Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB4441

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
27-09-2007
Zaaknummer
105149 / HA ZA 05-1041
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tijdens reparatie omgevallen hoogspanningsmast beschadigt ondergrondse kerosineleiding. Bedrijfsmatige gebruiker van de mast aansprakelijk uit hoofde van artikel 6:162 en 6:174/181 BW. Procedure in vrijwaring tegen adviseur inzake reparatie, aannemer, Staat, provincie Limburg en gemeenten Stein en Beek. Vrijwaringsvorderingen integraal afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Burgerlijk Wetboek Boek 6 175
Burgerlijk Wetboek Boek 6 181
Burgerlijk Wetboek Boek 6 212
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 754
Gemeentewet
Gemeentewet 175
Wet rampen en zware ongevallen
Wet rampen en zware ongevallen 3
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 30
Wet bodembescherming 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2008/8 met annotatie van Bos
JBO 2007/10 met annotatie van Bos
JBO 2007/44 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK

Sector civiel recht

Datum uitspraak: 26 september 2007

Zaaknummer: 105149 / HA ZA 05-1041

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake

1. de naamloze vennootschap

N.V. MAATSCHAPPIJ VOOR ELECTRICITEIT EN GAS LIMBURG,

gevestigd te Waalre, kantoorhoudende te Maastricht,

eiseres in vrijwaring,

procureur mr. E.J.J.M. Kneepkens;

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ESSENT NETWERK B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

eiseres in vrijwaring,

procureur mr. E.J.J.M. Kneepkens;

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VISSER & SMIT BOUW B.V.,

gevestigd te Papendrecht,

gedaagde in vrijwaring,

procureur mr. R.M.H.H. Tuinstra;

2. het publiekrechtelijke lichaam

STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde in vrijwaring,

procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen;

3. het publiekrechtelijke lichaam

PROVINCIE LIMBURG,

zetelend te Maastricht,

gedaagde in vrijwaring,

procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen;

4. het publiekrechtelijke lichaam

GEMEENTE BEEK,

zetelend te Beek,

gedaagde in vrijwaring,

procureur mr. G.J.J.A. van Zeijl;

5. het publiekrechtelijke lichaam

GEMEENTE STEIN,

zetelend te Stein,

gedaagde in vrijwaring,

procureur mr. G.J.J.A. van Zeijl.

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KEMA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde in vrijwaring,

procureur mr. G.J.J.A. van Zeijl.

Eiseressen zullen hierna afzonderlijk ‘Mega Limburg’ respectievelijk ‘Essent Netwerk’ worden genoemd en tezamen ‘Essent’. Gedaagden zullen hierna ‘VSB’, ‘de Staat’, ‘de provincie’, ‘de gemeente Beek’, de gemeente Stein’ respectievelijk ‘Kema’ worden genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de navolgende processtukken en proceshandelingen:

- de dagvaardingen van Essent, betekend aan ieder van gedaagden op 4 oktober 2005;

- de akte overlegging producties d.d. 12 oktober 2005 van Essent, met producties;

- de conclusie van antwoord van VSB d.d. 23 november 2005, met producties;

- de conclusie van antwoord van de Staat d.d. 23 november 2005, met 1 productie;

- de conclusie van antwoord van de provincie d.d. 23 november 2005, met 1 productie;

- de conclusie van antwoord van de gemeenten Beek en Stein d.d. 23 november 2005, met producties;

- de conclusie van antwoord van Kema d.d. 23 november 2005, met producties;

- de conclusie van repliek van Essent d.d. 5 april 2006 in de procedure tegen VSB, met 1 productie;

- de conclusie van repliek van Essent d.d. 5 april 2006 in de procedure tegen de Staat, met producties;

- de conclusie van repliek van Essent d.d. 5 april 2006 in de procedure tegen de provincie, met 1 productie;

- de conclusie van repliek van Essent d.d. 5 april 2006 in de procedure tegen de gemeenten Beek en Stein, met producties;

- de conclusie van repliek van Essent d.d. 5 april 2006 in de procedure tegen Kema, met producties;

- de conclusie van dupliek d.d. 12 juli 2006 van VSB;

- de conclusie van dupliek d.d. 12 juli 2006 van de Staat, met producties;

- de conclusie van dupliek d.d. 12 juli 2006 van de provincie, met producties;

- de conclusie van dupliek d.d. 12 juli 2006 van de gemeenten Beek en Stein, met producties;

- de conclusie van dupliek d.d. 12 juli 2006 van Kema, met producties;

- het proces-verbaal van de pleidooizitting van 12 juni 2007, alsmede de pleitaantekeningen van partijen die tijdens deze zitting zijn overgelegd.

2. De feiten

2.1 Op 4 januari 2005 is de besloten vennootschap Essent Netwerk Limburg B.V. overgegaan in Essent Netwerk. Essent Netwerk Limburg B.V. zal hierna, evenals haar rechtsopvolgster, worden aangeduid met Essent Netwerk.

2.2 Essent Netwerk houdt zich bezig met onder meer de distributie van elektriciteit.

Bij de uitoefening van haar bedrijf maakt Essent Netwerk gebruik van de hoogspanningslijn Graetheide-Limmel. Onderdeel van deze hoogspanningslijn is hoogspanningsmast 33 (hierna: ‘de mast’), gelegen op het perceel van palletbedrijf Benedco B.V. aan de Schutterstraat 27 te Beek. Dit perceel maakt deel uit van het industrieterrein aan de Schutterstraat. Mega Limburg heeft ten aanzien van de mast het zakelijk recht als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Belemmeringenwet privaatrecht.

2.3 Langs het perceel Schutterstraat 27 te Beek ligt de spoorlijn Sittard-Maastricht. De ondergrond hiervan behoort toe aan Railinfratrust B.V.; het beheer en het onderhoud van de spoorlijn en van de ondergrond geschiedt door ProRail B.V. (Railinfratrust B.V. en ProRail B.V. zullen hierna tezamen ‘ProRail’ worden genoemd).

Voorts ligt in de nabijheid van de mast op een diepte van 1,5 meter een pijpleiding die loopt van Goch in Duitsland naar Glons in België. Deze leiding is eigendom van de Staat en wordt beheerd door de Defensie Pijpleiding Organisatie (hierna: DPO), die onderdeel is van het Ministerie van Defensie. De pijpleiding wordt gebruikt voor het transport van, onder meer, kerosine.

