Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB7867

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-08-2007
Datum publicatie
14-11-2007
Zaaknummer
03-700473-06, 03-535377-05 (VTVV)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is onder andere vrijgesproken van verkrachting (feit 1) en zware mishandeling en veroordeeld wegens wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2) en mishandeling.

De rechtbank is ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde van oordeel dat niet gezegd kan worden dat sprake is geweest van dwang, zoals bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 2 is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval vast staat dat verdachte [naam slachtoffer] af en toe opsloot in de woning. De ramen en deuren waren daarbij op een dusdanige manier dicht gemaakt dat het voor haar onmogelijk was de woning zonder kunstgrepen te verlaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummers: 03/700473-06, 03/535377-05 (VTVV)

Datum uitspraak: 21 augustus 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 augustus 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid – Huis van Bewaring Overmaze te Maastricht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij

in of omstreeks de periode van 01 september 2006 tot en met 2 september 2006 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- zijn, verdachtes, penis geduwd en/of gebracht en/of gehouden in de vagina en/of de mond van die [naam slachtoffer 1] en/of

- zijn, verdachtes, vinger(s) geduwd en/of gebracht en/of gehouden in de vagina van die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of

- een vibrator, althans een voorwerp, in de vagina van die [naam slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of

- die [naam slachtoffer 1] een vibrator, althans een voorwerp, doen en/of laten duwen en/of brengen en/of houden in de vagina van die [naam slachtoffer 1] en/of in de vagina van die [naam slachtoffer 2] (terwijl hij, verdachte, toekeek en/of masturbeerde) en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [naam slachtoffer 1] en/of die [naam slachtoffer 2] heeft gedwongen om een hoeveelheid speed, althans verdovende middelen, in te nemen/tot zich te nemen en/of

- tegen die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] heeft gezegd dat deze(n), als zij de speed niet zou(den) pakken, een probleem zouden krijgen met hem, verdachte, en/of

- die [naam slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestompt en/of

- tegen die [naam slachtoffer 1] en/of die [naam slachtoffer 2] heeft gezegd dat die [naam slachtoffer 1] en die [naam slachtoffer 2] naar de slaapkamer moesten gaan en/of dat die [naam slachtoffer 1] die [naam slachtoffer 2] moest gaan verwennen met de dildo's en/of dat hij, verdachte, er zo aan kwam en/of tegen die [naam slachtoffer 1] heeft geroepen dat die [naam slachtoffer 1] sex moest hebben met die [naam slachtoffer 2] en/of (aldus) voor die [naam slachtoffer 1] en/of die [naam slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 02 september 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk [naam slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- in de woning van die [naam slachtoffer 1] en/of verdachte, een of meer slot(en) en/of klink(en) van een of meer deur(en) en/of ra(a)m(en) heeft vervangen en/of verwijderd en/of

- een of meer deur(en) en/of ra(a)m(en) in die woning (aan de binnenzijde) heeft dichtgeschroefd, althans heeft voorzien van schroeven en/of plaatjes en/of

- (telkens) als hij, verdachte, die woning verliet, de toegangsdeur van die woning van de buitenkant heeft afgesloten, waardoor voornoemde [naam slachtoffer 1] de woning niet kon verlaten;

3.

hij op of omstreeks 02 september 2006 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- met een slipper op/tegen het hoofd en/of een/de be(e)n(en) en/of een/de arm(en), althans op/tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 1] heeft geslagen en/of

- met een tafeltje, althans een hard en/of zwaar voorwerp, op/tegen de rug, althans op/tegen het lichaam, van die [naam slachtoffer 1] heeft geslagen en/of

- (met kracht) (met zijn, verdachtes, vuist) op/tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 02 september 2006 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam slachtoffer 1]), meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- met een slipper op/tegen het hoofd en/of een/de be(e)n(en) en/of een/de arm(en), althans op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of

- met een tafeltje, althans een hard en/of zwaar voorwerp, op/tegen de rug, althans op/tegen het lichaam, heeft geslagen en/of

- (met kracht) (met zijn, verdachtes, vuist) op/tegen het hoofd heeft geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 29 augustus 2006 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- (met kracht) met een (bamboe)stok, althans een hard en/of zwaar voorwerp, op/tegen de rug, althans op/tegen het lichaam, van die [naam slachtoffer 1] heeft geslagen en/of

