Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB4659

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
03-703064-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De in de dagvaarding opgenomen zinsnede "onder een bepaalde voorwaarde" is door de rechtbank nietig verklaard, nu deze voorwaarden niet feitelijk zijn omschreven in de tenlastelegging.

Beroep op overmacht verworpen.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij eigenrichting heeft gepleegd, door personen van een overheidsorgaan te bedreigen met ernstige misdrijven, terwijl het niet bleef bij woorden alléén.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703064-07

Datum uitspraak: 3 oktober 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 mei 2007 en 19 september 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks het tijdvak van 12 februari 2006 tot en met 19 januari 2007 te Roermond en/of te Smakt, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) een persoon, genaamd [naam slachtoffer 1], Hoofdofficier van justitie in het arrondissement Roermond, schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met moord, althans doodslag, in elk geval met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk in voornoemde periode genoemde [naam slachtoffer 1] een of meer brieven doen toekomen waarin (onder meer) de

navolgende dreigende tekst(en) was/waren vermeld:

"Dan trek ik eerst naar Roermond en schiet de zogenaamde officier van justitie...een paar ronde gaten in zijn kop"

en/of

"....zal ik mij inzetten om U als zijnde een onrechtmatige functionerende waarnemend hoofdofficier van justitie te elimineren..."

en/of

"....Dus [naam slachtoffer 1] of Sta of wie zal er vandaag weer zitten? Zodra de belastingdienst begint te zeiken over mijn schatting van de schade en mij die niet wil uitkeren, dan kom ik naar Roermond en schiet de dan zittende (plaatsvervangende) hoofdofficier van justitie een paar gaten in zijn kop....(Ik zal proberen om in een recht lijntje mooie ronde gaatjes op gelijke afstand in de officier van justitie te schieten, dan heb ik de teloorgang met een mooi stippellijntje onderstreept.)"

en/of

"....Ik kom als Jezus Christus voorzien van een machinegeweer. In Roermond aangekomen zal ik onder dreiging met mijn wapen de verblijfplaats van de hoofdofficier van (Rabogroep)justitie opsporen. Wie mijn gang belemmert wordt met wapengeweld direct naar de hel gestuurd. De hoofdofficier van justitie wordt voorzien van de eerder genoemde stippellijn totdat de dood erop is gevolgd bij die door mij met het machinegeweer beschoten hoofdofficier van justitie"

en/of

"...dat ik U ook perforeer.....", in elk geval tekst van gelijke dreigende aard en strekking;

2.

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 november 2005 tot en met 15 februari 2006 te Venray en/of te Smakt, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) een persoon, genaamd [naam slachtoffer 2], werkzaam bij advocatenkantoor [naam advocatenkantoor] en/of een of meer andere perso(o)n(en) welke werkzaam waren/was bij genoemd advocatenkantoor, schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met moord, althans doodslag, in elk geval met enig misdrijf tegen het leven gericht , immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk in voornoemde periode genoemde [naam slachtoffer 2], althans genoemd advocatenkantoor een of meer brieven doen toekomen waarin (onder meer) de navolgende dreigende tekst(en) was/waren vermeld:

(zakelijk weergegeven) dat hij, verdachte, die [naam slachtoffer 2] zou perforeren

en/of

"Als de rechter mij veroordeelt, omdat ik een vergissing zou hebben begaan, dan laat ik als spijtbetuiging in uw grafsteen beitelen: "[naam slachtoffer 2] had gelijk en niet [naam verdachte]"

en/of

"...ze worden vanaf vandaag geconfronteerd met fysiek geweld mijnerzijds..."

en/of

"...anders ga ik je perforeren en pletten..."

en/of

"...heb ik besloten om U als advocaat mooi geperforeerd naar de eeuwige

jachtvelden te helpen...", in elk geval tekst van gelijke dreigende aard en strekking, (daarbij) dreigend een enveloppe met poeder en zonder opschrift in dezelfde brievenbus heeft gedeponeerd;

3.

hij in of omstreeks het tijdvak van 4 september 2005 tot en met 22 januari 2007 te Smakt, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) een persoon, genaamd [naam slachtoffer 3], advocaat van de [naam bank], schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met moord, althans doodslag, in elk geval met enig misdrijf tegen het leven gericht , immers heeft hij, verdachte, opzettelijk in voornoemde periode genoemde [naam slachtoffer 3], een of meer brieven doen toekomen waarin (onder meer) de navolgende dreigende tekst(en) was/waren

vermeld:

"[naam slachtoffer 3] krijgt binnenkort van mij een kogel door de kop"

en/of

"Ik schiet alles af wat mij belemmert"

en/of

"In mijn emoties schiet ik haar liever kapot"

en/of

"...dan gaat [naam verdachte] over tot perforatie van [naam slachtoffer 3]..."

