Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BC6121

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-09-2007
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
220982 CV EXPL 06-1161
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1) Géén reflexwerking schriftelijkheidsvereiste huurkoop (art. 7A:1576j lid 3 BW)

2) Beroep op buitengerechtelijke vernietiging als rechtsfeit (art. 1:88 lid 3 en 3:50 BW)

Ad 1.

Dexia bepleit dat het ontbreken van schriftelijke toestemming ex artikel 1:88 lid 3 BW niet tot gevolg dient te hebben dat de gehele effectenlease-overeenkomst nietig is, maar dat slechts het voor huurkoop kenmerkende eigendomsvoorbehoud geen gelding heeft. De kantonrechter verwerpt dit vanuit de beschermingsgedachte die aan artikel 1:88 BW ten grondslag ligt, alsmede omdat zulks afbreuk zou doen aan het feitelijk en juridisch karakter van de effectenlease als huurkoopovereenkomst.

Ad 2.

Niets verzet zich ertegen dat de handelende echtgenoot zich beroept op buitengerechtelijke vernietiging van de effectenlease-overeenkomst door de niet handelende echtgenoot als rechtsfeit. Uit artikel 3:50 BW volgt niet dat de niet handelende echtgenoot daarvoor partij in het geding zou moeten zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

Rolnr.: 06-1161

Zaaknr.: 220982

Vonnis d.d. 12 september 2007

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in de conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde mr. M.B. Keus (toevoeging);

tegen

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde mr. F.R.H. van der Leeuw, advocaat te Amsterdam.

1. Het verloop van de procedure

Eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, verder te noemen "[eiser]", heeft gedaag-de in conventie, tevens eiseres in reconventie, verder te noemen "Dexia", onder betekening van eenentwintig producties gedagvaard om te verschijnen voor de kantonrechter te Maastricht.

Dexia heeft onder overlegging van vijfentwintig producties geconcludeerd voor antwoord in conventie, waarna zij een voorwaardelijke en onvoorwaardelijke vordering in reconventie heeft ingesteld.

[eiser] heeft vervolgens gerepliceerd in conventie en geantwoord in reconventie, waarbij zes producties in het geding zijn gebracht, waarna Dexia een conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie met twee producties heeft genomen.

Door [eiser] is daarna nog geconcludeerd voor dupliek in reconventie met twee producties.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. Het geschil

In conventie:

2.1 Op 2 januari 2001 heeft [eiser] door tussenkomst van Spaar Select Maastricht een overeenkomst met (de rechtsvoorganger van) Dexia gesloten die strekte tot effectenlease gedurende 240 maanden tegen een maandelijkse lease-som van € 907,03 voor rente en aflossing, met de mogelijkheid van tussentijdse beëindiging na 60 maanden.

De maandtermijnen heeft [eiser] op advies van Spaar Select gefinancierd door het opnemen van een tweede hypotheek op zijn huis en het storten van € 54.453,63 in een aandelendepot, hetwelk erop neerkwam dat voor dat bedrag aandelenparticipaties werden gekocht, welke maandelijks werden verkocht ter betaling van de voormelde lease-som.

2.2 Door de algemene malaise op de beursvloer werd [eiser] geconfronteerd met het feit dat na voldoening van 33 maandtermijnen bleek dat het aandelendepot - om het zo te noemen - 'leeg' was. Teneinde de maandtermijnen tot het einde van de minimumlooptijd te kunnen betalen heeft [eiser] de resterende 27 termijnen voldaan door andermaal een (extra) hypotheek op zijn huis op te nemen.

Als gevolg van grote koersverliezen op de beurs is bij de tussentijdse beëindiging van de effectenlease-overeenkomst gebleken dat [eiser], naast wat hij noemt het "verlies van zijn volledige inleg ad € 54.453,63 én 27 maandtermijnen (in totaal € 24.489,81)", geconfronteerd werd met een restschuld aan Dexia ad € 20.590,34 (zie eindafrekening d.d. 9-2-'06, dagv. prod. 9).

