Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BC1654

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
10-01-2008
Zaaknummer
116836 - HA ZA 07-82
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevaarlijke situatie voor fietsers. Gemeente aansprakelijk.

- onvoldoende verlichting

- onverwachte bocht

- onvoldoende waarschuwing

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 107a
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2008, 81
JA 2008/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 19 december 2007

Zaaknummer : 116836 / HA ZA 07-82

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake

1. [Naam eiseres sub 1],

wonende te [woonplaats],

eiseres sub 1,

procureur mr. J.O.I. Leliveld;

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LIMBURG TRAVEL B.V.,

gevestigd te Maastricht,

eiseres sub 2,

procureur mr. J.O.I. Leliveld;

tegen:

de openbare rechtspersoon gemeente GEMEENTE MAASTRICHT,

gevestigd te Maastricht,

gedaagde,

procureur mr. P.P.M.I. Paulussen.

1. Het verloop van de procedure

Eisers, [naam eiseres sub 1] en “Limburg Travel BV”, hebben gedaagde, hierna te noemen “de Gemeente”, gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. De Gemeente heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Eisers hebben nog een akte houdende wijziging/vermeerdering eis tevens houdende inbreng producties genomen. Bij brief van 6 juni 2007 zijn door eisers stukken overgelegd ten behoeve van de comparitie. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Op 29 juni 2005 rond 01.00 uur ’s nachts heeft op de Parkweg te Maastricht een ongeval plaatsgevonden, waarbij [Eiseres sub 1] al fietsend tegen een paaltje, dat zich bevond op de overgang van de ventweg in het fietspad, is gebotst en ten val is gekomen.

[Eiseres sub 1] fietste vanuit zuidelijke richting over de Parkweg te Maastricht. Op deze ventweg zijn aan de rechterzijde verlichte parkeerhavens gecreëerd. Aan de linkerzijde van de ventweg bevinden zich parkeervakken.

Op de plek, waar de ventweg over gaat in een fietspad, ter hoogte van de Parkresidentie, heeft de Gemeente drie rood-wit gemarkeerde paaltjes geplaatst. Twee van die paaltjes staan op het fietspad; een derde paaltje is geplaatst links náást het fietspad – in het verlengde van de twee andere paaltjes – in het gras.

De weersomstandigheden tijdens de bewuste nacht van 28 op 29 juni 2005 waren slecht, in die zin dat het regende.

[Eiseres sub 1] nam pas op het allerlaatste moment het meest rechterpaaltje waar, waardoor zij – teneinde dit paaltje te ontwijken – haar stuur nog snel enigszins naar links bijstelde. Hierdoor botste [Eiseres sub 1] vervolgens echter tegen het “middelste paaltje” dat zij voordien niet had waargenomen.

2.2 [Eiseres sub 1] stelt – samengevat en voorzover thans van belang – met betrekking tot de toedracht van het ongeval het navolgende.

Fietsers dienen om het fietspad vanaf de ventweg te bereiken, ofwel vanaf de rechterzijde van de ventweg een scherpe bocht naar links te maken, of een lichte afwijking naar links indien men op het midden of enigszins links van de ventweg fietst.

Onder meer door het slechte weer, de schaarse verlichting ter plekke en een in het laatste parkeervak geparkeerd busje nam [Eiseres sub 1] pas op het allerlaatste moment het meest rechterpaaltje waar. Onder deze omstandigheden kon zij, nu zij ter plaatste als fietster onbekend is, niet bedacht zijn op de drie paaltjes die het fietspad blokkeerden. [Eiseres sub 1] betwist bovendien dat er een dringende noodzaak voor het plaatsen van die paaltjes aanwezig was.

[Eiseres sub 1] houdt de gemeente als beherend overheidslichaam van de in het geding zijnde openbare weg aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW, nu deze weg niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mag stellen en een gevaar oplevert voor personen of zaken welk gevaar zich heeft verwezenlijkt.

Daarnaast acht zij de Gemeente aansprakelijk uit hoofde van onrechtmatige daad, nu zij bij de inrichting van de weg niet de benodigde zorgvuldigheid in acht heeft genomen.

[Eiseres sub 1] heeft de Gemeente onder andere bij schrijven van 13 december 2005 en 22 maart 2006 aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en te lijden schade.

