Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BC4299

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-12-2007
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
AWB 07 / 771 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Langdurigheidstoeslag vrijstellingsbeleid, zie LJN: BC 4305

Het hanteren van de inkomenseis en het ontbreken van arbeidsmarktperspectief als afzonderlijke voorwaarden is niet in strijd met het discriminatieverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07 / 771 WWB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser],

wonende te Geleen, eiser,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Sittard-Geleen,

gevestigd te Sittard, verweerder.

Datum bestreden besluit: 23 april 2007

Kenmerk: 47053100/20109330/07.113897

Behandeling ter zitting: 22 november 2007

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 23 april 2007 heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar tegen het besluit van 17 juni 2004 ongegrond verklaard. Bij dit laatste besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een langdurigheudstoeslag op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen.

Tegen eerstgenoemd besluit heeft [gemachtigde] namens eiser op daartoe bij brief van 22 juni 2007 aangevoerde gronden, beroep ingesteld.

Bij brieven van respectievelijk 28 juni 2007 en 10 juli 2007 heeft verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 22 november 2007. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. Y. Pozun.

2. Overwegingen

Bij besluit van 17 juni 2004 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een langdurigheidstoeslag op zijn bijstandsuitkering afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpuntgesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 36, vierde lid, van de Wwb: eiser is weliswaar voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt in de zin van Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz), maar voldoet volgens verweerder niet aan het tevens in deze bepaling gestelde vereiste dat bij de laatste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van het arbeidskundig onderzoek is afgezien. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 18 november 2004 ongegrond verklaard. Het namens eiser tegen dit besluit ingestelde beroep heeft deze rechtbank bij uitspraak van 9 augustus 2005 ongegrond verklaard. Het namens eiser tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bij uitspraak van

5 september 2006 gerond verklaard. Volgens de CRvB heeft verweerder een onjuiste uitleg gegeven aan artikel 36, vierde lid, van de Wwb. Op grond hiervan heeft de CRvB overwogen dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte heeft geweigerd aan eiser een langdurigheidstoeslag toe te kennen.

Bij het thans bestreden besluit van 23 april 2007 heeft verweerder opnieuw op het bezwaarschrift beslist. Bij dit besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser opnieuw afgewezen, dit maal op grond van de overweging dat eiser niet voldoet aan de inkomenseis van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb. Aan de hand van door eiser desgevraagd verstrekte belastingaangiften met betrekking tot de zogenoemde referteperiode van 60 maanden, als bedoeld in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb heeft verweerder vastgesteld dat het totale inkomen van eiser en zijn echtgenote tijdens die periode niet aaneengesloten minder was dan de toepasselijke bijstandsnorm.

In beroep wordt – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

1. Nu de Centrale Raad van Beroep uitspraak heeft gedaan, waarbij eiser in het gelijk is gesteld, dient aan hem een langdurigheidstoeslag te worden toegekend.

2. Verweerder is niet bevoegd de afwijzing op een andere grondslag te stoelen.

3. Verweerder gaat uit van onjuiste financiële gegevens. Verweerder had uit dienen te gaan van de daadwerkelijk van het UWV ontvangen uitkerings¬bedragen en niet van de bedragen, zoals die uit de belastingaangiftes 1999-2004 blijken.

4. Verweerder dient aan eiser, die arbeidsongeschikt is naar de klasse 80-100%, een langdurigheidstoeslag toe te kennen, nu de gemeentelijke web-site vermeldt dat dit in het verleden altijd zo was.

Centraal in dit geding staat de vraag of verweerder terecht aan eiser een langdurig¬heidstoeslag, als bedoeld in artikel 36 WWB, heeft geweigerd. Gezien de beroeps¬gronden dient de rechtbank een tweetal sub-vragen te beantwoorden.

1. Dient verweerder naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 september 2006 aan eiser zonder nadere beoordeling een langdurigheidstoeslag toe te kennen op de aanvraag van 12 mei 2004?

2. Heeft verweerder bij negatieve beantwoording van de eerste vraag terecht geoordeeld dat het gezinsinkomen van eiser niet gedurende 60 maanden onafgebroken niet hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm?

Relevant zijn de volgende wetsbepalingen.