2.4 In 1999 is de pijpleiding van DPO ter hoogte van het bedrijventerrein Sanderboutlaan, tussen de masten 29 en 30 van de hoogspanningslijn Graetheide-Limmel, verlegd. In verband hiermee heeft (een onderdeel van) Essent bij brief van 27 april 1999 aan DPO het volgende geschreven:

‘Onzerzijds bestaat geen bezwaar tegen de aanleg van de brandstofleiding. Aan onze toestemming verbinden wij evenwel de volgende voorwaarden:

(…)

2. U dient alle geëigende maatregelen te nemen om te voorkomen dat schade wordt toegebracht aan onze hoogspanningslijn.

3. Alle schade aan de hoogspanningslijn die het gevolg mocht zijn van, of haar oorzaak mocht vinden in het aanleggen, hebben, houden, onderhouden van bovengenoemde werkzaamheden komen voor rekening van de opdrachtgever.

(…)

5. Mega Limburg is, zowel tijdens als na de voornoemde werkzaamheden, niet aansprakelijk voor ongemakken, schade, hinder of andere lasten, welke door de aanwezigheid van de hoogspanningslijn zijn of zullen ontstaan.’

2.5 In de nacht van zaterdag 13 op zondag 14 september 2003 heeft bij palletbedrijf Benedco B.V. brand gewoed. Daarbij is schade ontstaan aan de mast en de betonnen fundering van de mast, bestaande uit een funderingsplaat en vier poeren.

2.6 Essent Netwerk heeft na de brand rondom de poeren een stalen hulpconstructie aangebracht om op korte termijn de stabiliteit van de mast te waarborgen. Voorts heeft zij aan, onder meer, Kema T&D Consulting (hierna: Kema) en VSB verzocht om een offerte uit te brengen voor een advies over de maatregelen om op korte termijn de stabiliteit van de mast te waarborgen, en over de herstelwerkzaamheden, nodig om de stabiliteit van de mast op lange termijn te herstellen.

2.7 Essent Netwerk heeft dit verzoek aan VSB gedaan bij brief van 30 september 2003. Daarbij heeft zij tekeningen en berekeningen betreffende de mast meegezonden, waaronder een statische berekening van de mast d.d. 23 augustus 1974, opgesteld door het buro [DHV].

In haar brief van 3 oktober 2003 aan Essent Netwerk heeft VSB laten weten dat zij op dat moment nog geen offerte kon uitbrengen. Als één van de drie redenen waarom zij daartoe op dat moment niet is staat was, geeft zij op dat

“de omvang van een sanering op lange termijn mede afhankelijk is van de nog te maken controleberekening, gebaseerd op belastingen waarover wij nu nog onvoldoende informatie hebben.”

2.8 Uiteindelijk heeft Essent Netwerk de opdracht verstrekt aan Kema. Kema heeft het advies uitgebracht in haar rapport van 27 januari 2004.

2.9 Het rapport houdt - onder meer - het volgende in:

“3.1.4 VOORSTEL REPARATIEADVIES

Tijdens het repareren dient de aanwezige stalen hulpconstructie gehandhaafd te blijven tot 3 weken nadat de totale betonreparatie is uitgevoerd. […]

De stalen hulpconstructie heeft als belangrijkste functie om de horizontale (spat)krachten uit de mastconstructie en het moment ten gevolge van de horizontale krachten op te nemen. […]

De verticale drukkrachten uit de mastconstructie worden deels door de hulpconstructie rondom de poeren en deels door de intact zijnde kern van de betonpoeren opgenomen en naar de betonnen funderingsplaat afgevoerd. De verticale trekkrachten uit de mastconstructie worden door de ankers in de intact zijnde kern van de betonpoeren opgenomen en naar beneden afgevoerd.

Aan de onderzijde van de ankers zijn op enige afstand beneden het maaiveld zogenaamde ‘schieters’ (stalen dwars balkjes van profielstaal of rondstaal) aangebracht die met aangelaste ‘haarspelden’ (in een haarspeld gebogen wapeningsstaal) verbonden zijn met de wapening van de onderliggende funderingsplaat.

De reparatie van de 4 betonpoeren dient ‘poer voor poer’ uitgevoerd te worden.’

2.10 Op basis van het door Kema uitgebrachte advies heeft Essent Netwerk op 16 maart 2004 aan VSB schriftelijk de opdracht verstrekt om herstelwerkzaamheden uit te voeren aan de fundering c.q. de vier poeren van de mast. In de opdracht van 16 maart 2004 was - onder meer - het volgende opgenomen:

“leverdatum

22.03.2004

[…]

Uitgangspunten

[…]

? De bestaande poeren dienen volledig te worden hersteld.

? De werkzaamheden zullen zodanig moeten worden uitgevoerd dat de stabiliteit van de mast onder geen enkele voorwaarde in het geding komt. Derhalve dient de thans aanwezige hulpconstructie tot na voltooiing van de reparatiewerkzaamheden aanwezig te blijven. De constructie zal uiteindelijk door Essent (minimaal drie weken na herstel fundering) worden ontmanteld.

Het verwijderen van deze stalen hulpconstructie behoort derhalve niet tot de opdracht.

[…]

Herstel fundering

Zowel mast als fundering zijn door Kema uitvoerig onderzocht en deze heeft daarover aan Essent gerapporteerd. […] Kema heeft, met betrekking tot het herstel van de fundering, het navolgende advies met betrekking tot de uit te voeren werkzaamheden uitgebracht.

? Sanering moet plaatsvinden op alle vlakken van de poeren vanaf onderzijde voetplaat tot 0,1 m onder het

bestaande maaiveld.

? In alle vlakken het bestaande beton weghakken tot minimaal 50 mm achter de aanwezige

hoofdbewapening.

? Op deze diepte moet worden voldaan aan de norm dat de op het breukvlak liggende grondkorrels voor

minimaal 80% zijn gebroken.

? Als tengevolge van bovengenoemde norm het beton tot verder dan 75 mm achter de hoofdbewapening is

weggehakt, moet op deze plaats een krimpnet worden toegepast met gladde wapeningsstaven van 4

mm en een onderlinge afstand van 100 mm. Dit krimpnet dient met afstandhouders van 25 mm te

worden bevestigd aan het afgehakte betonoppervlak.

? Het reparatiebeton moet van een homogene samenstelling zijn met een maximale korrel van 16 mm en

een betonklasse B25. Ter controle van de betonkwaliteit dienen per poer tenminste 3 proefkubussen te

worden gemaakt, waarvan de druksterkte moet worden bepaald na 28 dagen verhardingstijd.

? Het beton moet voldoen aan de normen NEN 5950 en NEN 6722.