2.3 [eiser] wijst erop dat zijn echtgenote geen (schriftelijke) toestemming heeft gegeven tot het aangaan van de effectenlease-overeenkomst met Dexia en beroept zich op de door haar bij aan-getekende brief van omstreeks 10 augustus 2003 uitgebrachte buitengerechtelijke vernietigings-verklaring (dagv. prod. 11), welke door Dexia van de hand is gewezen (dagv. prod. 12).

Subsidiair stelt [eiser] dat bij de totstandkoming van de overeenkomst sprake is geweest van dwaling, en/of dat Dexia jegens hem toerekenbaar tekort is geschoten, althans onrechtmatig heeft gehandeld. Voor een nadere uiteenzetting van de gronden wordt verwezen naar de dagvaarding.

2.4 Voor een omschrijving van de door [eiser] ingestelde vorderingen wordt verwezen naar pagina 13 en 14 van de dagvaarding.

2.5 Dexia heeft de vordering gemotiveerd betwist.

In reconventie:

2.6 Voorwaardelijk, dat wil zeggen indien de effectenlease-overeenkomst geheel of gedeeltelijk vernietigd dan wel ontbonden zou worden, vordert Dexia - kort gezegd - betaling door [eiser] van het verschil tussen aankoop- en verkoopwaarde van de aandelen, dit op de voet van het bepaalde in artikel 6: 278 BW.

Onvoorwaardelijk vordert Dexia betaling van de restschuld ad € 20.590,34 met rente.

2.7 [eiser] heeft de vordering gemotiveerd betwist.

3. De beoordeling

In conventie:

3.1 Dexia wijst primair elke vorm van aansprakelijkheid van de hand omdat zij "niet aanspra-kelijk of verantwoordelijk kan worden gehouden voor de advisering en het handelen van de tussenpersoon Spaar Select" (CvA pag. 7).

Indien en voor zover Dexia bedoelt te stellen dat [eiser] uitsluitend Spaar Select kan aanspre-ken waar het om de effectenlease gaat, overweegt de kantonrechter dat bij de beantwoording van de vraag of een effecteninstelling aansprakelijk is voor gedragingen van een hulppersoon die zij heeft ingeschakeld bij het tot stand komen van overeenkomsten als de onderhavige, aan-sluiting dient te worden gezocht bij het bepaalde in art. 6:76 BW, te weten dat de schuldenaar die bij de uitvoering van een verbintenis gebruik maakt van andere personen, voor hun gedra-gingen op gelijke wijze aansprakelijk is als voor eigen gedragingen. Wanneer een effectenin-stelling zich bij het aangaan van overeenkomsten van de bemiddeling van een tussenpersoon bedient, komen de gevolgen van gedragingen van deze tussenpersoon, tekortkomingen daaron-der begrepen, op gelijke wijze voor rekening van de opdrachtgever als de gevolgen van zijn eigen gedragingen en tekortkomingen. Hierbij is niet van belang of de tussenpersoon al dan niet kan worden beschouwd als vertegenwoordiger van de opdrachtgever. Het gaat erom dat de bemiddeling geschiedt ten voordele van de opdrachtgever; nadelige gevolgen van gedragingen van de tussenpersoon behoren dan niet te worden afgewenteld op de wederpartij, maar dienen voor risico te komen van de opdrachtgever.

Nu vaststaat dat Spaar Select heeft bemiddeld ten gunste van Dexia, dient Dexia voor de gedragingen van Spaar Select op gelijke wijze in te staan als voor eigen gedragingen.

3.2 Dexia merkt voorts op dat het advies om de maandtermijnen van de effectenlease-overeen-komst door middel van effectenverkoop uit een depot te voldoen, niet van haar maar van Spaar Select afkomstig was, en dat de door deze geadviseerde spaarconstructie los staat van de effectenlease-overeenkomst (CvA sub 31 e.v.).

Verwezen wordt naar rechtsoverweging 3.11, waar de merites van dit verweer in relatie tot de vordering van [eiser] aan de orde worden gesteld.

