Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB6932

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
01-11-2007
Zaaknummer
112957 - HA ZA 06-781
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BL7141, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijwaringszaak. Huurder van paard aangesproken tot vergoeding van door paard veroorzaakte schade door in eerste instantie aansprakelijke eigenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 3 oktober 2007

Zaaknummer : 112957 / HA ZA 06-781

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake

[Naam eiseres],

wonende te [België],

eiseres,

procureur mr. E.H.J. van der Heijden;

tegen:

[Naam gedaagde],

wonende te Kerkrade,

gedaagde,

procureur mr. J.A.M.G. Vogels.

1. Het verloop van de procedure

Ten vervolge op het tussenvonnis van 13 december 2006, waarbij de rechtbank in de hoofdzaak tot vrijwaring de zaak heeft terugverwezen naar de rol voor antwoord en voorts iedere verdere beslissing heeft aangehouden, heeft [Gedaagde] geconcludeerd voor antwoord en daarbij twee producties overgelegd.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Tot slot hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1

[Gedaagde] heeft op 11 januari 2004 uit handen van [Eiseres] in Teuven (België) twee paarden in bruikleen ontvangen. Met medeweten en met goedvinden van [Eiseres] zijn deze twee paarden door [Gedaagde] naar Kerkrade vervoerd. Daar is door één van de beide paarden een ongeval veroorzaakt waardoor [B.] ernstig letsel heeft opgelopen. [B.] en diens werkgever, [V.] Grondverzet en Groentechniek B.V., hebben tegen [Eiseres] een vordering ingesteld tot vergoeding van de door het ongeval veroorzaakte schade en buitengerechtelijke kosten. Bij tussenvonnis van 20 december 2006 heeft de rechtbank uitgesproken dat [Eiseres] aansprakelijk is voor de schade.

2.2

[Eiseres] stelt dat partijen geen rechtskeuze hebben gedaan, zodat hun rechtsverhouding door het Belgische recht wordt beheerst. [Eiseres] heeft voorts aangevoerd dat krachtens dat recht [Gedaagde], als degene die zich van het paard bediende, aansprakelijk is voor de door het ongeval met het paard veroorzaakte schade. [Gedaagde] weigert om [Eiseres] te vrijwaren van deze schade, waardoor [Gedaagde] toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van de bruikleenovereenkomst. Subsidiair is door [Eiseres] aangevoerd dat [Gedaagde] onzorgvuldig heeft gehandeld althans jegens hem een fout heeft begaan door hem niet te waarschuwen voor het feit dat anders dan in België, in Nederland op grond van de wet in beginsel de eigenaar aansprakelijk is voor door een dier veroorzaakte schade.

2.3

[Eiseres] heeft op grond van het vorenstaande gevorderd [Gedaagde], zo mogelijk gelijktijdig met het te wijzen vonnis in de hoofdzaak aanhangig onder zaaknummer 109393/HA - ZA 06-286 en voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij vonnis te veroordelen om aan [Eiseres] te betalen datgene, waartoe [Eiseres] als gedaagde in de hoofdzaak jegens de heer [B.] en/of [V.] Grondverzet en Groentechniek B.V. mocht worden veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordeling, zonodig vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de dag dat [Eiseres] gehouden is voormelde schadevergoeding(en) ingevolge voormeld vonnis in de hoofdzaak te voldoen. Tot slot heeft [Eiseres] gevorderd [Gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding in deze vrijwaring, met inbegrip van de nakosten, zoals genoemd in artikel 237 lid 4 Rv, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat gedaagde in verzuim is deze kosten te voldoen.

2.4

[Gedaagde] voert verweer hetwelk - samengevat en voorzover thans van belang – inhoudt dat hij bij het sluiten van de bruikleenovereenkomst met [Eiseres] als gevolmachtigde of als vertegenwoordiger is opgetreden voor de Carnavalsvereniging “Kirchroatsjer Vasteloavends Verain Alaaf Kirchroa 1936”, zodat deze paarden niet aan [Gedaagde] in bruikleen zijn gegeven, doch aan de carnavalsvereniging. [Gedaagde] heeft ook ten verwere aangevoerd dat terzake de aansprakelijk voor de schade, ontstaan door het ongeval met het paard, het Nederlandse recht van toepassing is. [Gedaagde] stelt dat de schade niet is ontstaan doordat [Gedaagde] het paard onjuist dan wel ondeskundig zou hebben behandeld, zodat er geen grond is voor een verplichting tot vrijwaring van [Eiseres]. Tot slot heeft [Gedaagde] aangevoerd dat hij geen plicht heeft verzuimd door [Eiseres] niet te waarschuwen voor het afwijkende regime in Nederland met betrekking tot de aansprakelijkheid voor dieren. [Gedaagde] heeft geconcludeerd [Eiseres] niet ontvankelijk te verklaren, danwel de vordering te ontzeggen met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [Eiseres] in de kosten van de procedure.