? De betondekking moet zijn als oorspronkelijk of volgens NEN 3880.

? De betonlevering moet geschieden conform NEN 3502.

? In het beton moet hoogovencement worden gebruikt.

? Hechtsterkte minimaal gelijk aan bestaande beton of volgens CUR21.

? Milieuklasse 5b, consistentiegebied 2.

? Dichtheid volgens ISO 7031.

? Nabehandeling volgens CUR 31.

? Mortel toepassingsklasse volgens Rc2, CUR21

Verder dient het beton gestort te worden in een bekisting. De poeren worden gestort tot onder de vloerplaat. Het betonspecie-oppervlak dient goed te worden dicht geschuurd en moet worden voorzien van voldoende afschot. De eventueel ontstane krimpnaad tussen beton en voetplaat moet worden geïnjecteerd met een flexibele injectiehars.

Verdere informatie

[…]

Levertijd

Onder bovenstaande “leverdatum” wordt de datum aangegeven waarop met de werkzaamheden wordt aangevangen.

Oplevering dient op uiterlijk 9 april 2004 plaats te vinden.

Hierbij wordt er van uitgegaan dat eind week 2004-16 de gehele fundering volledig kan worden belast.”

2.11 In de NEN-norm 6722 is met betrekking tot de verwijdering van de bekisting van het beton onder meer het volgende bepaald:

“12.11.3 Tijdstip van ontkisten

De bekisting mag worden verwijderd zodra dit zonder gevaar voor verlies van evenwicht en van de vereiste vorm van het constructiedeel kan gebeuren.

OPMERKING 1 […]

OPMERKING 2 Bekistingen worden onderverdeeld in niet-dragende bekistingen, zoals de zijbekisting van balken, wanden en kolommen, en dragende bekistingen, zoals de onderbekisting van vloeren en balken.”

2.12 Twee medewerkers van VSB zijn op maandag 29 maart 2004 begonnen met het herstel van de poeren. Ze hebben het beton aan de noordelijke poer (hierna: poer 4) weggehakt en daarna, in afwachting van het storten van nieuw beton bij deze poer, een aanvang gemaakt met het weghakken van het beton bij de zuidelijke poer (hierna: poer 2). Aan het einde van de middag is het beton bij poer 4 aangestort.

Op dinsdag 30 maart zijn de medewerkers van VSB verdergegaan met het vrijhakken van de wapening van poer 2 en, na het aanbrengen van een bekisting rond deze poer, zijn ze vervolgens overgegaan tot het vrijhakken van de wapening van de oostelijke poer (hierna: poer 1). Terwijl ze hiermee bezig waren is rond 15.00 uur de mast omgevallen.

2.13 Bij de val heeft de mast de aan DPO toebehorende pijpleiding doorboord. Hierdoor is een hoeveelheid van ongeveer 206.000 liter kerosine uit de pijpleiding weggelekt. Een groot deel van de uitgestroomde kerosine is vervolgens richting het baanvak van de spoorlijn Sittard-Maastricht gestroomd.

2.14 Nadat de calamiteit zich had voorgedaan, heeft ProRail maatregelen genomen ter voorkoming van het doorlekken van de uitgestroomde kerosine naar het grondwater. De maatregelen bestonden onder meer uit het afgraven en afvoeren van de vervuilde grond en het aanbrengen van schone grond.

2.15 Voorts zijn de gemeenten Beek en Stein - en met name de brandweerkorpsen van beide gemeenten - opgetreden ter voorkoming c.q. beperking van (verdere) schade. Datzelfde is gebeurd door DPO, die ondermeer de afsluiters in de kerosineleiding handmatig heeft afgesloten.

2.16 In opdracht van de gemeente Beek heeft TNO een onderzoek ingesteld naar de oorzaak van het omvallen van de mast. Haar bevindingen zijn neergelegd in het rapport d.d. 17 juli 2004. In opdracht van ProRail heeft prof. ir. H.H. Snijder op 20 februari 2005 aan ProRail een rapport uitgebracht over de oorzaak van het omvallen van de mast. Op 22 januari 2006 heeft Snijder nog een aanvullend verslag uitgebracht. Voorts is van de zijde van Essent, door het buro Iv-Bouw&Industrie b.v., een rapport uitgebracht, met daarin haar bevindingen omtrent de oorzaak van het omvallen van de mast.

2.17 ProRail heeft bij brief van 10 juni 2004 Essent Netwerk aansprakelijk gesteld voor de schade die ProRail door de verontreiniging van de grond heeft geleden en heeft Essent Netwerk tevens verzocht om betaling van een voorschot van € 3.000.000,- ter dekking van de tot op dat moment gemaakte kosten. Bij brief van 10 juni 2004 is ook VSB door ProRail voor deze schade aansprakelijk gesteld.

Essent Netwerk en VSB hebben beiden aansprakelijkheid afgewezen. ProRail heeft Essent en VSB vervolgens op 4 april 2005 gedagvaard en heeft jegens hen een verklaring voor recht gevorderd dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door ProRail geleden schade.

2.18 Essent Netwerk heeft, naar aanleiding van de dagvaarding door ProRail, VSB, de Staat, de provincie, de gemeenten Beek en Stein, alsmede Kema in vrijwaring opgeroepen.

2.19 Op verzoek van Kema hebben op 22 juni 2005 ten overstaan van de rechtbank Arnhem voorlopige getuigenverhoren plaatsgevonden met betrekking tot de rol die Essent heeft gespeeld bij het opstellen van het adviesrapport van Kema. In het kader van dit verhoor zijn drie medewerkers van Kema, de heren [Medewerker 3 van Kema], [Medewerker 2 van Kema] en [Medewerker 1 van Kema], als getuigen gehoord. Een afschrift van het van deze verklaringen opgemaakte proces-verbaal is door Essent in het geding gebracht.

3. Het geschil

3.1 Essent vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden veroordeelt:

- (hoofdelijk) tot betaling van al hetgeen waartoe Essent in de procedure met rolnummer 05/369 tussen ProRail als eiser en Essent en VSB als gedaagden zal worden veroordeeld (inclusief de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten tot aan de datum van dagvaarding) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van betaling;

- tot betaling van de proceskosten waartoe Essent in de hoofdzaak tegen ProRail mocht worden veroordeeld;

- tot betaling van de kosten van deze procedure.

3.2 Alle gedaagden hebben tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank zal hierna ingaan op de grondslag van de vordering en het daartegen gevoerde verweer.