3.3 De meest verstrekkende vordering van [eiser] betreft de verklaring van recht dat de effec-tenlease-overeenkomst is te kwalificeren als een koop op afbetaling in de zin van het bepaalde in artikel 1:88, lid 1 sub d BW en door zijn echtgenote rechtsgeldig is vernietigd wegens het ontbreken van haar schriftelijke toestemming (art. 1:88, lid 3 jº 7A 1576i BW).

Dexia voert hier het volgende tegen aan:

a. primair:

Artikel 1:88 BW is niet van toepassing omdat overeenkomsten van effectenlease niet kwalificeren als koop op afbetaling en/of huurkoop (CvA conv. sub 38+39 en prod. 10);

b. subsidiair:

1. schriftelijke toestemming is niet vereist (CvA conv. sub 40+41 en prod. 10) en derhalve wenst Dexia te worden toegelaten tot het bewijs dat sprake is geweest van mondelinge dan wel anderszins gegeven toestemming;

2. het beroep op artikel 1:88 BW kan niet slagen omdat de echtgenote van [eiser] geen partij is bij de onderhavige procedure (CvA sub 43).

Deze verweren zullen thans aan de orde worden gesteld.

3.4 Het primaire verweer wordt verworpen. Gevoeglijk kan thans als bekend worden veronder-steld dat in de vele uitspraken in vergelijkbare zaken die in den lande zijn gedaan, in overwe-gende mate wordt aangenomen dat overeenkomsten als de onderhavige te kwalificeren zijn als huurkoop-overeenkomsten. De kantonrechter sluit zich daarbij aan.

3.5 Het subsidiaire verweer onder 1. stelt het navolgende aan de orde.

Dexia wijst erop dat in artikel 7A:1576i, lid 1 BW, waar het schriftelijkheidsvereiste voor huurkoop bij - authentieke of onderhandse - akte is neergelegd, verwezen wordt naar de bepalin-gen van artikel 7A:1576j BW. In lid 3 van dat artikel valt, kort gezegd, te lezen dat het ontbre-ken van een akte tot gevolg heeft dat de overeenkomst niet als huurkoop, maar als een 'gewone' koopovereenkomst op afbetaling wordt beschouwd, derhalve zonder het voor huurkoop kenmer-kende eigendomsvoorbehoud. Dexia leidt hieruit af dat het ontbreken van schriftelijke toestem-ming ex artikel 1:88, lid 3 BW níet tot gevolg heeft dat de gehele overeenkomst nietig is - zoals door [eiser] wordt voorgestaan - maar dat slechts het eigendomsvoorbehoud geen gelding heeft en de overeenkomst voor het overige gebonden is aan toestemming die anders dan op schrifte-lijke wijze kan zijn gegeven, hetwelk Dexia vervolgens wenst te bewijzen.

3.6 Met het vorenstaande stelt Dexia de fundamentele vraag aan de orde of het in artikel 7A:1576j, lid 3 BW bepaalde dient dóór te werken in de betekenis die, in het licht van de kwalificatie der overeenkomst als huurkoop, aan lid 3 van artikel 1:88 BW moet worden toege-kend.

De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. De ratio van de in art. 7A:1576j, lid 3 BW vervatte conversie van rechtswege strekt tot bescherming van de verkoper, die bij een alge-hele nietigheid met - om het zo te noemen - lege handen zou blijven staan. Artikel 1:88 BW is echter geschreven ter bescherming van de echtgenoot die met de vermogensrechtelijke gevolgen van de door zijn of haar partner verrichte rechtshandeling wordt geconfronteerd. Een parallel dringt zich hier op met het algemene conversieartikel in boek 3 BW (3:42), waar in het laatste zinsdeel een uitzondering op de conversie wordt geformuleerd:

"(...) tenzij dit onredelijk zou zijn jegens een belanghebbende die niet tot de rechtshandeling heeft medegewerkt".

