Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB5760

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
17-10-2007
Zaaknummer
118462 / HA ZA 07-286
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

consumentenrecht, verstekzaak, algemene voorwaarden, beding, onredelijk bezwarend, ambtshalve toetsing, HvJ EG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2008, 10

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 26 september 2007

Zaaknummer : 118462 / HA ZA 07-286

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTERNATIONAL CARD SERVICES BV, h.o.d.n. Visa Card Services,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. A.H. Odekerken-Holtkamp;

tegen

[Naam gedaagde],

wonende [naam woonplaats],

gedaagde,

geen procureur gesteld hebbende.

1. Het verdere verloop van de procedure

Ter uitvoering van het door deze rechtbank op 4 juli 2007 gewezen tussenvonnis, bij welk vonnis de rechtbank volhardt, heeft eiseres een akte genomen en daarbij één productie overgelegd. Ten slotte heeft eiseres de rechtbank verzocht te beslissen op het rechtbankdossier, waarna de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 De rechtbank heeft kennis genomen van de tweede door eiseres genomen akte.

2.2.1 Eiseres heeft ter onderbouwing van het boetebeding - artikel 12.3 sub c algemene voorwaarden (productie 7, eerste akte uitlating eiseres) - gesteld dat de noodzaak tot het opnemen van een boetebeding in de algemene voorwaarden is gelegen in de omstandigheid dat, ondanks de blokkering van een creditcard en het verbod tot verder gebruik daarvan, het niet uitgesloten is dat een kaarthouder bij de besteding van kleine bedragen onder de zogenaamde floor-limit toch nog gebruik van een (ongeldige) creditcard kan maken. Bij relatief kleine bedragen kunnen winkeliers immers de creditcard accepteren zonder dat daarvoor een (elektronische) autorisatie van eiseres nodig is. Eiseres wil daarmee voorkomen dat bij kleine bedragen kosten voor haar ontstaan door elektronische autorisatie. Door bij algemene voorwaarden een strenge sanctie te stellen op het onrechtmatig behouden van de creditcard tracht eiseres kaarthouders ertoe aan te sporen de onrechtmatig in hun bezit zijnde creditcard te retourneren, alsmede tracht zij het risico op onrechtmatig gebruik en de daarmee gepaard gaande schade te beperken c.q. te voorkomen. Eiseres heeft daarbij verwezen naar artikel 6:91 BW, waaronder ook een boete als aansporing tot nakoming valt.

2.2.2 Nu gedaagde te kort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van bruikleen tussen partijen - hij heeft ondanks daartoe te zijn gesommeerd zijn bestedingen niet aan eiseres voldaan en hij heeft evenmin zijn creditcard retour gezonden - heeft eiseres de creditcard van gedaagde geblokkeerd en hem op 1 december 2004 (zie productie 1, tweede akte uitlating eiseres) gesommeerd de vordering van € 3.567,72 te voldoen en zijn creditcard in vieren geknipt aan haar te zenden. Bij gebreke van het niet retourneren van de creditcard heeft eiseres een boete ingevolge het onderhavige boetebeding aangezegd.

2.2.3 Terzake het door de rechtbank in haar tussenvonnis van 4 juli 2007 genoemde arrest van het HvJ EG van 26 oktober 2006 inzake Claro tegen Móvil (NJ 2007, 201) heeft eiseres gesteld - onder verwijzing naar hetgeen zij hiervoor (kort samengevat) heeft aangevoerd - dat terzake artikel 12.3 sub c algemene voorwaarden geen sprake is van een oneerlijk boetebeding. Zij heeft daarbij benadrukt dat dit ook niet door gedaagde is beweerd en dat hij geen verzoek tot matiging van de boete heeft gedaan. Gedaagde heeft bovendien door ondertekening van de creditcard en de ingebruikname daarvan zich akkoord verklaard met de toepasselijke voorwaarden. Het boetebeding als dusdanig staat bovendien niet op de zogenaamde “zwarte lijst” of “grijze lijst”.

2.2.4 Eiseres is dan ook van mening dat ambtshalve toetsing door de rechtbank van het onderhavige door haar in de algemene voorwaarden opgenomen boetebeding er niet toe kan leiden dat dit beding ongeldig wordt verklaard.

2.3 Nu sprake is van een door eiseres met gedaagde als consument gesloten overeenkomst van bruikleen, in het kader waarvan zij een creditcard aan gedaagde heeft verstrekt, dient de rechtbank, zoals zij in haar tussenvonnis van 4 juli 2007 onder 2.4 reeds heeft overwogen, ambtshalve te beoordelen het (oneerlijk) karakter van het door eiseres aan gedaagde tegengeworpen boetebeding. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 terzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (verder: de Richtlijn oneerlijke bedingen) is geïmplementeerd in het Burgerlijk Wetboek (verder: BW), onder meer in de artikelen 233, 236 en 237 van boek 6. De rechtbank stelt vervolgens met eiseres vast dat het boetebeding als zodanig niet voorkomt op de zwarte of grijze lijst. Toetsing van het onderhavige boetebeding dient dan ook plaats te vinden via de open norm van artikel 6:233 sub a BW. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