4. De beoordeling

1. In de procedure tegen Kema

4.1 Aan haar vordering jegens Kema heeft Essent ten grondslag gelegd dat Kema toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tot advisering inzake de mast.

Kema heeft, aldus Essent, in haar rapport vermeld dat de ankers in de betonpoeren via schieters en haarspelden waren verbonden met de wapening in de onderliggende funderingsplaat. Deze vermelding was feitelijk onjuist. Gezien de haar ter beschikking staande gegevens had Kema van deze onjuiste voorstelling niet mogen uitgaan. Uit de belastingsberekeningen van de poeren volgde namelijk dat van een doorverbinding met schieters geen sprake kon zijn.

Indien Kema van oordeel was geweest dat zij op grond van de ter beschikking gestelde gegevens geen uitspraak kon doen over het al dan niet aanwezig zijn van een doorkoppeling tussen de ankers van de poeren en de wapening in funderingsplaat, zoals zij herhaaldelijk in gesprekken met medewerkers van Essent aan de orde heeft gesteld, dan had dat voor haar aanleiding moeten zijn voor een nader onderzoek. Zij had in ieder geval niet zomaar van de aanwezigheid van een doorkoppeling mogen uitgaan.

Kema heeft op grond van de onjuiste veronderstelling met betrekking tot de fundering van de mast aan Essent een onjuist advies gegeven met betrekking tot de wijze waarop de herstelwerkzaamheden aan de poeren moesten worden uitgevoerd. In het bijzonder heeft Kema er in haar adviesrapport niet op gewezen dat de werkzaamheden aan de poeren moesten worden verricht met tussenpozen, waarin voldoende tijd werd genomen om het reparatiemortel te laten uitharden.

Kema zou slechts aan haar zorg van een goed opdrachtnemer hebben voldaan, als haar advies ondubbelzinnig een werkwijze zou hebben aanbevolen waarbij de val van de mast was uitgesloten.

Gezien het voorgaande heeft Kema de haar verstrekte opdracht niet als een zorgvuldig opdrachtnemer uitgevoerd, zodat zij jegens Essent aansprakelijk is voor de schade die daaruit is ontstaan.

4.2 Kema heeft betwist dat uit de door Essent ter beschikking gestelde tekeningen en statische berekeningen van de mast met zekerheid kon worden geconcludeerd dat de ankers niet met schieters en haarspelden met de wapening van de onderliggende funderingsplaat waren verbonden. Uit de schriftelijke informatie van Essent kon niet worden vastgesteld welke constructie was toegepast.

De kwestie van de constructie van de fundering is vervolgens herhaaldelijk besproken tussen Kema en Essent. Door de heer [Medewerker van Essent], die bij Essent verantwoordelijk was voor het project, is daarop bij voortduring en met stelligheid verklaard dat de ankers in de poeren met de wapening in de funderingsplaat waren doorverbonden. Het was ook [Medewerker van Essent] die Kema heeft verzocht om dit in het definitieve eindrapport op te nemen. Kema had op dat moment geen redenen om te twijfelen aan de uitlatingen van [Medewerker van Essent], omdat masten uit de tijd waaruit ook de omgevallen mast stamde veelal van een dergelijke doorverbinding waren voorzien.

Desondanks heeft Kema zekerheidshalve in haar rapport voorgeschreven dat de herstelwerkzaamheden aan de fundering van de mast ‘poer voor poer’ moesten worden uitgevoerd. Essent heeft zelf nagelaten om dit advies over te nemen bij het verstrekken van de opdracht aan VSB.

Waren de werkzaamheden conform het advies van Kema uitgevoerd, dan was de stabiliteit van de mast niet in gevaar gekomen. Gezien deze gang van zaken is Kema niet tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst.

4.3 De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Kema heeft gemotiveerd gesteld dat zij uit de door Essent ter beschikking gestelde tekeningen en statische berekeningen van de mast niet kon afleiden of de ankers in de poeren via schieters en haarspelden waren doorverbonden met de wapening in de funderingsplaat. In ieder geval volgde volgens Kema uit de ter beschikking gestelde gegevens niet dat er geen sprake was van een dergelijke doorverbinding. Daartoe heeft Kema onder meer aangevoerd dat in de haar ter beschikking gestelde stukken een berekening van de lengte van de ankers in de poeren ontbrak. Indien de ankerkrachten volledig door de wapening in de poeren zouden worden opgenomen, dan had een dergelijke berekening aanwezig moeten zijn. Met andere woorden: het ontbreken van een dergelijke berekening was een aanwijzing dat de ankers in de poeren door middel van schieters en haarspelden met de wapening van de funderingsplaat waren verbonden.

Essent heeft naar aanleiding van het gemotiveerde verweer van Kema haar stelling, dat uit de berekeningen die aan Kema ter beschikking waren gesteld zonder twijfel volgde dat er geen doorverbinding was tussen de ankers in de poeren en de funderingsplaat, niet nader onderbouwd. Van Essent had mogen worden verwacht dat zij dat wèl had gedaan en dat zij gemotiveerd had aangegeven uit welk onderdeel van de ter beschikking gestelde stukken Kema had kunnen afleiden dat er geen doorkoppeling was tussen de ankers van de poeren en de funderingsplaat en waarom deze gegevens voor de medewerkers van Kema duidelijk hadden moeten zijn. Door dit niet te doen heeft zij haar stelling op dit punt onvoldoende onderbouwd, zodat deze zal worden gepasseerd.

Hieruit volgt dat er in deze procedure van uit moet worden gegaan dat Kema uit de schriftelijke gegevens die Essent haar ter beschikking had gesteld, niet heeft kunnen afleiden dat er in de fundering van de mast geen verbinding was tussen de ankers in de poeren en de wapening in de funderingsplaat. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat Kema, waar het gaat om het analyseren van de schriftelijk ter beschikking gestelde gegevens, is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met Essent Netwerk.

4.4 De vraag die vervolgens ter beantwoording voorligt is of Kema heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij als opdrachtnemer tegenover Essent in acht behoorde te nemen, door ondanks het ontbreken van informatie in de schriftelijke stukken toch in haar adviesrapport op te nemen dat de fundering van de mast was voorzien van een doorverbinding tussen de ankers van de poeren en de wapening van de funderingsplaat en door ten aanzien van de wijze van herstel te volstaan met de opmerking dat de reparatie ‘poer voor poer’ moest worden uitgevoerd.