Ten gevolge van de botsing en de daarop volgende val stelt [Eiseres sub 1] zeer ernstig kaak,- en gebitsletsel te hebben opgelopen waarvan zij nog dagelijks beperkingen ondervindt.

Zij is nog gedeeltelijk arbeidsongeschikt en wordt geconfronteerd met een ontsierd gelaat.

De schade bestaat dan ook uit verlies aan arbeidsvermogen, huishoudelijke hulp, verlies aan zelfwerkzaamheid, smartengeld en de kosten van rechtsbijstand.

De schade zal nader dienen te worden opgemaakt bij staat.

2.3 Limburg Travel B.V als werkgever heeft [Eiseres sub 1] gedurende haar arbeidsongeschiktheid doorbetaald, zodat zij gedaagde conform het bepaalde in artikel 6:107a BW aansprakelijk acht voor de dientengevolge door haar geleden schade.

2.4 Op grond van het bovenstaande en na wijziging eis vorderen [Eiseres sub 1] c.q. Limburg Travel B.V. dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

• voor recht verklaart dat gedaagde als verantwoordelijke voor de inrichting van de openbare weg jegens [Eiseres sub 1]

toerekenbaar is tekortgeschoten, althans onrechtmatig heeft gehandeld en op die grond(en) aansprakelijk is voor de door

[Eiseres sub 1] als gevolg van het ongeval van 29 juni 2005 geleden en te lijden schade;

• gedaagde veroordeelt om te betalen aan Travel B.V. een bedrag van € 36.679,31 terzake van het door aan haar aan

[Eiseres sub 1] op grond van het bepaalde in artikel 6:107a BW tijdens haar ziekte betaalde netto-loon;

• partijen verwijst naar een schadestaatprocedure ter begroting van de schade;

• gedaagde veroordeelt om te betalen aan [Eiseres sub 1] een bedrag van in totaal € 2.500,- ten titel van buitengerechtelijke

kosten, met wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

• gedaagde veroordeelt in de kosten van de procedure.

2.5 De vordering wordt door de Gemeente weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord en het proces-verbaal van comparitie van partijen.

3. De beoordeling

3.1 [Eiseres sub 1] heeft aan het door haar gevorderde, naast de door haar gestelde feiten in verband met de toedracht van het ongeval, het navolgende ten grondslag gelegd.

Door de manier waarop de Gemeente de paaltjes heeft geplaatst en de overige omstandigheden ter plaatse voldoet de door de Gemeente ingerichte weg niet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen.

Als gevaarzettende omstandigheden ter plaatse voert [Eiseres sub 1] onder meer aan:

- dat de ongevalplek zeer slecht verlicht was;

- dat de Gemeente links van de ventweg vlak voor de overgang van de ventweg naar het fietspad,

parkeervakken heeft gecreëerd en dat in het laatste parkeervak ten tijde van het ongeval een busje

geparkeerd stond waardoor ieder zicht op het fietspad en de paaltjes van enige afstand vanuit de positie van

[Eiseres sub 1] ontbrak;

- dat er geen dringende noodzaak bestond voor het plaatsen van de paaltjes;

- dat de paaltjes niet reflecterend zijn uitgevoerd en niet worden ingeleid met een zichtbaar en vooral voelbaar

reliëf;

- dat de afstand tussen de paaltjes en tussen de paaltjes en tussen de stoepranden onvoldoende (niet

conform de CROW-richtlijnen) is;

- dat de plaatsing van een derde paaltje in het gras naast het fietspad in strijd is met de CROW-richtlijnen.

Ter comparitie heeft [Eiseres sub 1] haar stellingen in dit verband nog in zoverre aangescherpt, dat volgens haar aan het plaatsen van de paaltjes nog als voorvraag vooraf dient te gaan de vraag of er sprake is van een dringende noodzaak, welke vraag door haar ontkennend wordt beantwoord nu zulks volgens haar niet is gebleken noch door de Gemeente is gesteld.

3.2 De rechtbank stelt voorop dat voor een eventuele aansprakelijkheid van de Gemeente als wegbeheerder als uitgangspunt heeft te gelden dat de Gemeente ervoor dient te zorgen dat een weg zodanig is ingericht dat de veiligheid van de weggebruikers niet in gevaar wordt gebracht. Wanneer de Gemeente ter fysieke ondersteuning van verkeersmaatregelen een weg zodanig inricht dat deze zonder of met onvoldoende beveiligingsmaatregelen gevaar oplevert voor de weggebruiker, dient zij door deugdelijke en voldoende beveiligingsmaatregelen ervoor te zorgen dat de veiligheid voldoende gewaarborgd blijft, waarbij de Gemeente mede in aanmerking heeft te nemen dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten (HR 20 maart 1992, NJ 1993,547).