Artikel 7: 11 Awb

1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

Artikel 36 lid 1 WWB

Het college verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onder deel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen of ten aanzien van wie het college van oordeel is dat, gelet op de zeer geringe hoogte van de inkomsten uit of in verband met arbeid in die periode en de zeer geringe duur van deze arbeid, in redelijkheid niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, en;

d. na een periode als bedoeld in onderdeel a, binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.

De CRvB heeft in zijn uitspraak van 5 september 2006 niet alleen de uitspraak van de rechtbank van 9 augustus 2005 vernietigd, maar ook het besluit van

18 november 2004. Een en ander houdt in dat het geding na deze uitspraak is “teruggevallen” in de stand waarin het zich bevond na indiening van het bezwaar¬schrift tegen de primaire beslissing van 15 juni 2004. Verweerder dient met in acht neming van hetgeen de Raad heeft geoordeeld een nieuwe beslissing op het bezwaar¬schrift te nemen.

Kort samengevat, houdt het oordeel van de Raad in dat verweerder, in het licht van hetgeen de staatssecretaris ter zake van de uitleg van artikel 36, vierde lid, van de WWB heeft opgemerkt, ten onrechte op grond van dit vierde lid tot aan afwijzing van de aanvraag is overgegaan. Uit de beoordeling van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) in het kader de herbeoordeling ter zake van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering blijkt dat eiser geen resterende verdiencapaciteit heeft, gezien zijn opleidingsniveau en zijn forse beperkingen. Een en ander houdt naar het oordeel van de Raad in dat geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat eiser geen reëel arbeidsmarktperspectief heeft en geen reële verdiencapaciteit.

Aangezien de voorwaarden a t/m d van het eerste lid van artikel 36 van de WWB, op grond waarvan iemand in aanmerking kan komen voor een langdurigheidstoeslag, cumu¬latief zijn, houdt de uitspraak van de Raad derhalve de opdracht in dat verweerder in de heroverweging beziet of eiser voldoet aan die voorwaarden.

De eerste vraag dient op grond van bovenstaande overwegingen ontkennend te worden beantwoord. Dat eiser in hoger beroep gelijk heeft gekregen, betekent alleen dat zijn aanvraag op de aangevoerde grond niet had mogen worden afgewezen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat artikel 7:11 Awb er niet aan in de weg staat om in de nieuwe heroverweging de afwijzing te handhaven op een andere grond dan die waarop het primaire besluit is gestoeld.

Eiser heeft na de uitspraak van de CRvB op het voornemen de aanvraag alsnog af te wijzen kunnen reageren tijdens de hoorzitting van 6 november 2006. Naar aanleiding van de standpunten van eiser en op (tussen)advies van de Commissie voor bezwaarschriften is vervolgens door verweerder nader onderzoek uitgevoerd naar het gezinsinkomen van eiser in de referteperiode van 60 maanden. Namens eiser zijn daartoe inkomensgegevens verstrekt, zoals die in de jaren 1999-2004 ook aan de Belastingsdienst zijn verstrekt. Ook op het nieuw ingenomen standpunt van verweerder om de aanvraag af te wijzen heeft eiser ter hoorzitting van 2 april 2007 kunnen reageren. Het eindadvies van de Commissie voor bezwaarschriften is om het bezwaar ongegrond te verklaren, onder wijziging van de afwijzingsgrond.

In het thans bestreden besluit neemt verweerder het standpunt in dat uit het onderzoek van de inkomensgegevens van eiser blijkt dat het gezinsinkomen in de jaren 1999, 2000 en 2001 hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm, zodat ter zake van de langdurigheidstoeslag 2004 niet voldaan wordt aan voorwaarde a van artikel 36, eerste lid, van de WWB. De aanvraag dient volgens verweerder dan ook afgewezen te worden.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, bij gebrek aan andersluidende gegevens, uit dient te gaan van de inkomensgegevens die eiser ten behoeve van zijn belasting¬aangifte heeft overgenomen van de jaaropgave betreffende zijn uitkering van het UWV. Daarbij dient verweerder uit te gaan van het inkomen uit uitkering vóór belastingen minus wettelijke algemene heffingen en premies en inclusief toepasselijke heffingskortingen, omdat in dat geval het netto inkomen uit uitkering vergelijkbaar is met de toepasselijke (netto) bijstandsuitkeringsnorm voor gehuwden. Verweerder dient dus geen rekening te houden met individuele kosten of fiscale aftrekposten.

