Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:2990

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-08-2008
Datum publicatie
01-07-2013
Zaaknummer
03 AWB-07_2210
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB07 / 2210

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

[Eiseres],

wonend te [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

verweerder.

Datum bestreden besluit:

  1. november 2007, kenmerk: 407.237.003

  2. . 6 februari 2008, kenmerk: 407.237.003 ROBB 177272

1 Procesverloop

Bij brief van 18 december 2007 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 16 november 2007.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eiseres gezonden.


In de loop van de onderhavige procedure heeft verweerder bij besluit van 6 februari 2008 het bestreden besluit gewijzigd. Desgevraagd heeft eiseres bij brief van 14 februari 2008 aan de rechtbank meegedeeld, dat dat besluit niet aan het beroep tegemoet komt.

Het beroep wordt dan ook ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen dit nieuwe besluit.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van deze rechtbank op 23 juli 2008.

Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door A.F.L.B. Metz.

2 Overwegingen

Eiseres ontving van verweerder kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: AKW) ten behoeve van haar dochter [naam dochter], geboren op 8 augustus 1995. Zij heeft op 14 november 2002 op een formulier van verweerder aangegeven dat zij in Aken (Duitsland) als kapster werkzaam is gedurende 20 uur per week, en wel vanaf 1 januari 2001, naar zij op 18 november 2002 telefonisch heeft meegedeeld.

Bij besluit van 25 februari 2003 heeft verweerder eiseres meegedeeld, dat zij met ingang van het eerste kwartaal van 2001 geen recht meer heeft op kinderbijslag, aangezien zij vanaf die datum niet meer verzekerd was voor de AKW. Zij was namelijk vanaf die datum meer dan drie maanden uitsluitend werkzaam in Duitsland. Verweerder heeft het recht op kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal van 2002 herzien, omdat eiseres op grond van haar geringe inkomen niet belastingplichtig was en dus ook in Duitsland geen recht op kinderbijslag had. Een en ander betekent, dat verweerder vanaf 1 oktober 2002 geen kinderbijslag meer betaalt.

Eiseres heeft niet tijdig (namelijk pas bij brief van 19 mei 2003) bezwaar aangetekend tegen dit besluit. Zij heeft bij die brief voorts met terugwerkende kracht kinderbijslag aangevraagd onder verwijzing naar artikel 24 van het KB 746. Zij heeft daarbij een brief van het Arbeitsamt Aachen overgelegd, waarin wordt aangegeven: ‘Ihr antrag (Kindergeld) vom 13.03.2003 wird abgelehnt. Sie üben in der BRD lediglich eine geringfügige Beschäftigung aus und unterliegen nicht der unbeschränkten Einkommensteuerpflicht. Ein Versicherungspflichtverhältnis zur Bundesanstalt für Arbeit besteht aufgrund Ihrer Aushilfstätigkeit ebenfals nicht, somit sind die Voraussetzungen des Art. 73 VO EWG 1408/71 ebenfals nicht erfüllt.’

Bij besluit van 17 september 2003 is dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Op het verzoek om toepassing van artikel 24 van KB 746 is met besluit van 15 maart 2004 afwijzend beslist. In beide besluiten is berust, zodat deze in rechte zijn komen vast te staan.

Bij brief van 13 december 2005 heeft eiseres opnieuw bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 februari 2003. Dit bezwaar is bij besluit van 19 januari 2006 wederom niet-ontvankelijk verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is met uitspraak van 17 juli 2006 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft voorts op 30 januari 2006 een aanvraag bij verweerder ingediend, strekkende tot toekenning van kinderbijslag. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij in Nederland woont of werkt sinds 1983, dat zij de afgelopen twaalf maanden in Duitsland werkzaam is en dat zij een aanvullende bijstandsuitkering ontvangt. Bij besluit van 27 maart 2006 heeft verweerder eiseres naar aanleiding van die aanvraag kinderbijslag toegekend met ingang van het eerste kwartaal van 2006. Bij brief van 21 februari 2007 heeft verweerder eiseres verzocht nadere informatie over haar inkomen te verstrekken. Deze informatie heeft zij verweerder op 17 maart 2007 verstrekt. Daarin is onder meer vermeld dat eiseres sedert 24 juni 1986 in Aken werkt. Verweerder heeft daarna het Bureau voor Duitse Zaken (hierna: BDZ) te Nijmegen om nadere informatie verzocht aangaande het mogelijke recht van eiseres op kinderbijslag in Duitsland. Het BDZ heeft als reactie daarop meegedeeld dat eiseres nog steeds ‘geringfügig beschäftigt’ is en geen Duits Kindergeld ontvangt.