- een (brandende) sigarettenpeuk heeft gedoofd/uitgedrukt op een schouder, althans op het lichaam, van die [naam slachtoffer 1] en/of

- een ijzeren ketting, althans een hard en/of zwaar voorwerp, in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 1] heeft gegooid en/of

- die [naam slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) omhoog heeft getild en/of op/tegen de grond heeft gegooid en/of

- (met kracht) (met zijn, verdachtes, vuist) op/tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 1] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 29 augustus 2006 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam slachtoffer 1]), meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- (met kracht) met een (bamboe)stok, althans met een hard en/of zwaar voorwerp, op/tegen de rug, althans op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of

- een (brandende) sigarettenpeuk op een schouder, althans op het lichaam, heeft geduwd en/of uitgedrukt en/of

- een ijzeren ketting, althans een hard en/of zwaar voorwerp, in het gezicht, althans op/tegen het hoofd, heeft gegooid en/of

- heeft vastgepakt en/of omhoog heeft getild en/of (vervolgens) op/tegen de grond heeft gegooid en/of

- (met kracht) (met zijn, verdachtes, vuist) op/tegen het hoofd geslagen en/of gestompt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

hij op of omstreeks 29 augustus 2006 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes voorgehouden en/of getoond aan die [naam slachtoffer 1] en/of met een mes richting die [naam slachtoffer 1] gelopen en/of met een mes meermalen, althans eenmaal, (telkens) in een muur en/of een kast gestoken en/of geprikt en/of (daarbij) deze dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Jij bent de eerste die ik hiermee kapot maak" en/of "Ik maak je kapot" en/of dreigend tegen die [naam slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij, verdachte, die [naam slachtoffer 1] in stukjes zou snijden en bij de vuilnis zou zetten, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Geldigheid van de dagvaarding

Door de raadsman van de verdachte is aangevoerd dat verdachte bij de verfeitelijking van feit 1, onder het 4e gedachtestreepje wordt verweten dat hij [naam slachtoffer 1] een vibrator, althans een voorwerp, heeft doen duwen en/of brengen en/of houden in haar eigen vagina dan wel in die van haar moeder. Het vorenstaande ziet op het verrichten van seksuele handelingen. Nu verdachte wordt verweten dat hij [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] heeft gedwongen seksuele handelingen te ondergaan is de dagvaarding op dit punt innerlijk tegenstrijdig en dient zij partieel nietig te worden verklaard, aldus de raadsman.

De rechtbank kan het standpunt van de raadsman niet volgen. Onder feit 1 wordt niet alleen ten laste gelegd het ondergaan van seksuele handelingen door [naam slachtoffer 1], maar ook (en/of) door [naam slachtoffer 2]. De handelingen zoals omschreven in het door de raadsman betwiste gedachtenstreepje zien niet alleen op handelingen die door [naam slachtoffer 1] verricht zouden zijn, maar tevens op handelingen die door [naam slachtoffer 2] zijn ondergaan. Het verweer wordt derhalve verworpen.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 3 primair, 4 primair, 4 subsidiair en 5 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Overwegingen met betrekking tot de vrijspraak van het onder 1, 3 primair, 4 primair, 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde én met betrekking tot de bewezenverklaring onder 2 en 3

Door [naam slachtoffer 1] is op 3 september 2006 aangifte tegen verdachte gedaan inzake verkrachting, vrijheidsberoving en meerdere mishandelingen. [naam slachtoffer 1] heeft haar verklaring naderhand middels twee andere verklaringen aangevuld. De aangifte van [naam slachtoffer 1] inzake de verkrachting wordt ondersteund door een verklaring van haar moeder, [naam slachtoffer 2], afgelegd op 6 september 2006.

