Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB9577

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
06-12-2007
Zaaknummer
123574 - KG ZA 07-400
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Exceptie van onbevoegdheid; artikelen 2, 5, 23 en 31 EEX-Vo; EVO; vaststellingsovereenkomst; kenmerkende prestatie; voorlopige maatregel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 4 december 2007

Zaaknummer : 123574 / KG ZA 07-400

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROFESSIONAL DISPLAY SYSTEMS B.V.,

gevestigd en kantoor houdende te Heerlen,

eiseres in kort geding,

procureur mr. M.J. Gommans;

tegen:

de naamloze vennootschap naar Belgisch recht BARCO N.V.,

gevestigd te 8500 Kortrijk, België,

gedaagde in kort geding,

advocaat mr. R. van den Berg Jeths, kantoor houdende te Eindhoven,

procureur mr. E.J.J.M. Kneepkens.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen “PDS”, heeft gedaagde, hierna te noemen “Barco”, gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 19 november 2007, heeft PDS gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties aan de hand van een korte notitie nader heeft doen toelichten.

Barco heeft vervolgens een bevoegdheidsincident opgeworpen en aan de hand van een pleitnota nader verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties. Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte heeft PDS om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 PDS is een producent van beeldbuizen voor professioneel gebruik. Omdat de beeldbuis als concept al bijna geheel is verdrongen door LCD en plasma technologie, bevindt PDS zich in een afbouwfase. Vanwege de voortdurende liquiditeitsspanning bij PDS en de klantspecifieke eigenschappen van de buizen, is het produceren van voorraad niet mogelijk. De productie is gericht op “supply on demand”.

2.2 PDS heeft van haar afnemer Barco een aantal orders ontvangen in het jaar 2007. Op 7 mei 2007 is door Barco aan PDS verzocht aan te geven wat het kost om alle bestaande orders van Barco bij PDS te annuleren. Hierop heeft PDS gereageerd bij schrijven van 9 mei 2007 waarin zij heeft aangegeven dat de annuleringskosten € 57.000,- bedragen.

Op enig moment, zo stelt PDS, is tussen partijen terzake de annulering een vaststellingsovereenkomst gesloten.

Op 7 juni 2007 is door PDS aan Barco een annuleringsfactuur gezonden ad € 57.000,-. Volgens PDS is de factuur zonder protest aanvaard en behouden en mitsdien na 20 juni 2007 opeisbaar. Tot op heden heeft Barco de factuur niet betaald.

2.3 Op grond van het vorenstaande heeft PDS, stellende dat zij daarbij een spoedeisend belang heeft, gevorderd dat de voorzieningenrechter, bij vonnis:

1. Barco veroordeelt in de betaling van € 57.000,- aan PDS;

2. Barco veroordeelt over de wettelijke rente over € 57.000,- te rekenen vanaf 21 juni 2007 tot de dag van

algehele voldoening;

3. Barco veroordeelt in de kosten van de procedure.

2.4 De vordering wordt door Barco weersproken, waartoe wordt verwezen naar de ter terechtzitting voorgedragen, en vervolgens aan de stukken toegevoegde, pleitnota. Op het verweer wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

3. De beoordeling

Barco heeft vóór alle weren een bevoegdheidsincident opgeworpen. Zij heeft aangegeven dat de voorzieningenrechter onbevoegd is van de vordering kennis te nemen. Volgens Barco is namelijk de Belgische rechter bevoegd, omdat –kort gezegd- 1) in de door Barco gehanteerde inkoopvoorwaarden in artikel 20 de Belgische rechter bevoegd is verklaard, en 2) de Belgische rechter bevoegd is op grond van de artikelen 2 en 5 van het EEX-verdrag.

De voorzieningenrechter is met Barco van oordeel dat hij niet bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Daartoe diene al hetgeen hierna wordt overwogen.

