Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BC6176

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-12-2007
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
274214 EJ VERZ 07-3991
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Algemene zorgplicht werkgever. Goed werkgeverschap (art. 7:611 BW)

Bij de mogelijke vaststelling van een met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomende vergoeding is een zorgvuldige weging van de voorliggende feiten op haar plaats.

Bij die weging dient vooropgesteld te worden dat in ons arbeidsrecht in het algemeen van een werkgever, mede gezien diens positie van 'sterke(re) partij' als verschaffer van betaalde arbeid waarmee de werknemer in zijn of haar levensonderhoud moet voorzien, méér wordt verwacht dan dat hij uitsluitend bedacht is op het louter dienen van wat hij - al dan niet terecht - beschouwt als zijn eigen belang. De werkgever zal zich, tot op zekere hoogte, bij zijn handelen dienen te laten leiden door een bepaalde zorg voor zijn werknemer die verder gaat dan wat van een 'gelijkwaardige wederpartij' zou worden verlangd, ook, en wellicht zelfs juist dán, als zijn werknemer niet in staat mocht blijken van eenzelfde houding te getuigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

Zaaknr.: 274214 EJ VERZ 07-3991

Beschikking van 24 december 2007 op een verzoek ex artikel 7:685 BW

in de zaak van:

[eiser],

zaakdoend te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. N. Schermer, juridisch adviseur te Roermond (ARAG);

tegen

[gedaagde],

wonend te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. M.J.M.H. Simons, advocaat te Roermond.

1. Het verloop van de procedure

Verzoeker, hierna: "[eiser]", heeft bij verzoekschrift met zestien producties d.d. 21 november 2007 om ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst verzocht. Verweerder, hierna: "[gedaagde]", heeft op 27 november 2007 een verweerschrift met zesentwintig producties ingediend.

Op de dag van de mondelinge behandeling, 28 november 2007, hebben partijen ieder de eigen standpunten nader toegelicht en over en weer op elkaars stellingen gereageerd, waarna de zaak is aangehouden tot 5 december 2007 teneinde [eiser] en [gedaagde] in de gelegenheid te stellen het geschil alsnog in onderling overleg op te lossen.

Nu partijen op de voornoemde datum niet hebben laten weten dat een regeling was bereikt, is de uitspraak van de beschikking op het verzoekschrift vastgesteld op heden.

2. De beoordeling

2.1 [eiser] heeft de kantonrechter verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst zo spoedig mogelijk en zonder toekenning van een vergoeding te ontbinden wegens gewichtige redenen, bestaande in een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheids-halve dadelijk dient te eindigen. Ter staving van zijn verzoek voert [eiser] - kort gezegd - aan, dat hij reeds geruime tijd niet meer tevreden was over de wijze waarop [gedaagde] zijn werkzaamheden uitvoerde. Na een mededeling dat op vrijdag 29 september 2006 een functioneringsgesprek met hem zou worden gevoerd, werd [gedaagde] "om die mededeling vreselijk kwaad en meldde zich vervolgens ziek", aldus [eiser].

[gedaagde] heeft tegen toewijzing van het verzoek gemotiveerd verweer gevoerd. Daarbij stelt hij zich primair op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen en subsidiair maakt hij bij ontbinding "met inachtneming van de rechtens geldende opzegtermijn" aanspraak op een vergoeding ten bedrage van € 26.236,47, althans op een in goede justitie te bepalen bedrag.

2.2 Tegelijk met de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek is ter zitting van 28 november 2007 de door [gedaagde] bij exploot van dagvaarding d.d. 13 november 2007 aanhangig gemaakte loonvordering in kort geding behandeld. Opmerking verdient dat het verzoekschrift is ingediend op 27 november 2007, derhalve ná het uitbrengen van het exploot. De kantonrechter komt daarop nog terug.

