Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BC1628

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
10-01-2008
Zaaknummer
119932 - HA ZA 07-504
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- exceptio plurium litis consortium;

- meerdere eigenaren;

- gevorderde verwijding bomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 9 januari 2008

Zaaknummer : 119932 / HA ZA 07-504

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake:

[Namen eisers],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. J.A. Moonen;

tegen:

[Naam gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. G. Nymeijer.

1. Het verloop van de procedure

Eisers hebben gedaagde bij exploot van 14 mei 2007 gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. Daarnaast hebben eisers op de eerstdienende dag bij akte een fotomap in het geding gebracht. Gedaagde heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Bij brief van 28 augustus 2007 zijn door eisers twee producties overgelegd ten behoeve van de comparitie. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Aan het proces-verbaal zijn de stukken gehecht, welke ter comparitie zijn overgelegd.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Eisers en gedaagde zijn buren van elkaar. Gedaagde woont sinds 1962 [op het adres]. Zij heeft in dan wel omstreeks 1993 met haar echtgenoot het aan haar tuin grenzende perceel, kadastraal bekend [kadastrale nummer], gekocht. Dit perceel is beplant met bomen en grenst aan de tuin van eisers. Blijkens de stukken en hetgeen partijen hebben aangevoerd staat verder vast dat van de genoemde bomen een aantal binnen de twee meter van de grenslijn met de tuin van eisers staan.

2.2 Eisers hebben gesteld dat zij sinds een jaar of vier overlast hebben van de bomen van gedaagde, en wel aldus dat er geen zonlicht meer op hun terras komt en de grote hoeveelheid vallende bladeren, in de herfst afkomstig van die bomen, voor veel overlast in hun tuin zorgen. Eisers hebben een fotomap in het geding gebracht, waarin huns inziens duidelijk de door hun gestelde overlast valt te zien. Eisers hebben bij aangetekend schrijven van 30 januari 2006 (productie 2 dagvaarding) gedaagde tevergeefs gesommeerd de bomen te verwijderen.

2.3 Eisers hebben op grond van het bovenstaande gevorderd bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- gedaagde te veroordelen om alle bomen binnen twee meter van de rooilijn te (doen) verwijderen en

verwijderd te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor elke dag of gedeelte van een

dag dat gedaagde na betekening van het te dezen te wijzen vonnis met volledige nakoming daarvan in

gebreke mocht blijven, en tevens

- gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.4 Gedaagde heeft primair ten verwere aangevoerd dat eisers ten onrechte haar echtgenoot niet hebben (mee)gedagvaard. Gedaagde is immers niet alleen eigenaar van de grond met bomen welke grenst aan de tuin van eisers. Gedaagde heeft daartoe verwezen naar de door haar in het geding gebrachte kadastrale kaart (productie 1 conclusie van antwoord) en aangevoerd dat weliswaar de woning alleen van haar is, maar dat zij de aan de achtertuin van eisers grenzende grond met bomen in 1993 (productie 2 conclusie van antwoord) samen met haar echtgenoot heeft gekocht. De grond met bomen behoort hen beiden in onverdeelde eigendom toe. Gedaagde heeft verder aangevoerd dat haar echtgenoot heeft medegedeeld dat hij met het verwijderen van de bomen niet zal instemmen.

Gedaagde is gelet op het bovenstaande dan ook primair van mening dat eisers niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering.

2.5 Gedaagde heeft subsidiair de beweerdelijke overlast betwist en ten verwere aangevoerd dat nu de bomen een haars inziens zeer grote landschappelijke en andere waarde hebben, een belangenafweging ertoe dient te leiden dat de bomen moeten blijven staan. Overigens is het nog maar de vraag of de gemeente een kapvergunning zou willen verlenen.

Gedaagde heeft bovendien gesteld dat, wat verder ook zij van de omstandigheid dat de bomen binnen de twee meter staan en de beweerdelijke overlast hierdoor voor eisers, de vordering van eisers dient te worden afgewezen nu deze is verjaard. De desbetreffende bomen staan er immers al tussen de dertig en veertig jaar. De verjaringstermijn bedraagt twintig jaar. Ten slotte is volgens gedaagde - kort samengevat - van belang dat door verjaring een erfdienstbaarheid tussen de beide tuinen is ontstaan.

3. De beoordeling

3.1 Het meest ver strekkende door gedaagde gevoerde verweer, inhoudende dat de vordering van eisers niet kan worden toegewezen omdat de vordering niet tegen gedaagde alleen, maar tegen gedaagde tezamen met haar echtgenoot had moeten worden ingesteld (ook wel de exceptio plurium litis consortium genoemd), slaagt. Hiertoe wordt overwogen dat het criterium voor toepassing van de exceptio plurium litis consortium is dat de eisende partij meerdere gedaagden in rechte moet betrekken, indien er een rechtsverhouding in geschil is, waarbij het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen luidt in dezelfde zin. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan thans sprake, waartoe zij als volgt overweegt.

3.2 Gelet op het bepaalde in artikel 5:42 lid 1 BW dienen eisers hun vordering tot verwijdering van de bomen tegen beide rechthebbende eigenaren (gedaagde en haar echtgenoot) in te stellen. Dit teneinde het door hen beoogde rechtsgevolg te kunnen bewerkstelligen. Een in deze zaak te wijzen vonnis, waarbij de vordering van eisers jegens één van de eigenaren zou worden toegewezen, is onvoldoende effectief, aangezien een dergelijke uitspraak niet zou gelden ten aanzien van de andere (mede)eigenaar en hierdoor niet zou kunnen worden geëffectueerd. Gesteld noch gebleken is verder dat er sprake is van een rechtsgrond waarop eisers een ten aanzien van gedaagde geldend veroordelend vonnis, eveneens tegen de echtgenoot van gedaagde zouden kunnen effectueren.

3.3 Een en ander nog afgezien van de omstandigheid dat indien gedaagde zou voldoen aan een dergelijk uitspraak (het verplicht kappen van de bomen) er een onomkeerbare situatie zou ontstaan, waarbij zij een inbreuk zou moeten maken op het (mede)eigendomsrecht van haar echtgenoot, hetgeen niet op goede grond van gedaagde kan worden gevergd. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de echtgenoot van gedaagde - naar gedaagde onweersproken heeft aangevoerd - heeft aangegeven met de kap van de bomen niet akkoord te zullen gaan.

3.4 Gelet op al het bovenstaande kunnen eisers niet ontvangen worden in hun vordering.

3.5 Aan de beoordeling van het door partijen gevoerde debat over de beweerdelijke overlast tengevolge van de bomen, de verjaringsproblematiek en de discussie over een al dan niet ontstane erfdienstbaarheid, welke verjaring en erfdienstbaarheid door gedaagde zou moeten worden bewezen, komt de rechtbank niet meer toe.

3.6 Eisers dienen ten slotte als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van gedaagde gevallen.

4. De beslissing

De rechtbank:

verklaart eisers niet ontvankelijk in hun vordering;

veroordeelt eisers in de kosten van de procedure aan de zijde van gedaagde gevallen en tot op heden begroot op € 251,00 aan vastrecht en € 904,00 aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

CM