Op 26 oktober 2006 heeft [naam slachtoffer 1] bij de politie aangegeven haar aangifte te willen intrekken. Bij brief van 21 maart 2007, gericht aan de Officier van Justitie, heeft [naam slachtoffer 2] te kennen gegeven dat er geen sprake is geweest van verkrachting. Ze had de aangifte toentertijd ondersteund omdat ze bang was en zich schaamde. Zowel [naam slachtoffer 1], als [naam slachtoffer 2] zijn ter terechtzitting als getuigen gehoord. Beide vrouwen zijn toen wederom op hun eerste verklaringen teruggekomen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende objectieve feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die oftewel de belastende verklaringen, oftewel de ontlastende verklaring kunnen staven. Om die reden dient de rechtbank zich een oordeel te vormen over de vraag of één van de door [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] afgelegde verklaringen de juiste gang van zaken weergeven en zo ja, welke. Met dit als uitgangspunt overweegt de rechtbank als volgt.

Feit 1

Voor verkrachting in de zin van artikel 242 Sr, zoals onder 1 ten laste gelegd, dient sprake te zijn van geweld of een andere feitelijkheden, dan wel van bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het onderhavige feit, ongeacht de vraag welke verklaringen juist zijn, niet gezegd kan worden dat hier sprake is geweest van dwang, zoals bedoeld in artikel 242 Sr. De rechtbank stoelt die oordeel op het volgende.

Gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval komen vast te staan dat [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] in de avond/nacht van 1/2 september 2006 in het bijzijn van verdachte verdovende middelen hebben gebruikt, waarna zij seksuele handelingen met elkaar hebben verricht.

Uitgaande van de eerste verklaringen van [naam slachtoffer 1] zou verdachte de beide vrouwen hiertoe gedwongen hebben door te zeggen dat zij en haar moeder speed moesten pakken. Zo niet, dan zouden ze problemen met hem krijgen. Daarmee bedoelde hij volgens [naam slachtoffer 1] dat zij slaag zou krijgen. [naam slachtoffer 2] heeft aanvankelijk verklaard dat verdachte iemand is die je echt onder dwang kan zetten. Als je niet doet wat hij zegt, dan lig je in een hoek, aldus [naam slachtoffer 2]. Beiden verklaren na het innemen van de verdovende middelen seksuele handelingen met elkaar en met de verdachte te hebben verricht en laten verrichten, terwijl zij dit eigenlijk niet wilden.

In hun verklaring ter terechtzitting verklaren beide vrouwen dat zij weliswaar drugs hebben gebruikt en seksuele handelingen met elkaar hebben verricht, maar dat hierbij geen sprake was van dwang door de verdachte.

De verdachte heeft steeds verklaard dat hij zich die avond/nacht afzijdig heeft gehouden. Hij was aanvankelijk wel van plan seks met zijn vriendin en haar moeder te hebben, maar heeft hier bij nader inzien van afgezien. Er was geen sprake van dwang van zijn kant. Voorts heeft hij verklaard dat hij [naam slachtoffer 1] in het verleden wel eens heeft geslagen, maar dat daar die avond/nacht daar geen sprake van was.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt noch het dossier, noch het verhandelde ter terechtzitting enig bewijs dat verdachte bij feit 1 daadwerkelijk geweld heeft gebruikt.

Daarnaast is er onvoldoende bewijs dat verdachte [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] middels (dreiging van) andere feitelijkheden heeft gedwongen. Andere feitelijkheden, zoals bedoeld in artikel 242 Sr, dienen immers van voldoende kaliber te zijn om de weerstand van het slachtoffer te breken. Uitgaande van de aanvankelijke verklaringen van de slachtoffers zou hun angst voor verdachte gebaseerd zijn op eerdere ervaringen met verdachte dat hij, als hij zijn zin niet zou krijgen, zich zou uitkuren op [naam slachtoffer 1] door haar te slaan. Gelet op de eigen verklaring van de verdachte staat vast dat hij [naam slachtoffer 1] in het verleden meer dan eens heeft geslagen. Dit enkele feit is echter onvoldoende om aan te nemen dat de slachtoffers zich door verdachte dusdanig in het nauw gedreven voelden dat zij niet konden weigeren de speed in te nemen. Ook voor enige dwang ten aanzien van de verrichtte of ondergane seksuele handelingen is onvoldoende bewijs.