Het moge duidelijk zijn dat, hoewel hier sprake is van twee procedures, de beoordeling van de verhouding tussen partijen op grond van de over en weer geponeerde stellingen en van het aannemelijk geworden feitencomplex, in beide procedures doorwerkt. Het gaat hier immers om twee kanten van dezelfde medaille.

2.3 De kantonrechter stelt voorop dat in elk geval kan worden vastgesteld dat tussen [eiser] - met name in de persoon van diens sedert 2004 werkzame interimmanager [X] - en [gedaagde] een onwerkbare situatie is ontstaan. Aan partijen is immers na de mondelinge behandeling van 28 november 2007 de tijd gegund om te bezien of zij zouden kunnen komen tot herstel van de onderlinge relatie, hetgeen kennelijk niet is gelukt. Gelet op hetgeen ter zitting is gebleken omtrent de verhoudingen tussen alle betrokkenen, wekt dat overigens geen verbazing.

Aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst valt op zich dan ook niet te ontkomen. De vraag resteert of daarbij toekenning van een vergoeding als bedoeld in het achtste lid van artikel 7:685 BW op haar plaats is.

2.4 Bij de mogelijke vaststelling van een met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomende vergoeding is een zorgvuldige weging van de voorliggende feiten op haar plaats.

Bij die weging dient vooropgesteld te worden dat in ons arbeidsrecht in het algemeen van een werkgever, mede gezien diens positie van 'sterke(re) partij' als verschaffer van betaalde arbeid waarmee de werknemer in zijn of haar levensonderhoud moet voorzien, méér wordt verwacht dan dat hij uitsluitend bedacht is op het louter dienen van wat hij - al dan niet terecht - beschouwt als zijn eigen belang. De werkgever zal zich, tot op zekere hoogte, bij zijn handelen dienen te laten leiden door een bepaalde zorg voor zijn werknemer die verder gaat dan wat van een 'gelijkwaardige wederpartij' zou worden verlangd, ook, en wellicht zelfs juist dán, als zijn werknemer niet in staat mocht blijken van eenzelfde houding te getuigen.

2.5 Met de voormelde maatstaf voor ogen waardeert de kantonrechter de gang van zaken, zoals die op grond van de gepresenteerde feiten aannemelijk is geworden, als volgt.

Voor wat betreft de gewichtige reden die [eiser] aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd en de feitelijke onderbouwing daarvan, het beweerdelijk disfunctioneren van [gedaagde], kan de kanton-rechter kort zijn. Behoudens het kennelijk als 'agendalijstje' bedoelde stuk (verzoekschrift prod. 2), dat naar de kantonrechter heeft begrepen afkomstig is van de chefkok [Y], is bij de mondelinge behandeling geconstateerd dat daarvan geen stukken zijn overgelegd, hoewel die er volgens de ge-machtigde van [eiser] wel zouden zijn. Wel is ter zitting naar voren gekomen dat er sprake is van een diepgeworteld en reeds langere tijd slepend arbeidsconflict dat tot een eerste uitbarsting is gekomen met de ziekmelding van [gedaagde] op 28 september 2006. Het is significant dat de bedrijfsarts (van de arbodienst) in zijn eerste periodieke evaluatie van 23 oktober 2006 de verwachting heeft uitgespro-ken dat partijen "gezien de ernst van het conflict" uit elkaar zouden gaan. Het verzoekschrift daarente-gen ademt de sfeer van 'verwondering op afstand', zoals blijkt uit de zin: "Daarnaast bepaalde de arboarts, dat [gedaagde] een conflict heeft met zijn werkgever". Dat ligt in de lijn van de opmerking van [X] ter zitting dat er in september 2006 niets geks zou zijn gebeurd en dat hij anders nooit problemen (met [gedaagde]) heeft gehad.

Een geloofwaardige of consistente indruk maakt dit alles zeker niet. Hoe dit ook zij, het heeft er veel van weg dat reeds het nodige tussen partijen was voorgevallen zonder dat [eiser], conform zijn posi-tie als werkgever, op adequate wijze het voortouw heeft genomen om een (eerste) escalatie - en dat is een arbeidsgerelateerde ziekmelding ipso facto - te voorkomen.

