Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB9335

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
04-12-2007
Zaaknummer
03-530144-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak terzake artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Dodelijk ongeval waarbij verdachte als bestuurder van een trekker met oplegger in botsing is gekomen met een bestuurster van een fiets. Gelet op de aard en de ernst van de overtreding van de verdachte, het (enkele) niet verlenen van voorrang aan het slachtoffer en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan (waaronder de drukke en als gevolg van wegwerkzaamheden onoverzichtelijke verkeerssituatie), is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van aanmerkelijke schuld van de verdachte aan het ongeval. Vrijspraak van het primair tenlastegelegde. Verdachte wordt wel schuldig bevonden aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2008/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/530144-07

Datum uitspraak: 4 december 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte]

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 11 juli 2006, in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmede rijdende over de weg, Rijksweg A2 (afrit Holtum-Born), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [naam slachtoffer]) werd gedood, welke bovenbedoelde gedraging(en) roekeloos althans (aanmerkelijk) onvoorzichtig en/of onoplettend was/waren en hieruit heeft/hebben bestaan dat hij, verdachte, rijdende over die Rijksweg A2 (afrit Holtum-Born), gekomen bij de kruising althans splitsing van die weg en de weg(en), de Langereweg en/of de Aldenhofweg, ter plaatse waar op het wegdek van die Rijksweg A2 (afrit Holtum-Born) vóór een, die afrit kruisend (brom)fietspad, voor hem, verdachte, bestemde haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, op het wegdek waren aangebracht en/of

voor die kruising althans splitsing een in zijn richting gekeerd en voor hem, verdachte, bestemde bord B6 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst, dat (brom)fietspad is opgereden zonder voorrang te verlenen aan een, gezien zijn, verdachtes, rijrichting,van rechts over dat (brom)fietspad naderende althans van rechts naar links op dat (brom)fietspad de rijbaan overstekende bestuurster van een fiets, en/althans

een zich dicht vóór althans dicht rechts vóór zijn, verdachtes, motorrijtuig (trekker met oplegger) op de rijbaan van die Rijksweg A2 (afrit Holtum-Born) bevindende bestuurster van een fiets en/of de doorgang voor die vorenbedoelde bestuurster van die fiets heeft versperd en/of heeft belemmerd,waardoor althans mede waardoor een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig (trekker met oplegger)

en de bestuurster van die fiets, te weten die [naam slachtoffer] voornoemd en/of die fiets;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 11 juli 2006,in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht,als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmee rijdende over de weg, de Rijksweg A2 (afrit Holtum-Born), gekomen bij de kruising

althans splitsing van die weg en de weg(en), de Langereweg en/of de Aldenhofweg, ter plaatse waar op het wegdek van die Rijksweg A2 (afrit Holtum-Born) vóór een die afrit kruisend (brom)fietspad voor hem, verdachte, bestemde haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, op het wegdek waren aangebracht en/of een in zijn richting gekeerd en voor hem, verdachte, bestemd bord B6 van

bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst, dat (brom)fietspad zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig en/of zonder voorrang te verlenen is opgereden althans zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig heeft gereden,dat/waardoor hij met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (trekker met oplegger) in botsing althans aanrijding is gekomen met een van rechts naar links overstekende bestuurster van een fiets of die fiets althans een zich op

de rijbaan van die Rijksweg A2 (afrit Holtum-Born) bevindende bestuurster van

een fiets althans die fiets, door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die

weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;.

De vrijspraak van het primair tenlastegelegde

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van deze vrijspraak overweegt de rechtbank als volgt.

Aan de verdachte is – kort gezegd – primair ten laste gelegd dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, tengevolge waarvan [naam slachtoffer] is komen te overlijden.

Om tot een bewezenverklaring van artikel 6, van de Wegenverkeerswet 1994 te komen, dient vastgesteld te worden dat er sprake is van aanmerkelijke schuld van de verdachte aan het verkeersongeval.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van aanmerkelijke schuld aan een verkeersongeval, komt het blijkens het arrest van 1 juni 2004 van de Hoge Raad (NJ 2005, 252) aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6, van de Wegenverkeerswet 1994, valt in zijn algemeenheid niet aan te geven. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin, aldus de Hoge Raad in het hierboven aangehaalde arrest.

Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende komen vast te staan:

- de verdachte is met zijn trekker met oplegger rond 16:00 uur vanuit Weert vertrokken richting Sittard over de A2;

- aangekomen bij kruising van de Provincialeweg N297 met de afrit van de Rijksweg A2 moest verdachte aansluiten in de rij wachtenden om linksaf te slaan;

- het verkeer dat rechtsaf wilde slaan stond, in verband met wegwerkzaamheden ter plaatse, rechts voorgesorteerd op de vluchtstrook;

- de verdachte schoof iedere keer een plaatsje op naar voren in de richting van de kruising totdat hij op een gegeven moment als eerste voor de kruising stond;

- de verdachte heeft zowel naar links als naar rechts gekeken of de weg vrij was en is vervolgens opgetrokken, de kruising op gereden en heeft een begin gemaakt met linksaf slaan;

- vrijwel gelijktijdig is getuige [naam getuige], die rechts naast de verdachte stond voorgesorteerd op de vluchtstrook, opgetrokken om rechts af te slaan;

- getuige [naam getuige] zag het latere slachtoffer (een bekende van haar) komen aanfietsen, groette haar en is voor het slachtoffer langs gereden om rechts af te slaan;

- vanuit haar achteruitkijkspiegel zag getuige [naam getuige] vervolgens de fiets van het slachtoffer door de lucht vliegen en dat de het slachtoffer onder de vrachtauto lag;

- de verdachte heeft het slachtoffer overreden; zij is daarbij onder het linkervoorwiel en de as terecht gekomen; als gevolg van haar verwondingen is het slachtoffer overleden;

- de N297 met de daarnaast gelegen (brom)fietspaden hebben een nagenoeg recht en licht stijgend verloop richting de plaats van het ongeval;

- de afrit van de A2 heeft gezien de in de richting van de kruising met de N297 een licht stijgend wegverloop;

- ten tijde van het ongeval werd ter plaatse aan de weg gewerkt waarvoor tijdelijke verkeersmaatregelen waren genomen;

- ten tijde van het ongeval was het verkeersaanbod ter plaatse groot;

- het (brom)fietspad, gelegen links naast de N297, werd vanwege wegwerkzaamheden ten tijde van het ongeval gebruikt door (brom)fietsers komende uit beide richtingen;

- het verkeer rijdende over de A2, komende uit de richting Eindhoven, werd ter hoogte van de afrit richting de N297 niet geattendeerd op de wegwerkzaamheden uitgevoerd op de N297;

- ongeveer 8 meter voor het kruisingsvlak met de N297 is middels een dwars op de rijbaan aangebrachte blokmarkering een (brom)fietsoversteekplaats op het wegdek van de afrit aangebracht; ongeveer 15 meter voor deze (brom)fietsoversteekplaats stond in de grasberm gelegen rechts naast de afrit een geelkleurig informatiebord voorzien van een afbeelding van een fiets en van een bromfiets met daaronder een streep met twee pijluiteinden wijzend in de richting van Born en van Nieuwstadt;

- behoudens bovengenoemd geelkleurig informatiebord werden ter plaatse geen andere verkeersmaatregelen aangetroffen die bestuurders, rijdend over genoemde afrit richting de kruising met de N297, attendeerden op zowel van rechts als van links kruisende (brom)fietsers;

- na het ongeval zijn de tijdelijke verkeersmaatregelen voor het verkeer rijdende over de afrit van de A2 richting de kruising met de N297 ingrijpend aangepast; er zijn diverse waarschuwingsborden geplaatst rechts en links in de berm naast de afrit; de vluchtstrook is ongeveer 150 meter voor de kruising fysiek afgesloten, zodat het verkeer dat rechtsaf wil slaan geen gebruik meer kan maken van de vluchtstrook, waardoor het verkeer zich achterelkaar moet opstellen voor het kruisingsvlak ongeacht welke rijrichting men wil vervolgen bij de kruising;

- de verdachte had de dag van het ongeval voldoende rusttijd genoten; de verdachte is rustig opgetrokken vanuit stilstand bij de kruising; de (bots)snelheid van de vrachtauto is niet hoger geweest dan ongeveer 6 km per uur.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het gele informatiebord heeft gezien. De verdachte heeft verklaard dat hij, voordat hij de kruising op reed, zowel naar links als naar rechts heeft gekeken, omdat hij wist dat het een vrij drukke kruising is en omdat het ter plaatse ook druk was. De verdachte heeft het slachtoffer niet gezien. Ter zitting heeft de verdachte desgevraagd naar voren gebracht dat hij hier geen verklaring voor heeft. Hij heeft goed gekeken en is, toen hij meende dat de weg vrij was, rustig de kruising opgereden. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van deze verklaring van de verdachte te twijfelen.

Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte, op het moment dat hij over de afrit de kruising naderde of op het moment dat hij op de afrit voor de (brom)fietsoversteekplaats stilstond, het latere slachtoffer heeft kunnen waarnemen toen zij van rechts over het (brom)fietspad de kruising naderde. Eenmaal in de directe nabijheid van de vrachtauto was het latere slachtoffer niet meer zichtbaar voor de verdachte.

De drukke en als gevolg van de wegwerkzaamheden onoverzichtelijke verkeerssituatie, waarbij op de vluchtstrook naast de vrachtauto van verdachte verkeer stond opgesteld dat naar rechts wilde afslaan, heeft er naar alle waarschijnlijkheid toe bijgedragen dat de verdachte het slachtoffer niet heeft waargenomen toen zij van rechts over het (brom)fietspad de kruising naderde. Op het moment dat de verdachte optrok om de kruising over de steken naar links, was het slachtoffer hem al zo dicht genaderd dat hij haar al niet meer kon zien. Op vrijwel hetzelfde moment dat de verdachte optrok om de kruising over te steken, was immers ook de getuige [naam getuige], die rechts naast de verdachte op de vluchtstrook stond voorgesorteerd, opgetrokken om rechts af te slaan en zij heeft verklaard dat zij op het moment dat zij vóór het slachtoffer langsreed nog naar haar heeft gezwaaid. Vrijwel direct daarop is het slachtoffer aangereden door de verdachte.

Gelet op de aard en de ernst van de overtreding van de verdachte, het (enkele) niet verlenen van voorrang aan het slachtoffer en de omstandigheden, zoals hierboven geschetst, waaronder die overtreding is begaan, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van aanmerkelijke schuld van de verdachte aan het ongeval. Het lijkt, gelet op al het bovenstaande, een zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden te zijn geweest die tezamen hebben geleid tot het ongeval. De rechtbank spreekt de verdachte dan ook vrij van het primair ten laste gelegde.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 11 juli 2006 in de gemeente Sittard-Geleen als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmee rijdende over de weg, de Rijksweg A2 (afrit Holtum-Born), gekomen bij de kruising van die weg en de wegen, de Langereweg en de Aldenhofweg, ter plaatse waar op het wegdek van die Rijksweg A2 (afrit Holtum-Born) vóór een die afrit kruisend (brom)fietspad voor hem, verdachte, bestemde haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, op het wegdek waren aangebracht en een in zijn richting gekeerd en voor hem, verdachte, bestemd bord B6 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst, dat (brom)fietspad zonder voorrang te verlenen is opgereden, waardoor hij met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (trekker met oplegger) in botsing is gekomen met een van rechts naar links overstekende bestuurster van een fiets, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren. Daarnaast heeft de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk gevorderd, met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman heeft vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straffen en maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een trekker met oplegger bij het linksaf slaan een op het (brom)fietspad rechtdoor rijdende fietser overreden. Door deze verkeersfout van de verdachte is het slachtoffer komen te overlijden.

Het leed dat veroorzaakt is door het ongeval is groot en onherstelbaar. Voor de nabestaanden van het slachtoffer is er sprake van een tragisch en onomkeerbaar verlies. Zij staan voor de moeilijke taak het verlies van hun echtgenote en hun moeder een plaats in hun leven te geven. Zij worden, zo blijkt uit de slachtofferverklaring, nog dagelijks met dit verlies geconfronteerd en hun levens zijn voorgoed veranderd.

Alhoewel het leed van de verdachte - zo stelt verdachte ook zelf blijkens het reclasseringsrapport - zich niet laat vergelijken met het leed van de nabestaanden, houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte zeer is aangeslagen door het ongeval en dat hij er, blijkens zijn verklaring ter zitting en blijkens het reclasseringsrapport, mede door zijn werk als vrachtwagenchauffeur, nog dagelijks mee wordt geconfronteerd.

De rechtbank houdt daarnaast in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat de verdachte al jarenlang vrachtwagenchauffeur is en dat uit het uittreksel van het Justitieel Documentatieregister blijkt dat de verdachte nimmer is veroordeeld.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke geldboete van substantiële omvang passend en geboden zou zijn. Gelet echter op de financiële gevolgen van een onvoorwaardelijke geldboete voor de verdachte, acht de rechtbank in het onderhavige geval een taakstraf voor de duur van 30 uur passend en geboden.

Onder de geschetste omstandigheden is voor oplegging van een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, ook al is dat in voorwaardelijke zin, geen plaats.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 5 en 177 van Wegenverkeerswet 1994.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een werkstraf voor de duur van 30 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 15 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 4 december 2007