4.5 Uit de stellingen van beide partijen volgt dat Kema haar twijfels, die zij op grond van de schriftelijke stukken had omtrent de aanwezigheid van een doorverbinding tussen de ankers van de poeren en de wapening van de funderingsplaat, verschillende keren in gesprekken met [Medewerker van Essent] van Essent aan de orde heeft gesteld. Volgens Kema heeft [Medewerker van Essent] daarop herhaaldelijk en expliciet verklaard dat een dergelijke doorverbinding in de fundering van de mast aanwezig was; het was ook [Medewerker van Essent] die Kema verzocht dit in het rapport op te nemen.

4.6 Ter onderbouwing van haar stellingen over deze gang van zaken heeft Kema verwezen naar de verklaringen van de getuigen [Medewerker 1 van Kema], [Medewerker 3 van Kema] en [Medewerker 2 van Kema] die zij in het kader van een voorlopig getuigenverhoor door de rechtbank Arnhem heeft laten horen.

Getuige [Medewerker 1 van Kema] heeft tijdens het verhoor onder meer het volgende verklaard:

“Er was brand uitgebroken bij de mast. [Medewerker van Essent], destijds hoofd-verbindingen bij Essent, die wij kenden, belde ons op met het verzoek Essent te helpen.[…]

De volgende dag hebben [Medewerker 2 van Kema], [Medewerker 3 van Kema] en ik een telefonische conferentie met [Medewerker van Essent] gehad over de mast. Tijdens dat gesprek waren wij het erover eens dat de betonconstructie voldoende stevig was om de verticale drukcomponenten van de mast op te vangen. [Medewerker 3 van Kema] heeft herhaaldelijk tegen [Medewerker van Essent] gezegd zich zorgen te maken over de verticale trekkracht. Volgens hem was de constructie zodanig aangetast, dat de constructie de verticale kracht niet meer kon opnemen. […]

[Medewerker van Essent] antwoordde dat hij deze zorgen niet deelde, omdat er in het beton een stalen verankeringsconstructie was die de kracht zou afdragen. […]

Ongeveer 2 weken later hadden [Medewerker 2 van Kema] en ik een bespreking met [Medewerker van Essent] in Waalwijk. […]

[Medewerker 2 van Kema] heeft toen duidelijk gezegd welke krachtcomponenten de hulpconstructies wel konden opvangen en welke niet. Hij heeft toen gezegd dat de hulpconstructie de verticale trek op de poeren niet kon overnemen. [Medewerker van Essent] heeft toen herhaald dat hij zich daarover geen zorgen maakte, omdat er een verankeringsconstructie was die de verticale trek kon afdragen.”

Getuige [Medewerker 3 van Kema] heeft onder meer het volgende verklaard.

“Ik heb met name mijn zorg uitgesproken dat de mast zou kunnen omvallen. Tuien zouden zonder meer moeten worden uitgevoerd, zo heb ik aanbevolen. Volgens [Medewerker van Essent] was het niet nodig om met palen de fundering te verstevigen, omdat het staal via een verankering in het beton was verbonden met de funderingsplaat. […]

In de gesprekken met [Medewerker van Essent] heeft vooral [Medewerker 2 van Kema], zo heb ik destijds al vernomen, regelmatig gezegd dat de verticale trek volgens hem een probleem was. [Medewerker van Essent] wuifde dat telkens weg met de opmerking dat dat geen probleem was omdat de stalen verankering in het beton via schieters en haarspelden was doorgeleid naar de funderingsplaat. [Medewerker van Essent] heeft tijdens de eerste telefonische bespreking niet gesproken over schieters en haarspelden. Hij heeft er wel over gesproken tijdens de bespreking die [mijn collega] en ik met hem op 15 januari 2004 hadden om de passages over de betonreparaties in het concept rapport te bespreken. [Medewerker van Essent] en ik heb samen de opties voor reparatie besproken en de beste aanpak geformuleerd. [Medewerker van Essent] vroeg mij dat in het rapport op te nemen. Hij vertelde over de schieters en haarspelden. Hij vroeg ons dit op te nemen in ons definitieve rapport. Ik heb [Medewerker van Essent] nog gevraagd of hij het zeker wist dat de verankering door middel van schieters en haarspelden met de funderingsplaat waren verbonden. Hij antwoordde dat hij dat zeker wist en dat ik dat met een gerust hart in het rapport kon opnemen. […]

Als er schieters en haarspelden zouden zijn geweest, zou de reparatie zonder extra beveiligingsmaatregelen kunnen worden uitgevoerd, mits de reparatie poer voor poer zou worden uitgevoerd.”

Tenslotte heeft de getuige [Medewerker 2 van Kema] verklaard:

“Op 2 oktober 2003 zijn [Medewerker 1 van Kema] en ik naar [Medewerker van Essent] in Waalwijk gegaan. De hulpconstructies waren inmiddels aangelegd. [Medewerker van Essent] vroeg ons deze te beoordelen. […]

De hulpconstructies konden wel de verticale drukkrachten opnemen, maar niet de verticale trekkrachten en de horizontale krachten. Dat hebben wij hem verteld. [Medewerker van Essent] antwoordde dat hij zich geen zorgen maakte over de verticale trekkrachten in verband met de stalen verankeringsconstructie in de funderingsplaat. Concreet moesten wij hem dus adviseren over de verticale drukkrachten en de horizontale krachten. Bij het weggaan heb ik expliciet gezegd dat Kema niet de verticale trekkrachten zou beoordelen. […]

Op, ik meen, 10 oktober 2003 heb ik telefonisch overleg gehad met [Medewerker van Essent]. […]

Ik heb nog herhaald dat ik niet zou adviseren over de verticale trekkrachten. [Medewerker van Essent] antwoordde dat dat klopte en dat het niet nodig was. […]”

4.7 Essent heeft hierop als volgt gereageerd.

In de dagvaarding (onder 81) heeft Essent gesteld dat zij nooit de indruk heeft gewekt dat Kema er vanuit mocht gaan dat de poeren met de wapening aan de funderingsplaat waren verbonden. In haar conclusie van repliek (onder 26) heeft ze dit afgezwakt tot de stelling dat [Medewerker van Essent] nimmer aan Kema zou hebben ‘verzekerd’ dat een dergelijke verankeringsconstructie aanwezig was. Essent ontkent daarmee niet langer dat [Medewerker van Essent] mededelingen heeft gedaan aan Kema over de aanwezigheid van een verbinding tussen de poeren en de funderingsplaat. Tijdens de pleidooizitting heeft Essent vervolgens de door Kema tijdens die zitting opnieuw naar voren gebrachte stelling, dat [Medewerker van Essent] herhaaldelijk en expliciet heeft verklaard dat er in de fundering een verbinding tussen de poeren en de funderingsplaat aanwezig was en dat hij had verzocht om dit in het rapport op te nemen, in het geheel niet meer betwist.