Voorts geldt dat bij de beantwoording van de vraag of in een situatie ter waarborging van de veiligheid maatregelen worden gevergd, niet alleen moet worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen

3.3 Ter weerspreking van de vordering voert de Gemeente aan dat er een dringende noodzaak bestond om tot plaatsing van de bewuste paaltjes over te gaan en dat zij ook overigens aan haar verplichtingen als wegbeheerder heeft voldaan.

Met betrekking tot de dringende noodzaak heeft zij bij antwoord en nader ter comparitie aangevoerd dat die gelegen was in de bijzondere wegsituatie ter plekke. De paaltjes zijn geplaatst aan het begin van het fietspad teneinde het fietspad in kwestie af te sluiten ter voorkoming van onveilige situaties die zouden kunnen ontstaan doordat gemotoriseerd verkeer gebruik maakt van dit fietspad. Bovendien kunnen er op de ventweg auto’s parkeren die alleen door achteruit te rijden de parkeervakken kunnen verlaten. Indien dan het fietspad open zou liggen, dan zou daar het gevaar in schuilen dat auto’s vooruit (de rechtbank leest: over het fietspad) zouden wegrijden, aldus de gemeente.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt dit laatste door de gemeente terecht aangevoerd. Immers in verband met de door haar aangegeven reden, samengevat het weren van gemotoriseerd verkeer ter beveiliging van de fietsers, is het soms onvermijdelijk om paaltjes te plaatsen.

Zulks laat echter onverlet dat het plaatsen van die paaltjes, hoezeer ook gerechtvaardigd door de bijzondere wegsituatie ter plekke, zonder het treffen van voldoende beveiligingsmaatregelen de veiligheid van fietsers toch in gevaar kan brengen. Zeker in het onderhavige geval waar de ventweg plots ophoudt en overgaat in een fietspad en waar fietsers dientengevolge een aanzienlijke koerswijziging naar links dienen te maken terwijl bovendien de vrije doorgaande ruimte aan het begin van het fietspad door de paaltjes aanzienlijk wordt versmald.

Deze bijzondere wegsituatie brengt voor de Gemeente de verplichting met zich om voldoende beveiligingsmaatregelen te treffen teneinde de veiligheid van de weggebruikers, in dit geval fietsers, te waarborgen.

3.4 Tegenover de door [Eiseres sub 1] gestelde omstandigheden (zoals hiervoor onder 3.1 weergegeven) die volgens haar de situatie gevaarlijk maken, heeft de Gemeente ten verwere het navolgende aangevoerd.

Met betrekking tot de verlichting stelt de Gemeente dat er ter plekke voldoende verlichting is, nu er zich op korte afstand, dat wil zeggen op 20 meter, van de paaltjes een grote lichtmast bevindt en bij een kunstwerk vlak achter de paaltjes zich 3 zg. “uplighters” en aan de buitengevel van het naast het fietspad gelegen kantoorgebouw zich zg. “downlighters”bevinden. Voorts zijn de parkeerhavens aan de rechterzijde van de ventweg verlicht.

Met [Eiseres sub 1] is de rechtbank echter van oordeel dat, wat er ook zij van de vraag of een afstand van 20 meter kort kan worden genoemd, deze verlichting in de zomer in ieder geval niet optimaal werkt, nu – zoals ook uit de voorhanden foto’s (zie met name productie 8 bij de conclusie van antwoord) valt af te leiden – ter plekke staande bomen alsdan vol blad zitten en voor een meer dan gemiddelde verduistering zorgen. De zg. “uplighters”en “downlighters” waarvan bekend is dat ze indirecte verlichting geven, kunnen naar het oordeel van de rechtbank al helemaal niet als adequate verlichting ter plekke worden aangemerkt. Hoe en waar de verlichting voor de parkeerhavens ter rechterzijde van de ventweg is aangebracht, is de rechtbank niet duidelijk, terwijl op de voorhanden foto’s in ieder geval geen verlichting valt waar te nemen die de paaltjes en het begin van het fietspad dusdanig doeltreffend verlichten dat de paaltjes (van op afstand) tijdig waarneembaar zijn.