2.4 Dat gedaagde zich akkoord heeft verklaard met de algemene voorwaarden (in het algemeen) en dat hij thans geen verweer voert tegen het hem tegengeworpen boetebeding, waarbij hij evenmin een beroep heeft gedaan op matiging van het totale boetebedrag, staat een toetsing van het (oneerlijke) karakter van dat beding niet in de weg. De bescherming die de Richtlijn oneerlijke bedingen de consument verleent strekt zich immers ook uit tot de gevallen waarin de consument die een overeenkomst heeft gesloten die een oneerlijk beding bevat, zich niet op de oneerlijkheid van dat beding beroept, hetzij omdat hij onwetend is van zijn rechten, hetzij omdat hij ervan af ziet zijn rechten geldend te maken wegens de kosten van een vordering in rechte (zie tevens arrest HvJ EG van 21 november 2002, Cofidis, C-473/00). De doelstelling in artikel 6 van de Richtlijn oneerlijke bedingen is verder duidelijk:

“De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationaal recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

2.5 Het onderhavige boetebeding als bepaald in artikel 12.3 sub c van de algemene voorwaarden houdt het volgende in:

“de Card-houder is verplicht op eerste verzoek daartoe de ANWB Visa Card in vier gedeelten geknipt retour te zenden aan Visa Card Services. Bij gebreke hiervan is de Card-houder een boete verschuldigd van € 22,69 voor iedere dag dat de Card-houder de ANWB Visa Card niet heeft teruggezonden.”

2.6 Bij de toetsing van het bovenstaande boetebeding via de open norm van artikel 6:233 sub a BW, waarbij de uitvoeringswetgeving richtlijnconform moet worden uitgelegd, is van belang artikel 3 en de bijlage van de Richtlijn oneerlijke bedingen; de zogenaamde “blauwe lijst”. Ingevolge genoemd artikel onder 1 en 3 en het bepaalde in de bijlage onder e zijn oneerlijk bedingen:

“(…) bedingen die tot doel of tot gevolg hebben: (…)

e. de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen; (…)”

2.7 De rechtbank overweegt in dat kader allereerst dat de door eiseres gestelde ‘aansporingsdoelstelling’(onder 2.2.1) en een boetebedrag van € 22,69 per dag, welk bedrag niet onredelijk is, kenmerken van het onderhavige boetebeding zijn welke op zich niet in strijd zijn met het voornoemde wettelijk kader en de door de Richtlijn oneerlijke bedingen aan de consument geboden bescherming.

Daar staat echter tegenover dat de boete limietloos is en eiseres uit hoofde van dit boetebeding vanaf 7 december 2004 tot en met 31 januari 2007 € 17.834,34 vordert. Het boetebeding staat dus in geen enkele verhouding met de hoofdvordering van slechts € 3.796,03 waarbij ook meegewogen moet worden het feit dat gedaagde kennelijk vanaf 6 september 2004 de kaart heeft gebruikt (zie 2.2 van het tussenvonnis van 4 juli 2007) noch misbruikt. Verder bevredigt de uitleg van eiseres omtrent de noodzaak van het boetebeding niet omdat dit beding, gelet op de aard en inhoud van artikel 12 van de algemene voorwaarden, kennelijk niet van toepassing is bij een reguliere beëindiging conform artikel 11 van de algemene voorwaarden. Aldus is dit boetebeding, waar niet over onderhandeld kan worden, in de wijze waarop eiseres het toegepast wenst te zien onredelijk bezwarend voor gedaagde in de zin van artikel 6:233 aanhef en sub a BW.

2.8 Gelet op onder meer de wederzijdse belangen van partijen en één van de uitgangspunten van de wetgever inhoudende dat een vernietiging niet verder dient te gaan dan noodzakelijk is, zal de rechtbank het beding niet vernietigen doch de inhoud daarvan beperken. Bij die beperking sluit de rechtbank zich aan bij de duurbepaling van artikel 11.1 van de algemene voorwaarden. Waar dat lid bepaalt dat de overeenkomst zonder opzegging telkens wordt verlengd met een periode van 12 maanden, acht de rechtbank een limitering van de boete tot de duur van 365 dagen binnen de grenzen van artikel 6:233 aanhef en sub a BW vallen.

2.9 Met inachtneming van het reeds eerder besliste zal dus worden toegewezen aan hoofdvordering € 3.796,03 plus

€ 996,84 aan overeengekomen rente tot 23 februari 2007, de hoofdvordering te vermeerderen met de overeengekomen rente vanaf 23 februari 2007, aan boete € 8.281,85 en € 52,49 aan kosten sommatie-exploten. Gedaagde zal, als overwegend in het ongelijk gesteld, de proceskosten dienen te betalen die de rechtbank, gelet op het toegewezen bedrag, zal berekenen conform tarief II van het liquidatietarief.

3. De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag aan hoofdvordering van

€ 3.796,03 plus € 996,84 aan overeengekomen rente tot 23 februari 2007, de hoofdvordering te vermeerderen met de overeengekomen rente vanaf 23 februari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, aan boete € 8.281,85 en € 52,49 aan kosten sommatie-exploten;

veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure aan de zijde van eiseres gevallen en tot op heden begroot op:

kosten exploot € 87,58

vastrecht € 585,00

salaris procureur € 452,00

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

CM