3. De beoordeling

3.1

Het is onbestreden dat op de rechtsverhouding tussen [Eiseres] en [Gedaagde] het Belgische recht van toepassing is. Deze rechtsverhouding wordt daarom beheerst door de regels in Boek III, titel X, hoofdstuk 1, van het Belgische Burgerlijk Wetboek. Uit deze regels voor bruikleen of commodaat volgt niet dat [Gedaagde] heeft in te staan voor een compensatie van [Eiseres] voor het bedrag dat [Eiseres] op grond van artikel 179 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek als schadevergoeding verschuldigd is aan [B.] en diens werkgever, [V.] Grondverzet en Groentechniek B.V. Voorts is niet gebleken dat in het kader van deze bruikleen van twee paarden door [Eiseres] en [Gedaagde] bijzondere overeenkomsten zijn getroffen, in aanvulling op de regeling terzake de bruikleen, zoals deze is opgenomen in het Belgische Burgerlijk Wetboek. De primair door [Eiseres] aangevoerde grondslag van zijn vordering op [Gedaagde] moet daarom worden verworpen.

3.2

Ook de door [Eiseres] subsidiair aangevoerde grondslag van zijn vordering moet worden verworpen. Volgens [Eiseres] rustte op [Gedaagde] de verplichting om voorafgaande aan het lenen van de paarden [Eiseres] te informeren over het feit dat vanaf het moment dat de paarden in Nederland zouden zijn aangekomen, op de aansprakelijkheid voor schade aan derden ontstaan door gedragingen van deze paarden een van de Belgische regeling afwijkende regeling van toepassing zou zijn. Deze verplichting van [Gedaagde] baseert [Eiseres] in de eerste plaats op het feit dat [Gedaagde] op de hoogte is of althans uit hoofde van zijn professie als veehandelaar op de hoogte had moeten zijn van het Nederlandse recht ten aanzien van de aansprakelijkheid voor schade aan een ander, toegebracht door een dier. [Gedaagde] heeft als verweer hiertegen aangevoerd dat vanwege zijn professie hij bekend dient te zijn met de regels betrekkelijk tot het vervoer van vee, maar niet met betrekking tot de regels voor aansprakelijkheid in Nederland respectievelijk België voor schade aan een ander, toegebracht door dieren. De rechtbank begrijpt hieruit dat [Gedaagde] niet bekend is met de verschillen tussen het Nederlandse en het Belgische recht te dier zake. Met [Gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat [Gedaagde] van deze verschillen, ondanks het feit dat hij professioneel veehandelaar is en ondanks het feit dat hij met een zekere regelmaat van [Eiseres] paarden leent, deze verschillen ook niet behoefde te kennen. Dat [Gedaagde] [Eiseres] niet heeft geïnformeerd over de verschillen tussen de wetgeving in Nederland en de wetgeving in België ten aanzien van de aansprakelijkheid van de eigenaar van een dier voor schade toegebracht aan een ander kan enkel al op die grond niet worden aangemerkt als een tekortkoming in de nakoming van verbintenissen uit de bruikleenovereenkomst en evenmin als een handelen in strijd met een in het maatschappelijk verkeer jegens anderen in acht te nemen zorgvuldigheid. Al het vorenstaande brengt met zich dat de subsidiair door [Eiseres] aangevoerde grondslag van zijn vordering op [Gedaagde] eveneens moet worden verworpen. Nu er ook overigens geen gronden voor de vordering van [Eiseres] bestaan moet de vordering worden afgewezen. [Eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, de kosten van deze procedure aan de zijde van [Gedaagde] moeten dragen. De rechtbank zal het beloop van deze kosten begroten. De kosten, zoals bedoeld in Rv. Artikel 237, vierde lid, kunnen thans nog niet zijn ontstaan, weshalve deze kosten ook nog niet kunnen worden begroot.

4. De beslissing

De rechtbank:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [Eiseres] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [Gedaagde] gerezen en tot zover begroot op:

vast recht: € 248,=

salaris procureur: € 1.356,= (3 punten categorie II).

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. van Maanen Winters, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

F.MW