3.7 In de optiek van de kantonrechter zou de door Dexia voorgestane doorwerking aan het criterium van dat laatste citaat voldoen. Anders gezegd: waar vaststaat dát de betreffende over-eenkomst er een van huurkoop is, geeft het geen pas het schriftelijkheidsvereiste van artikel 1:88, lid 3 jº 7A:1576i, lid 1 BW te relativeren met een beroep op art. 7A:1576j, lid 3 BW. Die zienswijze komt erop neer dat het ontbreken van schriftelijke toestemming de huurkoopovereen-komst fictief van zijn huurkoopstatus zou beroven, waarna op basis van die fictie realiter schriftelijke toestemming voor de huurkoopovereenkomst als geheel niet meer nodig zou zijn. Dat strookt niet met de beschermingsgedachte die aan artikel 1:88, lid 3 BW ten grondslag ligt en evenmin met het feit dat partijen een overeenkomst hebben gesloten die rechtens én realiter als huurkoop heeft te gelden.

Concluderend: aan artikel 7A:1576j, lid 3 BW wil de kantonrechter géén reflexwerking toeken-nen bij de uitleg van artikel 1:88, lid 3 BW.

3.8 Het subsidiaire verweer onder 2. wordt verworpen. Niet valt in te zien dat [eiser] zich niet op het rechtsfeit zou mogen beroepen dat buitengerechtelijk de vernietiging van een door hem verrichte rechtshandeling is ingeroepen door degene aan wie dat beroep toekwam, in casu zijn echtgenote, noch dat hij de rechtsgeldigheid van dat buiten rechte gedane beroep niet aan de orde zou mogen stellen. Die zienswijze van Dexia vindt geen steun in de tekst van artikel 3:50 BW noch vloeit zij daaruit voort.

3.9 Gelet op het vorenstaande en in aanmerking nemende dat het beroep tijdig is gedaan (dagv. sub 16 en 17, CvR conv. sub 20), moet worden vastgesteld dat de buitengerechtelijke vernietiging haar doel heeft getroffen.

Het door Dexia gedane beroep op artikel 6:278 BW wordt verworpen. Daargelaten of in dit geval wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in dat artikel, verdragen de gevolgen van dat artikel zich niet met de door de wetgever ex artikel 1:88 BW beoogde bescherming van de echtgenoot die geen partij was bij de overeenkomst en daarvoor evenmin toestemming heeft gegeven. Dat de echtgenote van [eiser] pas een beroep op de nietigheid heeft gedaan nadat de koersverliezen waren opgetreden doet daar niet aan af, nu die koersverliezen nu juist behoren tot het soort omstandigheden die aanleiding plegen te zijn voor een beroep op de door de wetgever beoogde bescherming.

3.10 Uit het vorenstaande volgt dat de gevorderde verklaring van recht dat de effectenleaseover-

eenkomst buitengerechtelijk is vernietigd, toewijsbaar is. De ongedaanmakingsverbintenissen die hieruit voortvloeien brengen met zich dat Dexia de door [eiser] uit hoofde van de overeenkomst gedane betalingen aan hem zal dienen te restitueren. Blijkens de - niet betwiste - stellingen van [eiser] gaat het daarbij om 60 leasetermijnen van elk € 907,03, in totaal derhalve € 54.421,80. Dit bedrag is in elk geval toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de maandelijks gedane betalingen.

De verklaring van recht, inhoudende dat de restschuld voor rekening van Dexia dient te blijven, is eveneens toewijsbaar.

3.11 Blijkens de motivering van zijn vordering vordert [eiser] echter wat hij noemt zijn 'inleg' ad € 54.453,63 in het aandelendepot terug, welke constructie hem door Spaar Select was geadviseerd (zie 2.1). In dit verband wijst Dexia erop dat het advies om de maandtermijnen van de effectenlease-overeenkomst door middel van effectenverkoop uit een depot te voldoen, niet van haar maar van Spaar Select afkomstig was, en dat de door deze geadviseerde spaarcon-structie los staat van de effectenlease-overeenkomst (CvA sub 31 e.v.).