Het voorwerp van het geding valt binnen de materiële werkingsfeer –burgerlijke en handelszaken- van de EG-verordening

nr. 44 / 2001 (hierna: EEX-Vo) betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. De voorzieningenrechter dient de EEX-Vo ambtshalve toe te passen.

In artikel 23 Eex-Vo is voor zover thans van belang bepaald:

“1. Wanneer de partijen van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. (…)”

Barco heeft zich allereerst beroepen op een forumkeuzebeding (artikel 20) in haar inkoopvoorwaarden. Zo dit beding al een exclusieve forumkeuze behelst, oordeelt de voorzieningerechter dat de inkoopvoorwaarden niet van toepassing zijn op het onderhavige geschil. Het geschil ziet immers op (de vraag of er) een vaststellingsovereenkomst (tot stand is gekomen). Met inkoop als zodanig staat dit in geen, althans onvoldoende, verband om de voorwaarden op dit geschil toepasselijk te achten. En zelfs al zou daarover anders gedacht moeten worden, dan oordeelt de voorzieningenrechter dat niet voldaan is aan de vereisten die artikel 23 Eex-Vo aan een forumkeuze stelt: het is onvoldoende duidelijk dat partijen wilsovereenstemming hebben bereikt over deze voorwaarden. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat enkel op de purchase orders een verwijzing naar de inkoopvoorwaarden is opgenomen, en dat ook PDS voorwaarden hanteert en thans onvoldoende duidelijk is wiens voorwaarden “prevaleren”.

Alsdan dient te worden bekeken of de voorzieningenrechter rechtsmacht toekomt op grond van de artikelen 2 Eex-Vo, de “hoofdregel”, of één van de uitzonderingsbepalingen, van welke bepalingen in casu artikel 5 Eex-Vo van belang is.

Volgens artikel 2 van EEX-Vo geldt als hoofdregel voor de rechterlijke bevoegdheid dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. In casu zou dit betekenen dat Barco kan worden opgeroepen voor een Belgisch gerecht. Aan artikel 2 Eex-Vo kan de voorzieningenrechter derhalve geen rechtsmacht ontlenen.

Vervolgens komt in casu de vraag aan de orde of de voorzieningenrechter rechtsmacht kan ontlenen aan artikel 5 Eex-Vo. PDS beantwoordt die vraag bevestigend, Barco ontkennend.

In artikel 5 lid 1 Eex-Vo is, voor zover thans van belang, bepaald:

“Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1. a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die

aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b) voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering

van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

- voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

- voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c) punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is; (…)”

Nu de grondslag in onderhavige zaak niet wordt gevormd door een koopovereenkomst, maar een vermeende vaststellingsovereenkomst –de stelling van Barco dat de overeenkomst die PDS aan haar vordering ten grondslag legt niet tot stand is gekomen, tast een eventuele bevoegdheid van de rechter ex artikel 5 sub 1 niet aan-, doet sub b geen opgeld. Het gaat immers niet om koop of verkoop van roerende zaken of het verstrekken van diensten. Ingevolge sub c) van voormeld artikel dient dan te worden teruggevallen op sub a).

Vraag is dan: waar moet de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, worden uitgevoerd?

De verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt betreft de verbintenis uit hoofde waarvan PDS haar actie heeft ingesteld, te weten de betaling van een bedrag van € 57.000,-.