3.5 [Eiseres sub 1] heeft voorts als gevaarzettende omstandigheid aangevoerd het feit dat de Gemeente vlak voor de overgang van de ventweg naar het fietspad, parkeervakken heeft gecreëerd en dat de afstand tot het laatste parkeervak en de paaltjes te kort is om adequaat te kunnen reageren en de paaltjes te omzeilen, terwijl er bovendien in het laatste parkeervak een busje geparkeerd stond waardoor ieder zicht op het fietspad en de paaltjes werd ontnomen.

De Gemeente betwist bij gebrek aan wetenschap dat er de betreffende avond een busje in het laatste parkeervak geparkeerd stond en voert voorts aan dat de afstand tussen de paaltjes en het laatste verticale parkeervak 4 meter en 48 centimeter bedraagt, zodat er volgens haar voldoende afstand is tussen dit parkeervak en de onderhavige paaltjes. Ter adstructie van deze laatste stelling verwijst de Gemeente naar haar bij conclusie van antwoord als productie 8 overgelegde foto.

Bij de beoordeling van de vraag of dit laatste parkeervak inderdaad te kort voor de paaltjes is geplaatst neemt de rechtbank het navolgende in aanmerking.

Onbetwist staat vast dat de afstand tussen de paaltjes slechts 1.08 meter bedraagt terwijl de afstand tussen de stoepranden en de paaltjes nog aanzienlijk minder bedraagt.

Los van de vraag of deze afstanden conform de CROW richtlijnen bevolen afstand is en van de vraag of en in hoeverre deze richtlijnen bindend dan wel slechts adviserend zijn, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval de korte afstand tussen de paaltjes en tussen de paaltjes en de stoepranden een omstandigheid vormt die de veiligheid van de fietsers, die in de onderhavige situatie waar de ventweg plots eindigt een toch al scherpe bocht naar links moeten maken, extra in gevaar brengt.

Gelet op deze op zich al gevaarlijke manoeuvre die fietsers dienen uit te voeren om op het fietspad te geraken acht de rechtbank het van wezenlijk belang dat de fietsers voldoende manoeuvreerruimte en tijd krijgen om zich aan die situatie aan te passen. Daarbij acht de rechtbank het van essentieel belang dat het zicht op het fietspad vrij is, zodat de fietsers de paaltjes tijdig kunnen waarnemen en hun fietsgedrag daarop kunnen aanpassen. Zulks geldt te meer nu vaststaat dat de paaltjes niet reflecteerden en niet met een voelbaar reliëf werden ingeleid en er bovendien onvoldoende directe verlichting in de gegeven situatie aanwezig was.

In het licht van de hiervoor omschreven omstandigheden acht de rechtbank een afstand van 4 meter en 48 centimeter tussen het laatste parkeervak en de paaltjes voor fietsers dan ook onvoldoende om hun gedrag op tijd aan die gevaarlijke situatie aan te passen.

Aldus handelend heeft de Gemeente een onveilige situatie in het leven geroepen, die met name gevaar voor fietsers oplevert, waarbij de vraag of er die bewuste avond al dan niet een busje in het laatste parkeervak geparkeerd stond waardoor mogelijk het zicht nog verder beperkt werd niet meer aan de orde is.

3.6 Rest de vraag of [Eiseres sub 1], zoals de Gemeente stelt doch door [Eiseres sub 1] wordt betwist, door bebording en aanwijzingen zijdens de Gemeente voldoende was gewaarschuwd voor de onderhavige gevaarzetting en daarop bedacht had moeten zijn.

Tegen de achtergrond van de in rechtsoverweging 3.2 genoemde uitgangspunten acht de rechtbank daarbij het volgende van belang.

Bij het nemen van verkeersmaatregelen had de gemeente in overweging moeten nemen dat niet alle deelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten en had zij er zich rekenschap van moeten geven dat ook fietsers die ter plekke niet bekend zijn, zich aldaar zouden begeven.

In dit verband is door [Eiseres sub 1] ter comparitie onbetwist gesteld dat zij als fietster met de situatie ter plekke onbekend was.