Nu eiser niet met enig document of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat de bedragen, zoals die door verweerder zijn overgenomen uit zijn belastingsaangiftes 1999-2004, onjuist zijn, moeten de door verweerder in het bestreden besluit gepresenteerde berekeningen voor juist worden gehouden. Het overzicht d.d. 24 mei 2007 dat in beroep in geding is gebracht, is naar het oordeel van de rechtbank onvolledig voor zover het de relevante referteperiode betreft. Tevens is uit dit document niet op te maken welke inhoudingen – verplicht en onverplicht – zijn gedaan op de uitkering. Niet relevant is het bedrag dat door het UWV maandelijks aan netto-uitkering op eisers rekening is gestort, maar het bedrag waar eiser aanspraak op heeft.

Geconcludeerd moet worden dat eisers gezinsinkomen in het jaar 2002 en 2003 niet hoger dan de toepasselijke norm is. Er wordt niet voldaan aan de eis van artikel 36 lid 1 onderdeel a WWB.

Ten aanzien van hetgeen door eiser is gesteld over de informatie die op de web-site van de gemeente is gepubliceerd, kan de rechtbank eiser niet volgen. Met de invoering van een wettelijk verankerde langdurigheidstoeslag in de Wwb is er in beginsel vanaf 1 januari 2004 geen ruimte meer voor een eigen beleid ten aanzien van het toekennen van een gemeentelijke langdurigheidstoeslag. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het citaat uit zijn verband is gehaald en de interpretatie die eiser daaraan geeft niet juist is, nu het een toelichting op het vierde lid van artikel 36 van de Wwb betreft, die niet langer relevant is te achten.

De tweede vraag dient op grond van bovenstaande overwegingen positief te worden beantwoord. Verweerder heeft terecht onder ongegrondverklaring van het bezwaar de aanvraag afgewezen op grond van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser nog aangevoerd dat het door verweerder op grond van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb, zoals dit luidt sinds 1 januari 2006, gevoerde vrijstellingsbeleid een discriminatie op grond van arbeidsongeschiktheid inhoudt.

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat uit het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder bij de toepassing van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb het beleid voert dat, indien gedurende de referteperiode van 60 maanden inkomsten uit of in verband met arbeid zijn genoten die een bedrag van € 764,- niet te boven gaan, in redelijkheid niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief.

De rechtbank begrijpt de laatste beroepsgrond aldus, dat eiser zich op het standpunt stelt dat, nu niet langer in geschil is dat hij geen arbeidsmarktperspectief heeft, het in het kader van de toepassing van onderdeel b van het eerste lid van artikel 36 van de Wwb door verweerder gehanteerde vrijstellingsbedrag, eveneens als een in redelijkheid toe te passen marge bij de toepassing van onderdeel a (de inkomenseis) zou moeten gelden.

De rechtbank stelt voorop dat voor deze uitleg in de wetsgeschiedenis van de Wwb, inclusief die van de sinds de inwerkingtreding van deze wet doorgevoerde wijzigingen, geen aanknopingspunt is te vinden. De wetgever hanteert de inkomenseis en het ontbreken van arbeidsmarktpersectief als afzonderlijke voorwaarden voor het recht op de langdurigheidstoeslag. Dat de wetgever niet de door eiser bepleite koppeling tussen de toepassing van de inkomenseis enerzijds en die van het ontbreken van arbeidsmarktperspectief anderzijds heeft gewild acht de rechtbank niet in strijd met het verbod van discriminatie. De rechtbank voegt hier nog aan toe dat eiser ook geenszins nader heeft gemotiveerd waarom de toepassing van onderdeel a van het eerste lid van artikel 36 van de Wwb zou leiden tot een ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen hen die wel en hen die geen arbeidsmarktperspectief hebben.

Het beroep moet derhalve voor ongegrond worden gehouden, omdat de rechtbank ook voorts niet is gebleken dat het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, waar zij ambthalve aan dient te toetsen.

Gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. E.J.H.G. van Binnebeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2007

door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. van Binnebeke w.g. R.E. Bakker

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 24 december 2007

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.