Feit 2

Ook ten aanzien van feit 2 heeft het slachtoffer niet eenduidig verklaard. Aanvankelijk heeft zij verklaard dat de verdachte haar in hun woning aan de Eisenhouwerstraat te Sittard gevangen hield voor de buitenwereld. Verdachte zou de ramen en deuren dichtgeschroefd hebben en gezegd hebben dat zij zo tenminste niet weg kon. Ter terechtzitting heeft zij enerzijds verklaard dat verdachte de deur afsloot en dat zij op een bepaald moment via het balkon (op de 11de of 12de verdieping) naar een aangrenzende woning is gegaan, omdat zij alleen op deze wijze de woning kon verlaten. Anderzijds heeft zij verklaard dat zij haar eigen sleutel vrijwillig heeft afgegeven en dat verdachte weliswaar de deur afsloot, maar dat dit was omdat er vaker in de flat was ingebroken. Voorts heeft zij verklaard dat zij de woning gedurende de periode dat zij beweerdelijk gevangen werd gehouden ook zonder begeleiding van verdachte heeft verlaten.

Verdachte heeft in zijn verklaring van 4 september 2006 bij de politie verklaard dat hij de voordeur van de woning op slot deed en de sleutel bij zich hield. Hij deed dit omdat hij het te gek vond dat [naam slachtoffer 1] midden in de winter met de baby op straat liep. Bij de rechter- commissaris heeft verdachte op 6 september 2006 nog verklaard dat hij in twee ramen schroeven had gedraaid en de deur had afgesloten, omdat [naam slachtoffer 1] dreigde met de kinderen naar het buitenland te gaan en hij zijn gezin bij elkaar wilde houden. [naam slachtoffer 1] zou een postnatale depressie hebben en haar medicijnen niet innemen.

Door de raadsman is naar voren gebracht dat verdachte [naam slachtoffer 1] misschien wel af en toe heeft opgesloten, maar dat dit niet wil zeggen dat [naam slachtoffer 1] een gevangene was. Bovendien was verdachte bang dat [naam slachtoffer 1] hun kinderen iets zou aandoen, wat een rechtvaardigingsgrond voor zijn handelen oplevert, aldus de raadsman.

Gelet op de eigen verklaringen van verdachte is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval vast staat dat verdachte [naam slachtoffer 1] af en toe opsloot in de woning. De ramen en deuren waren daarbij op een dusdanige manier dicht gemaakt dat het voor haar onmogelijk was de woning zonder kunstgrepen te verlaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich hiermee schuldig gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde. Uit de eigen verklaring van verdachte blijkt immers tevens dat hij het opzet had [naam slachtoffer 1] op een dusdanige manier op te sluiten dat zij niet weg kon, terwijl tevens vast staat dat hij hiertoe niet bevoegd was. Het feit dat het slachtoffer ter zitting heeft laten doorschemeren de opsluiting niet zo erg te hebben gevonden doet hier niet aan af.

Ook het beroep op een rechtvaardigingsgrond kan niet slagen. Er is in het geheel geen bewijs voorhanden dat [naam slachtoffer 1] hun kinderen iets zou willen aandoen, noch is bewijs voorhanden waaruit blijkt dat verdachte het gerechtvaardigd vermoeden had dat er iets met zijn kinderen of met [naam slachtoffer 1] zou kunnen gebeuren als hij haar niet zou opsluiten. Het enkele feit dat [naam slachtoffer 1] aan een postnatale depressie leed is hiervoor in ieder geval onvoldoende, zeker nu in het geheel niet blijkt wat de symptomen van deze depressie waren.

Feit 3

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft [naam slachtoffer 1] aanvankelijk verklaard dat verdachte haar op 2 september 2006 met diverse voorwerpen mishandeld heeft, waarbij verdachte onder meer een tafeltje op haar rug kapot geslagen heeft en waarbij verdachte haar met zijn vuisten op het hoofd heeft geslagen. Ter terechtzitting heeft zij aangegeven dat dit allemaal niet is gebeurd.

Verdachte heeft op 6 september 2006 bij de rechter-commissaris toegegeven dat zij op 2 september 2006 ruzie hadden. Hij heeft bekend [naam slachtoffer 1] toen in haar gezicht geslagen te hebben. Hij heeft echter ontkend haar met voorwerpen te hebben geslagen.

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde voor zover ten laste is gelegd dat verdachte met kracht met zijn vuist op/tegen het hoofd van [naam slachtoffer 1] heeft geslagen.