Voorts staat vast dat de Gemeente ter plekke enkel het verkeersbord (bord G 11 van Bijlage 1 behorende bij het R.V.V. 1990) heeft geplaatst dat aangeeft “verplicht fietspad”.

Op geen enkele manier wordt er echter gewaarschuwd voor de paaltjes die in feite het begin van het fietspad deels blokkeren, althans de vrije doorgang daarvan belemmeren en al helemaal niet voor het abrupte einde van de ventweg en de mede daardoor redelijk abrupte en noodzakelijke manoeuvre naar links.

Nu voorts vast staat dat de paaltjes niet reflecteerden en niet met een voelbaar reliëf werden ingeleid, heeft de Gemeente naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewaarschuwd voor de gevaarlijke situatie en hoefde [Eiseres sub 1] daarop dus niet bedacht te zijn.

Gezien deze omstandigheden was het voor de Gemeente redelijk voorzienbaar dat er – met name ’s nachts en/of bij slechte weersomstandigheden – een aanmerkelijk risico bestond op (ernstige) ongevallen. Zij had gezien de aard en ernst van het gevaar en de aanmerkelijke kans op (ernstig) letsel adequate maatregelen moeten treffen om zeker te stellen dat fietsers deze situatie tijdig kunnen waarnemen en hun fietsgedrag daarop kunnen aanpassen.

Zo had de Gemeente bijvoorbeeld het einde van de ventweg kunnen markeren door middel van een rood-wit geblokt hek me reflecterende blokjes en een langere afstand tussen het laatste parkeervak en het begin van het fietspad kunnen creëren. Een en ander klemt te meer, nu gesteld noch gebleken is dat het nemen van dit soort eenvoudige en niet kostbare maatregelen, geplaatst tegenover de ernst van het af te wenden gevaar en de kans op (ernstig) letsel, te bezwarend zouden zijn geweest.

In het licht van bovengenoemde omstandigheden heeft de Gemeente naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zorg betracht om door middel van bebording en aanwijzingen en/of andere afdoende beveiligingsmaatregelen te waarschuwen voor de gevaarlijke situatie en de veiligheid van de fietsers te waarborgen.

3.6 Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de Gemeente niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht om ervoor te zorgen dat door de toestand van de weg de veiligheid van personen of zaken niet in gevaar wordt gebracht.

3.7 Tenslotte heeft de gemeente een beroep gedaan op de eigen schuld van [Eiseres sub 1], daartoe aanvoerende dat [Eiseres sub 1] niet de normale voorzichtigheid in acht heeft genomen die van haar onder de omstandigheden mocht worden verwacht, waardoor de eventuele schade primair volledig dan wel subsidiair deels voor rekening van [Eiseres sub 1] behoort te blijven op grond van artikel 6:101 BW.

De Gemeente grondt dit beroep op de schending van [Eiseres sub 1] van artikel 19 RVV, welk artikel bepaalt dat een bestuurder in staat moet zijn, zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij deze kan overzien en deze vrij is en zij plaatst deze verplichting in het licht van de parlementaire geschiedenis met betrekking tot de strekking van artikel 6:174 BW, die – kort samengevat – volgens de Gemeente inhoudt dat de weggebruiker bij de door hem in acht te nemen omzichtigheid er rekening mee moet houden dat de weg niet steeds in perfecte staat verkeert.

Dit betoog faalt. Het gaat in het onderhavige geval immers niet om een weg die niet in perfecte staat verkeerd en daardoor mogelijk gebrekkig is, doch om een weg die door de Gemeente zodanig is ingericht dat deze gevaar oplevert voor de weggebruiker en waarbij zij niet heeft voldaan aan haar zorgverplichting om de veiligheid van de verkeersdeelnemers door het nemen van voldoende beveiligingsmaatregelen te waarborgen.

De rechtbank overweegt en herhaalt onder verwijzing naar het hiervoor onder 3.2 reeds vermelde arrest van de Hoge Raad 20 maart 1992 dat de Gemeente bij de vraag of en zo ja, welke maatregelen ter waarborging van de veiligheid in een bepaalde situatie worden gevergd mede in aanmerking dient te nemen dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten.

Zo [Eiseres sub 1] dus al minder oplettend zou zijn geweest en die omstandigheid haar in de zin van artikel 6:101 BW toegerekend zou kunnen worden, dan valt deze fout, de wederzijdse fouten tegen elkaar afwegende, in het niet bij de falende zorgplicht voor de veiligheid van de Gemeente.