2.6 Bij die eerste escalatie is het kennelijk niet gebleven, blijkens het verloop van het 'mediationtra-ject'. Uit de correspondentie tussen partijen rijst het beeld op van een werkgever - [eiser] - die zijn weigerachtigheid om aan mediation mee te werken vooral lijkt op te hangen aan een 'sms-je' d.d. 27 oktober 2006 van [gedaagde] (verzoekschrift prod. 7). Een 'nuancerende' opmerking van [gedaagde]' gemachtigde (verzoekschrift prod. 8) heeft [eiser] blijkbaar onvoldoende overtuigd: "toen was het kwaad al geschied" (brief 14-12-2006, verzoekschrift prod. 9). Het voorstel dat [eiser] bij monde van zijn (eerste) gemachtigde formuleerde in de brief van 14 december 2006 was "ondeelbaar" en had een 'alles-of niets karakter', en waar [gedaagde] akkoord ging met het inleveren van drie weken verlof maar zei nog ziek te zijn (brief 18-12-2006, verzoekschrift prod. 10), gaf [eiser] in zijn antwoord d.d. 22 december 2006 (verzoekschrift prod. 11) geen krimp. Uit het (eerste) deskundigenoordeel van het UWV d.d. 15 janu-ari 2007 blijkt dan dat [gedaagde] inderdaad ook vanaf 1 november 2006 arbeidsongeschikt was, waarna pas na twee sommaties het achterstallige loon is uitbetaald. Het wekt geen grote verwondering dat de mediation, die uiteindelijk pas in mei 2007 (!) plaatsvond, geen vruchten heeft afgeworpen.

2.7 Het vorenstaande geeft al aan dat [eiser] zijn positie als werkgever niet heeft ingevuld op een wijze die van hem mocht worden verwacht. Vermeldenswaardig is dat [eiser] zelf nooit blijk heeft gegeven van enig actief ingrijpen en kennelijk alles aan zijn interimmanager Meerten heeft overgelaten. Van inspanningen zijnerzijds op het vlak van reïntegratie is niet gebleken. Ook is het minstgenomen opvallend dat [eiser] zijn ontbindingsverzoek pas heeft ingediend nadat [gedaagde] hem in kort geding had gedagvaard. Dat geeft blijk van een weifelachtige, misschien wel ambivalente houding die de kantonrechter eigenlijk alleen maar kan begrijpen vanuit de - door [gedaagde] niet betwiste - opmerking ter zitting dat het zeer moeilijk is een andere zelfstandige kok aan te trekken: de arbeidsmarkt is ten aanzien van koks zeer krap. Het is dan echter van tweeën een: of men probeert het conflict fundamenteel op te lossen of men gaat uit elkaar. [Eiser] heeft echter het ene ten enenmale niet gedaan en het andere pas in een zeer laat stadium, na - en in reactie op? - dagvaarding door [gedaagde] en om redenen (zie 2.5) die volstrekt onvoldoende uit de verf zijn gekomen.

2.8 In het licht van dit alles is het laatste stadium van het conflict eigenlijk niet meer zo interessant. De artsen van Arboned en UWV (respectievelijk bedrijfsarts en verzekeringsarts) constateerden - zonder twijfel terecht - dat het 'medische traject' geen soelaas meer kan bieden. [Gedaagde], die ook niet de sterkste indruk maakt, waarover zo dadelijk meer, kon het toen nog steeds niet opbrengen zijn werk te hervatten, en [eiser] deed zijnerzijds te langen leste bij brief van 9 oktober 2007 (verzoekschrift prod. 16) een poging het touw weer in handen te nemen. De in die brief geformuleerde voorstellen, te weten 1) weer aan het werk gaan, 2) herplaatsing binnen een bedrijf van de heer Meerten (?, een verklaring hiervoor ont-breekt, Ktr) of 3) beëindiging van de arbeidsrelatie, lijken echter geheel voorbij te zien aan de ontstane conflictsituatie en aan een fundamentele oplossing daarvan.