Kortom: Essent heeft de juistheid van de getuigenverklaringen over de handelwijze van [Medewerker van Essent] niet, althans volstrekt onvoldoende gemotiveerd betwist. Essent heeft verder niet betwist dat het handelen van [Medewerker van Essent] aan Essent Netwerk kan worden toegerekend. Gelet hierop zal de rechtbank de stellingen van Kema tot uitgangspunt nemen en Essent, ondanks een uitdrukkelijk aanbod daartoe bij repliek gedaan, niet tot bewijslevering toelaten.

4.8 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat Kema heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij als een behoorlijk handelend opdrachtnemer behoorde te betrachten, door in het rapport op te nemen dat in de fundering van de mast een doorverbinding was aangebracht tussen de ankers in de poeren en de wapening in de funderingsplaat.

Voor zover Essent heeft beoogd te stellen dat een opdrachtnemer die afgaat op mondeling door de opdrachtgever verstrekte gegevens - zonder de juistheid hiervan te toetsen - onder alle omstandigheden handelt in strijd met de zorgvuldig die van een redelijk handelend opdrachtnemer verlangd mag worden, vindt deze stelling geen steun in het recht. Als opdrachtnemer had Kema de verantwoordelijkheid om een advies op te stellen over het waarborgen van de stabiliteit van de mast op korte termijn en over de herstelwerkzaamheden die nodig waren om ook op lange termijn de stabiliteit te garanderen. Voor de verkrijging van de technische gegevens betreffende de mast die Kema nodig had om haar advies te kunnen opstellen, was zij afhankelijk van Essent. Daartoe had Essent een aantal tekeningen en schriftelijke berekeningen verstrekt, op de juistheid waarvan Kema in beginsel mocht vertrouwen. Toen het Kema bleek dat zij onvoldoende gegevens had om met zekerheid uitsluitsel te kunnen geven over de constructie van de fundering van de mast, was zij voor het verstrekken van de aanvullende gegevens aangewezen op Essent. Essent bleek op dat moment niet in staat om door middel van de verstrekking van schriftelijke bescheiden de ontbrekende informatie te verschaffen (hoewel achteraf is komen vast te staan dat Essent wèl in het bezit was van een tekening van de fundering van de mast waaruit zonder meer blijkt dat de ankers in de poeren niet door middel van schieters en haarspelden zijn verbonden met de wapening in de funderingsplaat!). Van de zijde van Essent werd door [Medewerker van Essent] vervolgens herhaaldelijk en met stelligheid verklaard dat de ankers in de poeren wèl waren verbonden met de wapening van de funderingsplaat.

Kema mocht (1) gezien de deskundigheid die zij van Essent als gebruiker van de hoogspanningslijnen mocht verwachten, (2) gezien het feit dat de mededelingen van [Medewerker van Essent] over de fundering van de mast niet in tegenspraak waren met de wel verstrekte schriftelijke berekeningen en (3) gezien de omstandigheid dat een doorkoppeling in de fundering niet ongewoon was, vertrouwen op de juistheid van die mondeling verstrekte gegevens.

4.9 Gezien het voorgaande heeft Kema bij het opstellen van haar advies niet onzorgvuldig jegens Essent gehandeld door met betrekking tot de constructie van de fundering af te gaan op de mondeling door [Medewerker van Essent] verstrekte gegevens. Dit was ook daarom niet onzorgvuldig, omdat het rapport ten behoeve van Essent werd opgesteld en het juist [Medewerker van Essent] als verantwoordelijke binnen Essent duidelijk was dat het rapport met betrekking tot de constructie van de fundering niet was gebaseerd op tekeningen en berekeningen van de mast, maar op zijn eigen mededelingen. De stellingen van Essent op dit punt leiden dan ook niet tot het oordeel dat Kema is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst.

4.10 Tot slot heeft Essent gesteld dat Kema slechts aan haar zorg van een goed opdrachtnemer zou hebben voldaan, als ondubbelzinnig een werkwijze was aanbevolen waarbij het omvallen van de mast was uitgesloten. In dat verband had Kema, volgens Essent, bij haar opmerking dat de werkzaamheden ‘poer voor poer’ moesten worden uitgevoerd, duidelijk moeten aangeven dat dit inhield dat pas aan herstel van een volgende poer kon worden begonnen, als het beton van de daarvoor herstelde poer voldoende was uitgehard.

4.11 Naar het oordeel van de rechtbank kon het advies van Kema om de werkzaamheden ‘poer voor poer’ uit te voeren, niet anders worden opgevat dan dat was bedoeld dat pas aan het herstel van een volgende poer kon worden begonnen, als de werkzaamheden aan de voorafgaande poer waren afgerond en deze poer de door de mast uitgeoefende trekkrachten weer kon weerstaan. Het advies impliceerde dan ook dat pas aan de volgende poer kon worden begonnen, als het beton van de herstelde poer voldoende is uitgehard. Slechts op deze wijze uitgelegd heeft het advies betekenis. Daarmee mist de stelling van Essent, dat Kema niet expliciet genoeg is geweest over de wijze waarop de werkzaamheden moesten worden uitgevoerd, feitelijke grondslag.

4.12 De conclusie uit het voorgaande is dat niet kan worden geoordeeld dat Kema bij het opstellen van het rapport toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens Essent. Dat betekent dat de daartoe aangevoerde grond niet kan leiden tot toewijzing van het door Essent gevorderde. Andere gronden om dat te doen zijn niet gesteld of gebleken, zodat de vordering van Essent op Kema zal worden afgewezen. De overige - niet weergegeven - verweren van Kema behoeven daarom geen bespreking.

4.13 Essent zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van Kema gevallen en tot op heden begroot op € 244,- aan vast recht en op € 1.808,- (4 punten à € 452,-) aan salaris procureur.

2. In de procedure tegen VSB

4.14 Aan de vordering jegens VSB heeft Essent allereerst ten grondslag gelegd dat VSB toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de met Essent Netwerk gesloten overeenkomst. Ter onderbouwing van deze grondslag voert Essent drie argumenten aan.