Dit verweer slaagt. Een aandelendepotovereenkomst staat qua aard en strekking los van de ten processe bedoelde effectenlease en het is de kantonrechter ook ambtshalve bekend dat in meeste 'Dexiazaken' van een dergelijke constructie geen sprake is. Om die reden valt niet in te zien dat hetgeen omtrent de positie van de tussenpersoon onder 3.1 is overwogen en de aansluiting die daarvoor is gezocht in het bepaalde in artikel 6:76 BW, tevens toepassing zou dienen te vinden waar het om de op advies van Spaar Select gekozen aandelendepot-constructie gaat. Daaraan doet niet af dat dit aandelendepot eveneens bij (de rechtsvoorganger van) Dexia is afgesloten. Een mogelijke aansprakelijkheid van Spaar Select kan hier verder buiten beschouwing blijven, daar deze niet in rechte is betrokken.

3.12 De kantonrechter overweegt voorts dat de subsidiair door [eiser] aangevoerde rechtsgron-den - dwaling, wanprestatie, onrechtmatige daad - evenmin kunnen leiden tot de door hem gewenste restitutie van de inleg in het aandelendepot. In alle gevallen wordt de betreffende overeenkomst door die grondslagen niet aangetast, noch kan het Dexia worden aangerekend dat voor deze constructie is gekozen.

Hetzelfde geldt voor de bijkomende vorderingen die [eiser] onder de punten 37 en 38 van de dagvaarding heeft gespecificeerd. Deze staan alle in verband met, althans vloeien voort uit de op advies van Spaar Select gekozen financieringsconstructie waarvoor Dexia niet aansprakelijk kan worden gehouden.

3.13 [eiser] heeft tevens gevorderd om Dexia te gelasten de met de vernietigde overeenkomst samenhangende BKR-registratie door te doen halen op straffe van een dwangsom ad € 500,- per dag.

Dexia heeft bij antwoord sub 105 terecht aangevoerd dat zij niet zelf tot schrapping van een registratie kan overgaan en dat zij slechts een melding aan het BKR kan doen. De kantonrechter deelt die opvatting en zal de vordering op na te melden wijze toewijzen. Nu schrapping een bevoegdheid is die het BKR toekomt, zal geen dwangsom worden opgelegd.

3.14 De vordering zal op na te melden wijze worden toegewezen. Als grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt Dexia verwezen in de kosten van het geding.

In reconventie:

3.15 Het voren overwogene brengt met zich dat de vordering in reconventie integraal moet worden afgewezen, met veroordeling van Dexia in de kosten.

4. De beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

verklaart voor recht dat de ten processe bedoelde overeenkomst, welke rechtens heeft te gelden als een huurkoopovereenkomst, buitengerechtelijk rechtsgeldig is vernietigd, alsmede dat de restschuld ter zake van die overeenkomst voor rekening van Dexia dient te blijven;

veroordeelt Dexia om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 54.421,80, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de maandelijks gedane betalingen;

gebiedt Dexia om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan het BKR te melden dat de gedane achterstandsmelding terzake van de ten processe bedoelde effectenlease-overeen-komst ten onrechte is geschied, alsmede het BKR te verzoeken de betreffende registratie door te halen als zijnde ten onrechte geschied;

verklaart dit vonnis tot zover, behoudens de verklaringen van recht, uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt Dexia in de kosten van de conventie aan de zijde van [eiser] gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op € 84,87 aan kosten dagvaarding, € 147,- aan in debet gesteld griffierecht en € 1.200,- voor salaris gemachtigde, het een en ander op de voet van artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te voldoen aan de Griffier van de Gerechten in het Arrondissement Maastricht, alsmede € 49,- aan het door [eiser] voldane deel van het griffie-recht, hetwelk aan hem betaald dient te worden;

wijst het meer of anders gevorderde af.

In reconventie:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Dexia in de kosten van de reconventie aan de zijde van [eiser] gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op € 600,- voor salaris gemachtigde, het een en ander op de voet van artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te voldoen aan de Griffier van de Gerechten in het Arrondissement Maastricht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.G. Houterman, kantonrechter, en in het openbaar uitgespro-ken in tegenwoordigheid van de griffier.

MC