2.9 De gevolgtrekking dat [eiser] de nodige steken heeft laten vallen, doet echter niet af aan het feit dat ook bij het handelen van [gedaagde] vraagtekens kunnen worden gezet. Dat, zoals gezegd, van een werkgever het een en ander verwacht mag worden, vrijwaart de werknemer er niet van dat ook op hem bepaalde plichten rusten in het geval van een steeds verder escalerend arbeidsconflict. Met name valt het de kantonrechter op dat [gedaagde], naarmate het conflict langer ging slepen, zich steeds inactiever en lijdzamer is gaan opstellen, althans daar heeft het veel van weg. Als de arbeidsmarkt voor zelfstandige koks krap is, hetgeen hij niet heeft betwist, zou dat [gedaagde] uitstekende kansen op nieuw werk (hebben) moeten bieden. [Gedaagde] is pas 37 jaar, is gezond van lijf en leden, en is een ervaren vakman. Waarom dan zolang gedraald en zichzelf 'gehandhaafd' in een ziekmakende situatie?

2.10 Om dit alles te 'vertalen' in een passende vergoeding is geen eenvoudige zaak. Enerzijds heeft [eiser] onvoldoende waargemaakt wat van hem in zijn positie als werkgever mocht worden verwacht. Anderzijds valt ook [gedaagde] wel wat te verwijten en blijft het feit staan dat hij geacht moet worden over een goede uitgangspositie op de arbeidsmarkt te beschikken, zoals hierboven is overwogen. Reeds met het oog daarop is een vergoeding van € 26.236,47 zoals [gedaagde] in zijn verweerschrift wil, niet aan de orde.

Gezien het vorenstaande en zal de arbeidsovereenkomst tussen partijen worden ontbonden met ingang van 15 januari 2008 onder toekenning aan [gedaagde] van een vergoeding ten bedrage van € 10.000,- bruto, waarbij rekening is gehouden met een bruto maandloon van € 2.180,97 exclusief vakantiebijslag, de aanvangsdatum van het dienstverband (29 mei 1998) en de leeftijd van [gedaagde] (geboren op 26 juni 1970).

Anders dan [gedaagde] wil, ziet de kantonrechter bij het bepalen van de ontbindingsdatum geen aanleiding om deze vast te stellen met inachtneming van "de rechtens geldende opzegtermijn". Zeker in het licht van het wederzijds veel te lang laten slepen van het conflict, waarbij ook [gedaagde] - zie 2.9, laatste twee zinnen! - een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst had kunnen (en dienen te) doen om uit de impasse te komen, ziet de kantonrechter daarvoor geen ruimte.

2.11 [Eiser] zal overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:685 lid 9 BW in de gelegenheid worden gesteld uiterlijk 14 januari 2008 zijn verzoek in te trekken.

De kantonrechter acht ten slotte termen aanwezig de kosten van deze procedure te compenseren in dier voege, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Indien [eiser] daarentegen zijn verzoek intrekt, waartoe hem tot en met 27 december 2007 gelegenheid wordt geboden, zal de kantonrechter hem veroordelen in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op in totaal € 500,-.

3. De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 15 januari 2008 onder toekenning aan [gedaagde] van een vergoeding ten bedrage van € 10.000,- bruto ten laste van [eiser], tot betaling van welk bedrag [eiser] - voor zover nodig - wordt veroordeeld;

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

voor het geval [eiser] zijn verzoek uiterlijk 14 januari 2008 intrekt:

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagde] tot aan deze uitspraak begroot op € 500,-.

Aldus gegeven door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegen-woordigheid van mr. M.A.P.M. Coops als griffier.

MC