- VSB heeft in de eerste plaats wanprestatie jegens Essent gepleegd, omdat zij de uitdrukkelijke instructie om het herstel van de mast ‘poer voor poer’ uit te voeren niet heeft opgevolgd. Deze instructie is op de ochtend van de aanvang van de werkzaamheden door VSB op 29 maart 2004 in ieder geval twee keer telefonisch door de heer Norbart van Essent aan medewerkers van VSB gegeven, eerst aan de heer Van Es en later aan (waarschijnlijk) de heer Kooijman. Bovendien volgt uit de omstandigheid dat Essent in de offerteaanvraag had vermeld dat voor de werkzaamheden drie weken werden uitgetrokken, dat de werkzaamheden niet achter elkaar mochten worden uitgevoerd. VSB heeft zich niet aan deze instructie gehouden, doordat zij aan meerdere poeren tegelijk bezig was en in ieder geval het nieuw aangestorte beton van de reeds herstelde poer niet voldoende lang heeft laten uitharden alvorens met de werkzaamheden aan de volgende poer werd begonnen. In dit opzicht is bovendien van belang dat VSB niet heeft gewerkt volgens de richtlijnen van de toepasselijke norm NEN 6722, op grond waarvan minimaal vier tot zes dagen had moeten worden gewacht op het uitharden van het beton aan de herstelde poer, voordat mocht worden begonnen met de werkzaamheden aan de volgende poer.

- Ten tweede is VSB tekortgeschoten, omdat Essent Netwerk bij de verlening van de opdracht uitdrukkelijk als voorwaarde had gesteld dat de stabiliteit van de mast niet in gevaar mocht worden gebracht. VSB heeft deze voorwaarde geschonden, onder meer door de stalen hulpconstructie niet ongewijzigd op de plaats te laten.

- Tot slot heeft VSB wanprestatie gepleegd, omdat op haar, afgezien van de door Essent Netwerk gegeven instructies, een eigen verantwoordelijkheid rustte om ervoor te waken dat tijdens de werkzaamheden de stabiliteit van de mast niet in gevaar zou worden gebracht. Dit impliceert dat er op VSB een zelfstandige onderzoeksplicht lag ten aanzien van de constructie van de mast. Op grond van de gegevens die VSB met betrekking tot de mast in haar bezit had, had zij kunnen weten dat er geen koppeling was tussen de ankers in de poeren en de wapening in de funderingsplaat. Door er zonder meer vanuit te gaan dat een dergelijke doorkoppeling wel aanwezig was, heeft zij niet gehandeld als een redelijk bekwaam aannemer.

4.15 Daarnaast is VSB volgens Essent jegens haar contractueel aansprakelijk voor de schade als gevolg van het omvallen van de mast, omdat VSB op grond van paragraaf 6 onderdeel 9 van de op de tussen Essent Netwerk en VSB gesloten overeenkomst toepasselijke UAV gehouden is om Essent te vrijwaren voor aanspraken van derden.

4.16 Tenslotte stelt Essent dat VSB tevens onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, omdat zij de werkzaamheden aan de mast onzorgvuldig heeft uitgeoefend. Om die reden is VSB ook op grond van de artikelen 6:162 BW en volgende jegens Essent aansprakelijk tot vergoeding van de schade die Essent door het omvallen van de mast heeft geleden.

4.17 VSB heeft de stelling van Essent dat zij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst betwist.

Daartoe heeft zij allereerst aangevoerd dat Essent vóór de aanvang van de werkzaamheden geen instructie heeft gegeven dat deze ‘poer voor poer’ moesten worden uitgevoerd. Bepalend voor de wijze waarop zij de herstelwerkzaamheden moest uitvoeren, waren de instructies die Essent Netwerk had vermeld in haar schriftelijke opdracht aan VSB van 16 maart 2004. Daarin was niet opgenomen dat de werkzaamheden ‘poer voor poer’ moesten worden uitgevoerd. Evenmin is op de ochtend van de aanvang van de werkzaamheden door de heer Norbart deze instructie telefonisch doorgegeven aan haar medewerkers Van Es en Kooijman. Ook anderszins is deze instructie niet gegeven.

Dat Essent nimmer de opdracht heeft verstrekt om ‘poer voor poer’ te werken, in die zin dat pas met de werkzaamheden aan een volgende poer mocht worden begonnen als het beton van de voorafgaand herstelde poer was uitgehard, blijkt, aldus VSB, ook uit het feit dat Essent in de schriftelijke opdracht van 16 maart 2004 als opleverdatum 9 april 2004 had gesteld. Omdat de door Essent Netwerk voorgeschreven betonsoort een uithardingstijd had van vier weken, was voor de werkzaamheden tenminste een periode van twaalf weken nodig geweest, als moest worden gewerkt op de wijze die Essent thans stelt te hebben voorgeschreven. De opzichters van Essent, die op de werkplek aanwezig waren en die de werkzaamheden begeleidden, hebben telkens toestemming gegeven om met het herstel van de volgende poer te beginnen, hoewel het beton van de daarvoor herstelde poer nog niet was uitgehard. Ook daaruit volgt, aldus VSB, dat een instructie om ‘poer voor poer’ te werken niet is gegeven.

4.18 De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

De stelling van Essent dat VSB jegens haar aansprakelijk is voor de ontstane schade, omdat VSB toerekenbaar is tekortgeschoten ten aanzien van de instructie om ‘poer voor poer’ te werken treft alleen doel als deze instructie deel uitmaakte van de overeenkomst tussen partijen. In de schriftelijke opdracht van 16 maart 2004 aan VSB (weergegeven onder 2.10) heeft Essent de instructie dat de werkzaamheden ‘poer voor poer’ moesten worden uitgevoerd niet opgenomen. Deze instructie kan dus slechts onderdeel hebben uitgemaakt van de overeenkomst, als partijen dit achteraf alsnog zijn overeengekomen.

4.19 Volgens Essent is dat het geval. Zij stelt - door VSB betwist - dat deze instructie voorafgaand aan de werkzaamheden, op de dag van de aanvang ervan, door de heer Norbart van Essent telefonisch aan de medewerkers Van Es en Kooijman van VSB is medegedeeld. Om die reden had de instructie volgens Essent moeten worden opgevolgd.

De rechtbank kan Essent in deze opvatting niet volgen. De mondelinge instructie om de eerder overeengekomen werkzaamheden op een bepaalde wijze uit te voeren had slechts onderdeel kunnen worden van de reeds eerder gesloten schriftelijke overeenkomst, als zij was gegeven aan en geaccepteerd door degene die binnen VSB bevoegd was om de desbetreffende overeenkomst (aan te gaan en) te wijzigen. Een mondelinge mededeling aan uitvoerende medewerkers van VSB op de dag dat deze met de werkzaamheden een aanvang namen, gedaan (volgens de eigen stellingen van Essent) in een gesprek dat plaatsgevond op initiatief van de medewerkers van VSB in verband met een geheel andere kwestie, kon er niet toe leiden dat de instructie onderdeel werd van de overeenkomst die met VSB was gesloten. Dat zou anders zijn geweest, als tussen partijen was overeengekomen dat de werkzaamheden (mede) onder toezicht van Essent zouden worden uitgevoerd. Dat hiervan sprake was, is echter gesteld noch gebleken.