Bij brief van 5 juni 2007 heeft eiseres via haar advocaat verweerder verzocht om haar alsnog met ingang van het vierde kwartaal van 2002 kinderbijslag toe te kennen, mede gelet op het feit dat haar bij besluit van 27 maart 2006 met ingang van het eerste kwartaal van 2006 kinderbijslag is toegekend zonder dat haar inkomensgegevens zijn veranderd. Dit betekent dat zij indertijd ten onrechte geen kinderbijslag heeft ontvangen. Bij besluit van 5 juli 2007 heeft verweerder eiseres meegedeeld, dat bij interne controle is gebleken dat de toekenning van de kinderbijslag met ingang van het eerste kwartaal van 2006 niet juist was. Bij besluit van 25 februari 2003 had verweerder eiseres namelijk meegedeeld dat zij ingaande het eerste kwartaal van 2001 geen recht had op kinderbijslag, omdat zij buiten Nederland in dienstbetrekking werkte. Deze beslissing is rechtens onaantastbaar geworden omdat er niet tijdig bezwaar tegen is aangetekend. Uit de nieuwe aanvraag van 30 januari 2006 en de daarna verstrekte gegevens is echter niet gebleken van nieuwe feiten en/of nieuwe omstandigheden, die bij het besluit van 25 februari 2003 geen rol hebben gespeeld en die toen niet als bezwaar/beroepsgrond hadden kunnen worden aangedragen. Daarom wordt beslist, dat de aanvraag die verweerder op 31 januari 2006 van eiseres heeft ontvangen wordt afgewezen. Hierdoor wordt de beslissing van 27 maart 2006 ingetrokken. Bij begeleidende brief heeft verweerder eiseres meegedeeld, dat gesteld kan worden dat het eiseres duidelijk moet zijn geweest, gezien het eerder ingenomen standpunt, dat ten onrechte kinderbijslag werd ontvangen. Eiseres heeft echter bij de nieuwe aanvraag geen onjuiste gegevens verstrekt. Die gegevens werden echter door verweerder op een zeer onzorgvuldige (wijze) verwerkt waardoor ten onrechte kinderbijslag werd uitbetaald. De ten onrechte uitbetaalde kinderbijslag wordt daarom niet teruggevorderd.

Tegen het besluit van 5 juli 2007 heeft eiseres bezwaar gemaakt. Daarbij is aangevoerd, dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd; ook de beslissing van 25 februari 2003 was onvoldoende gemotiveerd. Eiseres maakt bezwaar tegen de impliciete overweging in het besluit van 5 juli 2007, dat zij niet verzekerd zou zijn in Nederland. Zij werkt namelijk op basis van een zogenaamde € 400,-- job in Duitsland, waarbij bruto gelijk is aan netto. Eiseres is dus niet verzekerd voor de Duitse kinderbijslag. Eiseres ontvangt in Nederland een aanvullende bijstandsuitkering, waarvan zij een bijdrage aan de kinderbijslag betaalt. Daarom is zij in Nederland wél voor de kinderbijslag verzekerd. In Nederland betaalt zij immers de premie. Het besluit om de tweede aanvraag af te wijzen is in strijd met de rechtszekerheid omdat de aanvraag aanvankelijk is toegewezen.

Bij het bestreden besluit van 6 februari 2008, waarmee het bestreden besluit van 16 november 2007 werd aangepast, heeft verweerder voormeld bezwaarschrift ongegrond verklaard. In het besluit van 5 juli 2007 is geen juiste motivering aangegeven. Nu eiseres volgens haar verklaring van 17 maart 2007 vanaf 24 juni 1986 in loondienst werkzaam is bij Reinhold Kupferschläger Haarstudio te Aken in Duitsland, is op grond van het bepaalde in artikel 13, eerste en tweede lid, van de EEG-Verordening 1408/71 alleen de wetgeving van Duitsland van toepassing. Daarom bestaat er met ingang van het eerste kwartaal van 2003 geen recht op kinderbijslag voor [naam dochter] in Nederland. Met betrekking tot de intrekking van de beslissing van 27 maart 2006 is verweerder van mening dat hij naar aanleiding van de aanvraag van 30 januari 2006 een onjuiste beslissing heeft genomen, ondanks het feit dat door eiseres de juiste gegevens zijn verstrekt. Immers, alleen de wetgeving van Duitsland is van toepassing. Daarom wordt de aanvraag van 30 januari 2006 alsnog afgewezen evenals het verzoek van 5 juni 2007.