De raadsman heeft gepleit voor een algehele vrijspraak, zowel ten aanzien van het onder 3 primair, als onder 3 subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien het onder 3 subsidiair ten laste gelegde slaan met een vuist heeft de raadsman nog aangevoerd dat ook dit niet bewezen kan worden, aangezien de bekentenis van verdachte dat hij [naam slachtoffer 1] heeft geslagen ziet op een incident dat een of twee weken vóór de ten laste gelegde datum zou hebben plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende bewijs biedt voor hetgeen onder 3 primair en onder 3 subsidiair ten laste is gelegd, met uitzondering van het onder 3 subsidiair gestelde met kracht met de vuist slaan op het hoofd van [naam slachtoffer 1]. De rechtbank acht dit laatste wel bewezen, aangezien verdachte bij de rechter-commissaris expliciet heeft verklaard [naam slachtoffer 1] geslagen te hebben, waarbij ook duidelijk is vermeld dat deze verklaring ziet op de gebeurtenissen op 2 september 2006.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

2.

hij in de periode van 26 mei 2005 tot en met 02 september 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, meermalen, opzettelijk [naam slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met dat opzet

- ramen in die woning heeft dichtgeschroefd en

- als hij, verdachte, die woning verliet, de toegangsdeur van die woning van de buitenkant heeft afgesloten, waardoor voornoemde [naam slachtoffer 1] de woning niet kon verlaten;

3. subsidiair

hij op 2 september 2006 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [naam slachtoffer 1], met zijn vuist tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 en 3 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 2:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

Feit 3 subsidiair:

mishandeling.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van verdachte is door F. van Nunen, psycholoog een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van dat onderzoek heeft genoemde psycholoog een rapport, gedateerd 24 mei 2007, opgemaakt, welk rapport vermeldt -zakelijk weergegeven- als conclusie:

- dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat deze feiten - indien bewezen - hem in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft met betrekking tot de strafmaat aangevoerd dat, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van één of meerdere feiten, de verdediging zich zal refereren aan het oordeel van de rechtbank

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde onder 2 in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving.

- de mate waarin het bewezenverklaarde onder 2 persoonlijk leed teweeg heeft gebracht.

De rechtbank overweegt in het bijzonder nog als volgt.

Verdachte heeft zich onder andere schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn toenmalige vriendin. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. De ernst van het bewezen verklaarde wordt onderstreept door de omstandigheid dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving plaats vond in de relationele sfeer.

Het dient verdachte te worden aangerekend dat hij zijn toenmalige partner, waar hij mee samenwoonde, heeft beknot in haar bewegingsvrijheid en dat hij - gelet op de psychische gesteldheid van [naam slachtoffer 1] - geen hulp voor haar heeft gezocht, maar haar in haar eigen woning heeft opgesloten.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank er ten voordele van verdachte rekening mee gehouden dat hij niet eerder ter zake soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats is.

Alles afwegend acht de rechtbank na te noemen straf passend en geboden.

De vordering tot tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog van € 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis, aan de verdachte opgelegd bij onherroepelijk vonnis van deze rechtbank d.d. 6 januari 2006, gewezen onder parketnummer 03/535377-05.

De vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte door hetgeen thans bewezen en strafbaar is verklaard zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Bijzondere omstandigheden die aan de gevorderde tenuitvoerlegging in de weg zouden staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 3 primair, 4 primair, 4 subsidiair en 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 en 3 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van TWAALF MAANDEN;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot VIJF MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit, dan wel de volgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen overeenkomstig de door de Reclassering Nederland, Regio Limburg, Unit Maastricht, gevestigd te 6224 LA Maastricht, Heerderweg 25, te stellen richtlijnen, ook indien zulks inhoudt het volgen van een intensieve begeleiding door en/of onder de regie van de verslavingszorg/Reclassering, waarbij een deel van die begeleiding/behandeling gedelegeerd kan worden aan de forensische polikliniek of een daarmee te vergelijken gespecialiseerde instelling, zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd nodig oordeelt;

- geeft opdracht aan genoemde instelling aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

- gelast dat de aan de veroordeelde bij vonnis van deze rechtbank, d.d. 6 januari (parketnummer: 03/535377-05), voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. F.A.G.M. Vluggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Schmeets, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 21 augustus 2007, zijnde mr. M.C.A.E. van Binnebeke buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.