19 december 2007 tevens verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen.

De zaak is behandeld ter zitting van 4 januari 2008.

Aangezien de raad machtiging heeft verzocht tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, is aan de minderjarige als raadsvrouw mr. S.M. Vliegen toegevoegd.

2. Beoordeling:

De raad heeft ter zitting gepersisteerd bij zijn verzoek. De situatie rondom [naam kind] is zo zorgelijk dat er alles aan moet worden gedaan om haar uit de omgeving waar ze naar alle waarschijnlijkheid verblijft te halen.

Namens moeder voert mr. Van Aken aan dat een ondertoezichtstelling en een machtiging tot gesloten plaatsing niet nodig zijn om [naam kind] op het rechte pad te krijgen of om haar weer thuis te laten verblijven. Vanaf het moment dat de voorlopige maatregelen zijn verleend is [naam kind] ondergedoken. Zij heeft contact met moeder en [naam kind] geeft aan dat zij zo lang als nodig is blijft ondergedoken. Zij weet dat als zij haar verblijfplek bekend zal maken zij opgepakt zal worden en gesloten wordt geplaatst. Een toewijzing van de voorliggende verzoeken keert zich tegen de belangen van [naam kind]. Als de machtiging tot uithuisplaatsing niet wordt verleend zal moeder [naam kind] stimuleren contact op te nemen met bureau jeugdzorg.

Er zijn geen ernstige problemen met [naam kind] die toewijzing van de verzoeken rechtvaardigen, Zij is in verkeerde handen geraakt en middels een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is gezocht naar een oplossing, maar dat is niet gelukt.

Moeder deelt mede dat zij dagelijks contact heeft met [naam kind], maar moeder wil de verblijfplaats van [naam kind] niet bekend maken. Volgens moeder woont [naam kind] niet meer bij de heer [T.] maar onderhoudt zij wel vriendschappelijke banden met hem. Zij komt één keer per maand bij hem om in de studio opnames te maken.

Volgens moeder voelt [naam kind] zich als een opgejaagde hond door de dreigende gesloten plaatsing. [naam kind] heeft geen jas en geen winterkleding waardoor zij, als zij al zou willen en durven, niet naar buiten kan. [naam kind] heeft thans medische problemen doch durft niet naar een arts te gaan.

Moeder wil dat [naam kind] naar huis komt.

Mr. Heckmans, die mr. Vliegen als raadsvrouw van [naam kind] vervangt, deelt mee dat hij geen contact heeft gehad met [naam kind]. Gelet op de situatie rondom [naam kind] is het duidelijk dat zij beschermd moet worden maar de vraag is of een gesloten machtiging, gelet op haar leeftijd, nog nodig is.

De gezinsvoogd voert ter zitting aan dat het nieuw voor hem is dat moeder contact heeft met [naam kind], die eerder aangaf het contact verbroken te hebben. In overleg met moeder is een machtiging tot gesloten plaatsing aangevraagd en werd afgesproken dat moeder zowel de gezinsvoogd als de raad op de hoogte zou houden over de ontwikkelingen van [naam kind], hetgeen echter niet is gebeurd terwijl nu blijkt dat moeder wel op de hoogte is van de verblijfplaats van [naam kind].

[naam kind] is in de gelegenheid gesteld contact met de hulpverlening op te nemen doch dat heeft zij nagelaten. Er zijn veel problemen, maar op dit moment kan de ondertoezichtstelling niet uitgevoerd worden nu [naam kind] ondergedoken blijft.

De gezinsvoogd pleit voor toewijzing van de verzoeken nu zich een situatie als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de Jeugdzorg voordoet.

Uit de overgelegde bescheiden en uit de verklaringen van de gehoorde personen blijkt dat aan de gronden voor ondertoezichtstelling is voldaan.

De kinderrechter is van oordeel dat het verzoek dient te worden toegewezen.

De kinderrechter is verder van oordeel dat, gelet op alle verstrekte informatie, [naam kind] in een zeer onveilige situatie verkeert en daardoor ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Het is zeer zorgelijk dat moeder weet waar [naam kind] verblijft, doch die verblijfplaats niet bekend wil maken waardoor zij de belangen van [naam kind] schaadt. Ook [naam kind] heeft, ondanks dat zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, geen gebruik gemaakt om contact met de kinderrechter of de hulpverlening op te nemen. Ook indien [naam kind] niet meer bij [T.] woont heeft zij, volgens de uitlatingen van haar moeder, toch maandelijks contact met hem en ziet hem nog steeds als een vriend terwijl moeder eerder ernstige bezwaren had tegen dit contact, gelet op de gedragingen van de heer [T.] welke bezwaren door bureau jeugdzorg en de raad worden gedeeld. Van belang is dat [naam kind] uit die hele situatie gehaald wordt.

De kinderrechter is gebleken dat de Stichting Bureau Jeugdzorg geen instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper heeft overgelegd, hetgeen in de situatie van [naam kind] ook onmogelijk is nu zij ondergedoken zit en er geen contact met haar opgenomen kan worden.

Uit niets blijkt dat in situaties als de onderhavige waar de minderjarige en haar moeder het onmogelijk maken voor de hulpverlening een nader onderzoek naar de huidige persoonlijke omstandigheden van de minderjarige te doen, terwijl uit alle beschikbare informatie een zeer zorgwekkend beeld volgt dat door de uitlatingen van moeder ter zitting bepaald niet wordt weggenomen, de vereisten van artikel 29B Wet op de Jeugdzorg terzake de door bureau jeugdzorg te verstrekken verklaringen aan het verlenen van een machtiging in de weg dient te staan zeker gelet op het belang van de minderjarige.

Gelet op de ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van [naam kind] zal de kinderrechter de verzochte machtiging verlenen

3. Beslissing

Stelt voornoemde minderjarige met ingang van 4 januari 2008 tot 20 juli 2008 onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg.

Verleent machtiging tot plaatsing van voornoemde minderjarige met ingang van 4 januari 2008 tot 20 juli 2008 in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M.I.A. Bregonje, kinderrechter, en in het openbaar op 4 januari 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van E.H.C.M. Franssen-Peeters, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat) - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.