De rechtbank acht derhalve de Gemeente volledig aansprakelijk voor de uit het ongeval voortgevloeide en nog voort te vloeien schade.

3.8 Nu [Eiseres sub 1] bij de door haar gevorderde verklaring voor recht voor wat betreft het primair gevorderde, inhoudende “dat gedaagde als verantwoordelijke voor de inrichting van de openbare weg jegens [Eiseres sub 1] toerekenbaar is tekortgeschoten”, kennelijk aansluiting heeft gezocht bij een wettelijke omschrijving doch dit “toerekenbaar tekortschieten” geen deel uitmaakt van de in artikel 6:174 BW bedoelde risicoaansprakelijkheid en [Eiseres sub 1] dit toerekenbaar tekortkomen bovendien op geen enkel wijze heeft onderbouwd, acht de rechtbank dit primair gevorderde niet toewijsbaar.

Aangezien het onzorgvuldig handelen van de Gemeente tevens als een onrechtmatig daad in de zin van artikel 6:162 BW is aan te merken, is de gevorderde verklaring voor recht wel toewijsbaar op de subsidiair gevorderde grond, te weten de aansprakelijkheid van de gemeente voor de door [Eiseres sub 1] als gevolg van het ongeval van 29 juni 2005 geleden en te lijden schade op grond van haar onrechtmatig handelen.

3.9 Op grond van het hiervoor overwogene acht de rechtbank de Gemeente tevens aansprakelijk voor de door Travel BV geleden schade in verband met het door haar doorbetaalde loon tijdens de ziekte van [Eiseres sub 1]. Derhalve is ook de - door de Gemeente voor het overige niet weersproken – (gewijzigde) vordering ex artikel 6:107a BW van Travel BV als werkgeefster van [Eiseres sub 1] volledig toewijsbaar.

3.10 De rechtbank acht het alleszins aannemelijk dat er schade tengevolge van het ongeval is ontstaan. Nu het ongeval nog niet zo lang geleden heeft plaats gehad en de schadeomvang mede daardoor thans nog niet te begroten valt acht de rechtbank de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure toewijsbaar.

3.11 De Gemeente heeft de gevorderde buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 2.500,- betwist, daartoe aanvoerende – samengevat – dat het hier betreft werkzaamheden ter instructie van de zaak.

Ter onderbouwing van deze gevorderde buitengerechtelijke kosten heeft [Eiseres sub 1] ter comparitie gesteld dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en daartoe verwezen naar de in het kader van de juridische bijstand ten behoeve van haar met de Gemeente gevoerde, zich in het dossier bevindende, correspondentie.

Nu echter door [Eiseres sub 1] gesteld noch gebleken is dat de werkzaamheden meer omvatten dan de voornoemde correspondentie, acht de rechtbank deze kosten- gelet op de relatief beperkte omvang van deze correspondentie - toewijsbaar tot twee punten van het toepasselijke liquidatietarief te weten een bedrag van € 904,-.

3.12 De Gemeente zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4. De beslissing

De rechtbank:

• verklaart voor recht dat de Gemeente als verantwoordelijke voor de inrichting van de openbare weg jegens

[Eiseres sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld en op die grond aansprakelijk is voor de door [Eiseres sub 1] als gevolg van

het ongeval van 29 juni 2005 geleden en te lijden schade;

• veroordeelt de Gemeente om aan Travel B.V. te betalen een bedrag van € 36.679,31 terzake van het door

haar aan [Eiseres sub 1] op grond van het bepaalde in artikel 6:107a BW tijdens haar ziekte betaalde netto-loon;

• verwijst partijen naar een schadestaatprocedure ter begroting van de schade;

• veroordeelt de Gemeente om aan [Eiseres sub 1] te betalen een bedrag van € 904,- ten titel van

buitengerechtelijke kosten, met wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der

algehele voldoening;

• veroordeelt de Gemeente in proceskosten aan zijde van [Eiseres sub 1] en Travel B.V. gerezen en tot heden begroot

op in totaal € 1.222,85,

waarvan € 318,85 aan verschotten

en € 904,- aan salaris procureur.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, behoudens de verklaring voor recht;

Wijst af het anders of meer gevorderde;

Dit vonnis is gewezen door Mrs. Sijmonsma, Douffet en Russel, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.