en/of

"...hun functies met een pistool elimineren...", in elk geval tekst van gelijke dreigende aard en strekking;

4.

hij in of omstreeks het tijdvak van 16 december 2006 tot en met 23 januari 2007 te 's-Hertogenbosch en/of te Prinsenbeek en/of te Smakt, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) een persoon, genaamd [naam slach[naam slachtoffer 4], griffier van het Hof van Discipline te 's-Hertogenbosch en/of een of meer griffiemedewerkers van genoemd Hof, schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met moord, althans doodslag, in elk geval met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de

verlening van diensten ontstaat en/of met brandstichting, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk in voornoemde periode genoemde [naam slachtoffer 4], althans genoemde griffiemedewerker(s) een of meer brieven doen toekomen waarin (onder meer) de navolgende dreigende tekst(en) was/waren vermeld:

"dan ga ik over tot eigenrichting. Een van mijn eerste daden zal het opblazen van de griffie in Prinsenbeek zijn"

en/of

"onmiddellijk overgaan tot eigenrichting onder gebruik van instrumentele agressie"

en/of

"dat uw ledigheid u binnenkort een oorkussen onder de groene zoden verschaft", in elk geval tekst van gelijke dreigende aard en strekking;

5.

hij in of omstreeks het tijdvak van 13 januari 2007 tot en met 15 januari 2007 te Venray opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een aan de [adres advocatenkantoor], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

De geldigheid van de dagvaarding

De verdachte wordt ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4 telkens verweten dat hij de in de tenlastelegging als zodanig genoemde of bedoelde personen heeft bedreigd met de daarbij nader genoemde ernstige misdrijven, terwijl deze bedreigingen schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde zijn geschiedt (artikel 285, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

De rechtbank stelt vast dat enkele voorwaarden wél uit de inhoud van het dossier zijn af te leiden, maar niet zijn ten laste gelegd. Dit brengt met zich mee dat terzake van de feiten 1, 2, 3 en 4 het bestanddeel “onder een bepaalde voorwaarde” ten aanzien van de navolgende zinsneden niet feitelijk is omschreven:

Ten aanzien van feit 1 de zinsneden:

“….zal ik mij inzetten om U als zijnde een onrechtmatige functionerende waarnemend hoofdofficier van justitie te elimineren…”;

“…dat ik U ook perforeer….”;

Ten aanzien van feit 2 de zinsneden:

“die [naam slachtoffer 2] zou perforeren”,

“…ze worden vanaf vandaag geconfronteerd met fysiek geweld mijnerzijds…”,

“…anders ga ik je perforeren en pletten…”, en

“…heb ik besloten om U als advocaat mooi geperforeerd naar de eeuwige jachtvelden te helpen…”;

Ten aanzien van feit 3 de zinsneden:

“[naam slachtoffer 3] krijgt binnenkort van mij een kogel door de kop”,

“Ik schiet alles wat af wat mij belemmert”,

“In mijn emoties schiet ik haar liever kapot”,

“…dan gaat [naam verdachte] over tot perforatie van [naam slachtoffer 3]…”, en

“…hun functies met een pistool elimineren…”;

Ten aanzien van feit 4 de zinsneden:

“dan ga ik over tot eigenrichting. Een van mijn eerste daden zal het opblazen van de griffie in Prinsenbeek zijn”,

“onmiddellijk overgaan tot eigenrichting onder gebruik van instrumentele agressie”,

“dat uw ledigheid u binnenkort een oorkussen onder de groene zoden verschaft”.

Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van het tenlastegelegde bestanddeel “onder een bepaalde voorwaarde” voorzover deze betrekking heeft op de hierboven geciteerde passages van de feiten 1, 2, 3 en 4 nietig is, vanwege het ontbreken van de feitelijke omschrijving in die tenlastelegging waaruit die voorwaarde(n) dan zou bestaan.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

A.

hij op of omstreeks 17 mei 2006 te Roermond, een persoon, genaamd [naam slachtoffer 1], Hoofdofficier van justitie in het arrondissement Roermond, schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, te weten moord, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk in voornoemde periode genoemde [naam slachtoffer 1] een brief doen toekomen waarin (onder meer) de navolgende dreigende tekst was vermeld:

"....zal ik mij inzetten om U als zijnde een onrechtmatige functionerende waarnemend hoofdofficier van justitie te elimineren...";

B.

hij in het tijdvak van 26 december 2006 tot en met 15 januari 2007 te Roermond, een persoon, genaamd [naam slachtoffer 1], Hoofdofficier van justitie in het arrondissement Roermond, schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, te weten moord, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk in voornoemde periode genoemde [naam slachtoffer 1] een brief doen toekomen waarin (onder meer) de navolgende dreigende teksten waren vermeld:

"Dan trek ik eerst naar Roermond en schiet de zogenaamde officier van justitie...een paar ronde gaten in zijn kop"

en

"....Dus [naam slachtoffer 1] of Sta of wie zal er vandaag weer zitten? Zodra de belastingdienst begint te zeiken over mijn schatting van de schade en mij die niet wil uitkeren, dan kom ik naar Roermond en schiet de dan zittende (plaatsvervangende) hoofdofficier van justitie een paar gaten in zijn kop....(Ik zal proberen om in een recht lijntje mooie ronde gaatjes op gelijke afstand in de officier van justitie te schieten, dan heb ik de teloorgang met een mooi stippellijntje onderstreept.)"

en

"....Ik kom als Jezus Christus voorzien van een machinegeweer. In Roermond aangekomen zal ik onder dreiging met mijn wapen de verblijfplaats van de hoofdofficier van (Rabogroep) justitie opsporen. Wie mijn gang belemmert wordt met wapengeweld direct naar de hel gestuurd. De hoofdofficier van justitie wordt voorzien van de eerder genoemde stippellijn totdat de dood erop is gevolgd bij die door mij met het machinegeweer beschoten hoofdofficier van justitie".

2.

A.

hij in het tijdvak van 12 februari 2006 tot en met 15 februari 2006 te Venray, een persoon, genaamd [naam slachtoffer 2], werkzaam bij [naam advocatenkantoor], schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk in voornoemde periode genoemde [naam slachtoffer 2] een brief doen toekomen waarin (onder meer) de navolgende dreigende teksten waren vermeld:

(zakelijk weergegeven) dat hij, verdachte, die [naam slachtoffer 2] zou perforeren

en

"...heb ik besloten om U als advocaat mooi geperforeerd naar de eeuwige jachtvelden te helpen...";

B.

hij in het tijdvak van 12 februari 2006 tot en met 15 februari 2006 te Venray, een persoon, genaamd [naam slachtoffer 2], werkzaam bij [naam advocatenkantoor],

schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, te weten moord, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk in voornoemde periode genoemde [naam slachtoffer 2] een brief doen toekomen waarin (onder meer) de navolgende dreigende tekst was vermeld:

"Als de rechter mij veroordeelt, omdat ik een vergissing zou hebben begaan, dan laat ik als spijtbetuiging in uw grafsteen beitelen: "[naam slachtoffer 2] had gelijk en niet [naam verdachte]",

(daarbij) dreigend een enveloppe met poeder en zonder opschrift in dezelfde brievenbus heeft gedeponeerd;

3.

hij in het tijdvak van 4 september 2005 tot en met 22 januari 2007 in Nederland, meermalen, (telkens) een persoon, genaamd [naam slachtoffer 3], advocaat van de [naam bank], schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, te weten met moord, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk in voornoemde periode genoemde [naam slachtoffer 3], brieven doen toekomen waarin (onder meer) de navolgende dreigende teksten waren vermeld:

"In mijn emoties schiet ik haar liever kapot"

en

"...dan gaat [naam verdachte] over tot perforatie van [naam slachtoffer 3]..."

en

"...hun functies met een pistool elimineren...";

4.

hij in het tijdvak van 9 januari 2007 tot en met 23 januari 2007 te ’s-Hertogenbosch, een persoon, genaamd [naam slach[naam slachtoffer 4], griffier van het Hof van Discipline te 's-Hertogenbosch en griffiemedewerkers van genoemd Hof, schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, te weten moord, en met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen en/of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk in voornoemde periode genoemde [naam slachtoffer 4] een brief doen toekomen waarin (onder meer) de navolgende dreigende teksten waren vermeld:

"dan ga ik over tot eigenrichting. Een van mijn eerste daden zal het opblazen van de griffie in Prinsenbeek zijn"

en

"onmiddellijk overgaan tot eigenrichting onder gebruik van instrumentele agressie"

en

"dat uw ledigheid u binnenkort een oorkussen onder de groene zoden verschaft";

5.

hij in het tijdvak van 13 januari 2007 tot en met 15 januari 2007 te Venray opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een aan de [adres advocatenkantoor],

toebehorende aan [naam slachtoffer 5] heeft vernield.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1, 2 en 3 overweegt de rechtbank het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde dient de verdachte terzake van de zinsnede

“… dat ik U ook perforeer…..” te worden vrijgesproken, nu in het dossier met betrekking tot deze zinsnede geen bewijsmiddel voorhanden is.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde dient de verdachte terzake van de zinsnede

“…ze worden vanaf vandaag geconfronteerd met fysiek geweld mijnerzijds…” te worden vrijgesproken, nu in het dossier met betrekking tot deze zinsnede geen bewijsmiddel voorhanden is.