Eiseres kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep aangevoerd, dat eiseres voor haar werkzaamheden als kapster als "geringfügige Beschäftigte" een netto vergoeding van maximaal € 400,-- per maand ontving, over welk bedrag geen loonbelasting noch sociale afdrachten betaald moesten worden. Het is in strijd met de rechtszekerheid wanneer verweerder van eiseres verwacht zich aan een volgens verweerder rechtens onaantastbare beslissing te houden, terwijl verweerder zich zelf niet aan deze beslissing houdt. Eiseres mocht ervan uitgaan dat zij terecht kinderbijslag ontving. Verweerder heeft niet aangegeven waaruit de foutieve verwerking in het geautomatiseerd systeem bestaat. Verweerder zal duidelijk moeten motiveren waarom aan eiseres vanaf 1 januari 2006 kinderbijslag is verstrekt. Verweerder is eraan voorbijgegaan dat eiseres bij besluit van 27 maart 2006 met ingang van 1 januari 2006 kinderbijslag is toegekend, hetgeen beschouwd moet worden als een nieuw feit. Eiseres ontvangt in Duitsland geen Kindergeld omdat zij daar geen premies betaalt. In Nederland betaalt zij wel premie voor de AKW. Daarom dient de kinderbijslag in Nederland uitbetaald te worden. Het bezig zijn als geringfügige Beschäftigte is geen werk in de zin van de AKW. Het standpunt van verweerder is in strijd met de Europese regelgeving omdat dat standpunt het vrije verkeer van werknemers binnen de EU frustreert. Daarom heeft eiseres vanaf 1 januari 2001 recht op kinderbijslag. Ter zitting heeft de raadsman van eiseres nog aangevoerd dat de verordening 1408/71 niet op eiseres van toepassing zou zijn en, indien dat anders zou zijn, analoge toepassing van het bepaalde in artikel 14 bis, tweede lid, van die verordening zou moeten leiden tot toekenning van kinderbijslag.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het recht op kinderbijslag ten behoeve van eiseresses dochter [naam dochter] per 1 oktober 2002 en daarna het volgende.

Aanleiding tot de onderhavige procedure was de brief van 5 juni 2007, waarmee eiseres verweerder verzocht om haar alsnog met ingang van het vierde kwartaal van 2002 kinderbijslag toe te kennen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze aanvraag moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 25 februari 2003. Ingevolge het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb is de aanvrager in zo'n geval gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake, zodat verweerder met de beslissing van 16 november 2007 het bezwaar tegen de beslissing van 5 juli 2007 terecht en op goede gronden ongegrond heeft verklaard.

Voor zover het verzoek van eiseres opgevat zou moeten worden als een verzoek haar met ingang van het eerste kwartaal van 2003 in aanmerking te brengen voor kinderbijslag ten behoeve van haar dochter [naam dochter], waarvan in het besluit van 6 februari 2008 wordt uitgegaan, wordt het volgende overwogen.

Als ingezetene van Nederland is eiseres verplicht verzekerd voor de AKW. Ingevolge artikel 1 van de EEG-Verordening 1408/71 valt zij daarmee ook onder de werkingssfeer van die verordening. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de EEG-Verordening 1408/71 zijn degenen op wie deze Verordening van toepassing is slechts aan de wetgeving van één enkele Lidstaat onderworpen. Ingevolge artikel 13, tweede lid, onder a respectievelijk b, van de EEG-Verordening 1408/71 is op degene die op het grondgebied van een Lidstaat werkzaamheden (respectievelijk anders dan) in loondienst uitoefent de wetgeving van die Staat van toepassing, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lidstaat woont of –bij werkzaamheden in loondienst– indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere Lidstaat.

Op grond van de gedingstukken kan als vaststaand worden aangenomen, dat eiseres in Duitsland werkzaam is geweest. Op grond van het bepaalde in artikel 13 van de EEG-Verordening moet dan ook worden geconcludeerd, dat zij aan de wetgeving van Duitsland onderworpen is geweest, zodat eiseres in Nederland geen aanspraak kan maken op kinderbijslag. Verweerder heeft dan ook terecht en op goede gronden besloten, dat eiseres vanaf het eerste kwartaal van 2003 geen recht heeft op kinderbijslag, zodat haar beroep tegen het besluit van 6 februari 2008 voor ongegrond moet worden gehouden. Artikel 14 bis, tweede lid, van de EEG-Verordening 1408/71 mist in dit geval toepassing.

Tegen de intrekking van het besluit van 27 maart 2006 zijn verder geen grieven aangevoerd, zodat de rechtbank aan een beoordeling van dat onderdeel van het besluit van 6 februari 2008 niet toekomt.

Gelet op artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3 Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep tegen de besluiten van 16 november 2007 en 6 februari 2008 ongegrond.

Aldus gedaan door P.J.M. Bruijnzeels in tegenwoordigheid van C.A.M. Kavelaars als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2008

w.g. C. Kavelaars w.g. P.J.M. Bruijnzeels

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 5 augustus 2008

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.