Nu de plaats van uitvoering van de verbintenis niet uitdrukkelijk is aangewezen, wordt de plaats waar de verbintenis als de onderhavige moet worden uitgevoerd, bepaald aan de hand van het op de overeenkomst toepasselijke recht. Ingevolge artikel 3 van het toepasselijke “EEG-verdrag betreffende het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst” (hierna: EVO) dient aan de hand van het door partijen gekozen recht, de plaats van uitvoering van de verbintenis te worden bepaald. Nu partijen in casu geen uitdrukkelijke rechtskeuze terzake de vaststellingsovereenkomst hebben gedaan, doet artikel 4 EVO opgeld: bij gebreke van rechtskeuze wordt de overeenkomst beheerst door het recht waarmee zij het nauwst is verbonden. De overeenkomst wordt vermoed het nauwst verbonden te zijn met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats, of wanneer het een vennootschap of rechtspersoon betreft, haar hoofdbestuur heeft.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de kenmerkende prestatie de betaling van een bedrag van € 57.000,-. Barco zou deze prestatie dus dienen te verrichten. Nu Barco is gevestigd te België en naar alle waarschijnlijkheid ook aldaar haar hoofdbestuur heeft, zou aldus de Belgische rechter bevoegd zijn. Ook als de annulering de kenmerkende prestatie zou zijn, is de Belgische rechter bevoegd, nu PDS lijkt te stellen dat Barco degene is die heeft geannuleerd.

En ten slotte: voormeld vermoeden geldt niet wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van bedoelde omstandigheden evenwel niet gebleken, om welke reden voormeld vermoeden overeind blijft. Bovendien acht de voorzieningenrechter, zelfs in het geval er geen kenmerkende prestatie zou kunnen worden aangewezen, de overeenkomst het nauwst verbonden met België.

Met het voorgaande is de kous evenwel niet af.

In artikel 31 EEX-Vo is namelijk het volgende bepaald:

“In de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen kunnen bij de gerechten van die staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen.”

Nu, zoals hiervoor reeds overwogen, het voorwerp van onderhavig geding valt binnen de materiële werkingssfeer van de verordening, kan de voorzieningenrechter eventueel/mogelijk bevoegdheid ontlenen aan artikel 31.

In het bekende arrest “Van Uden/Decoline” (HvJ EG 17 november 1998, zaak C-391/95, NJ 1999, 339) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen overwogen dat artikel 24 van het EEX-verdrag (zijnde thans ook artikel 31 EEX-Vo) aldus moet worden uitgelegd, dat de toepassing ervan met name afhankelijk is van de voorwaarde, dat er een reële band bestaat tussen het voorwerp van de gevorderde maatregel en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de verdragssluitende staat en de aangezochte rechter. Vervolgens heeft het Hof de nauwe band tussen gevraagde maatregel en aangezochte rechter verder uitgewerkt ten aanzien van een –ook hier aan de orde zijnd- incasso kort geding, in die zin dat de betaling van een voorschot op een contractuele tegenprestatie, waarvan in casu sprake is –voor toepassing van een en ander kan het gevorderde voorschot namelijk ook het gehele vermeende veschuldigde bedrag betreffen, zoals in casu het geval is- geen voorlopige maatregel is in de zin van artikel 24 van het EEX-verdrag, tenzij gegarandeerd is dat het toegewezen bedrag aan de verweerder (in casu Barco) zal worden terugbetaald indien eiser (in casu PDS) in het bodemgeschil in het ongelijk mocht worden gesteld, en de gevorderde maatregel slechts betrekking heeft op bepaalde vermogensbestanddelen van de verweerder die zich in de territoriale bevoegdheidssfeer van de aangezochte rechter (zullen) bevinden.

Nu door PDS geen garantie is gegeven zoals hiervoor bedoeld, kan in casu niet worden gesproken van een voorlopige maatregel in de zin van artikel 24 EEX-verdrag/31 Eex-Vo.

Aan voormelde artikelen kan de voorzieningenrechter derhalve evenmin rechtsmacht ontlenen.

Op basis van al het voorgaande, oordeelt de voorzieningenrechter dat hij onbevoegd is om van de vorderingen van PDS kennis te nemen. De overige geschilpunten tussen partijen dienen daarom onbesproken te blijven.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart zich onbevoegd om van het gevorderde kennis te nemen;

veroordeelt PDS in de kosten van de procedure aan de zijde van Barco gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op

€ 251,- aan vast recht en € 816,- voor salaris procureur;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bergmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

F.B.