Ten aanzien van de zinsnede “… anders ga ik je perforeren en pletten…” heeft de rechtbank uit de inhoud van het dossier vastgesteld, dat deze zinsnede is gebezigd in een brief van de verdachte van 23 januari 2007 en deze datum buiten de tenlastegelegde periode ligt.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde dient de verdachte terzake van de zinsneden

“[naam slachtoffer 3] krijgt binnenkort van mij een kogel door de kop” en “Ik schiet alles af wat mij belemmert” te worden vrijgesproken, nu in het dossier met betrekking tot deze zinsneden geen bewijsmiddel voorhanden is.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

feit 1:

A. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

B. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt;

feit 2:

A. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

B. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt;

feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat;

feit 5:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van verdachte is door drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van dat onderzoek heeft genoemde psycholoog een rapport, gedateerd 16 april 2007, opgemaakt, welk rapport vermeldt als conclusie dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat deze feiten -indien bewezen- hem in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

De verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij de feiten heeft gepleegd uit gevoelens van onmacht en dat deze onmacht een vorm is van overmacht. De rechtbank heeft dit aldus begrepen, dat de verdachte een beroep doet op (psychische) overmacht.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Het is de rechtbank niet gebleken dat er sprake is geweest van een zodanige druk dat hierdoor de wilsvrijheid van de verdachte is aangetast en dat redelijkerwijs van de verdachte niet te vergen viel dat hij weerstand kon bieden aan de druk van de omstandigheden. Aan de verdachte lagen verschillende mogelijkheden open om te trachten zijn gelijk te halen.

De verdachte heeft echter een bewuste keuze voor eigenrichting gemaakt en geen gebruik gemaakt van legale, wettelijke middelen om zijn doel te bereiken.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdachte.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte terzake van het ten laste gelegde onder 1, 2, 3, 4 en 5 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden en achttien dagen, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de richtlijnen van de reclassering.

De verdachte heeft ter terechtzitting zijn visie gegeven op de ten laste gelegde feiten.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Ten nadele van de verdachte rekent de rechtbank het de verdachte zwaar aan dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de bij de wet openstaande of andere legale middelen, doch een bewuste keuze heeft gemaakt voor eigenrichting. De verdachte heeft welbewust, stelselmatig en gedurende een langere periode personen en een overheidsorgaan bedreigd met ernstige misdrijven. Vooral voor personen die vanwege hun handelen in functie worden bedreigd

- zoals in dit geval overheidsdienaren en advocaten – kan dit misdrijf maatschappelijk ontwrichtend werken.

Daar komt bij dat de verdachte niet alleen geweld heeft aangekondigd doch ook tot actie is overgegaan door een zogenaamde poederbrief in de brievenbus van een advocatenkantoor te deponeren en aldaar een ruit in te gooien. Het bleef dus niet bij woorden alleen.

Ten voordele van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld en hij ten tijde van de delicten in sterke mate verminderd toerekeningsvatbaar was.

Ofschoon de rechtbank komt tot een bewezen verklaring van minder dan waarvan in de vordering van de officier van justitie is uitgegaan, acht de rechtbank gelet op het hiervoren overwogene toch een straf, gelijk aan die welke door de officier van justitie is gevorderd, geboden.

Gelet op de indruk die de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen en de omstandigheid dat een langdurig reclasseringstoezicht is geïndiceerd, is de rechtbank van oordeel, dat de aan het voorwaardelijke gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf te verbinden proeftijd, gesteld moet worden op drie jaren.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [naam slachtoffer 5] zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de door de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] aan haar vordering ten grondslag gelegde schade niet komen vast te staan, nu uit het proces-verbaal van aangifte (pagina 70) blijkt dat de benadeelde partij tegen de gevorderde schade verzekerd is. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat de verzekeraar deze schade al heeft vergoed, zodat de vordering dient te worden afgewezen.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 285, lid 1, 285 lid 2 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van VIJFTIEN MAANDEN en ACHTTIEN DAGEN;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot TWAALF maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van drie jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit, dan wel de volgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen overeenkomstig de door de Reclassering Nederland, Regio Limburg, Unit Maastricht, gevestigd te 6224 LA Maastricht, Heerderweg 25, te stellen richtlijnen zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd nodig oordeelt;

- geeft opdracht aan genoemde instelling aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- wijst af de vordering van de benadeelde partij [naam en adres slachtoffer 5];

- veroordeelt de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. E.H.A.F.M. Krol en mr. I.P. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 3 oktober 2007, zijnde mr. I.P. de Groot buiten staat het vonnis mede te ondertekenen