4.20 Ter ondersteuning van haar stelling dat VSB op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst ‘poer voor poer’ had moeten werken, heeft Essent nog aangevoerd dat de werkzaamheden op grond van de overeenkomst volgens de NEN-norm 6722 dienden te worden verricht. Ook daaruit volgt, volgens Essent, dat VSB de werkzaamheden niet achter elkaar had mogen uitvoeren, maar dat het beton vier tot zes dagen had moeten uitharden.

4.21 De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Nog afgezien van het feit dat VSB heeft betwist dat de NEN-norm 6722 van toepassing was op de uitvoering van de werkzaamheden, kan uit hetgeen Essent ter zake heeft gesteld niet worden geconcludeerd dat VSB ‘poer voor poer’ had moeten werken. De NEN-norm 6722 geeft normen voor het ontkisten van gestort beton en de uithardingstermijnen die in dat opzicht in acht moeten worden genomen. Blijkens deze norm heeft zij als doel om bij ontkisting verlies van evenwicht en vereiste vorm van het te ontkisten constructiedeel te voorkomen. In dit verband wordt nog een onderscheid gemaakt tussen dragende en niet-dragende bekisting. Uit de NEN-norm volgt dus niet dat zij (mede) als doel heeft om de stabiliteit van de gehele constructie te waarborgen, zodat uit de eventuele toepasselijkheid van deze norm niet kan worden afgeleid dat VSB in verband met het waarborgen van de stabiliteit van de mast als geheel ‘poer voor poer’ had moeten werken.

4.22 Uit het voorgaande volgt dat VSB door niet ‘poer voor poer’ te werken niet heeft gehandeld in strijd met een overeengekomen instructie en dat zij in dit opzicht dus niet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met Essent Netwerk.

4.23 Essent heeft aan haar stelling, dat VSB tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, mede ten grondslag gelegd dat VSB in strijd heeft gehandeld met de voorwaarde uit de overeenkomst om de stabiliteit van de mast niet in gevaar te brengen, onder meer door de stalen hulpconstructie niet ongewijzigd in stand te laten.

4.24 VSB heeft meerdere keren aangegeven dat deze stelling iedere feitelijke grondslag mist. Deze betwisting wordt ondersteund door de foto’s van de mast, die zijn gemaakt na het omvallen ervan en die deel uitmaken van het procesdossier. Nu Essent naar aanleiding van de herhaalde betwistingen van de zijde van VSB haar stelling niet nader heeft onderbouwd, heeft zij op dit punt niet aan haar stelplicht voldaan, zodat deze stelling zal worden gepasseerd.

4.25 Voor zover Essent heeft beoogd te stellen dat VSB aan Essent Netwerk een garantie had gegeven dat de mast tijdens de werkzaamheden niet zou kantelen, nu in de opdracht van 16 maart 2004 als voorwaarde was opgenomen dat onder geen voorwaarde de stabiliteit van de mast in gevaar mocht worden gebracht, kan die stelling van Essent niet worden gevolgd.

De voorwaarde dat de stabiliteit van de mast niet in gevaar mocht worden gebracht, is in de opdracht in direct verband gebracht met de verplichting om tijdens en na afronding van de werkzaamheden de stalen hulpconstructie in stand te laten. Blijkens de tekst van de voorwaarde en de context waarin zij wordt gesteld heeft zij niet beoogd om op VSB een algemene verplichting te leggen om er voor in te staan dat tijdens de werkzaamheden aan de fundering de mast niet zou omvallen. Essent geeft aan de desbetreffende voorwaarde daarom een uitleg die in strijd is met haar kennelijke strekking.

4.26 De vaststelling dat VSB bij de uitvoering van de werkzaamheden niet heeft gehandeld in strijd met enige uitdrukkelijk overeengekomen verplichting die de strekking had om de stabiliteit van de mast te waarborgen, leidt vervolgens tot de vraag of op VSB de zelfstandige verplichting rustte om, zoals Essent als derde argument heeft aangevoerd ter ondersteuning van haar stelling dat VSB wanprestatie heeft gepleegd, een onderzoek in te stellen naar de krachten die op de fundering werden uitgeoefend en te onderzoeken of deze krachten door de fundering konden worden opgevangen, als VSB de voorgeschreven werkzaamheden zou uitvoeren.

4.27 VSB heeft betwist dat op haar een zodanige verplichting rustte. Het doen van een dergelijk onderzoek maakte volgens haar geen deel uit van de opdracht en van VSB kon ook niet worden verwacht dat zij voorafgaand aan het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden voor een bedrag van € 8.500,- een dergelijk uitgebreid onderzoek zou doen. Bovendien was het VSB bekend dat Kema reeds een dergelijk onderzoek had uitgevoerd en dat de instructies van Essent aan VSB waren gebaseerd op de uitkomsten van dat onderzoek. VSB mocht vertrouwen op de deugdelijkheid van het onderzoek van Kema en de daarop gebaseerde instructies.

4.28 De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Op de aannemer rust op grond van artikel 7:754 BW een zelfstandige verplichting om de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kent of redelijkerwijs behoort te kennen. Deze verplichting strekt zich blijkens de bepaling uit tot fouten of gebreken in de door de opdrachtgever verstrekte plannen, tekeningen, berekeningen of bestekken. Deze verplichting brengt dus mee dat de aannemer niet zonder meer mag vertrouwen op de juistheid van de door de aanbesteder opgestelde opdracht of van door deze verstrekte gegevens, maar dat hij gehouden is om de opdrachtgever te waarschuwen als er voor hem aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de verstrekte opdracht dan wel overhandigde gegevens. Of daartoe aanleiding bestaat zal afhangen van alle feiten en omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de opdracht, alsmede van de deskundigheid van de aanbesteder dan wel van derden die bij het opstellen van de opdracht zijn betrokken. Het niet nakomen van deze verplichting levert jegens de opdrachtgever een tekortkoming op in de nakoming van de verbintenis.

4.29 Uit het voorgaande volgt allereerst dat de opvatting van Essent, voor zover Essent met haar stelling dat VSB onzorgvuldig heeft gehandeld door geen zelfstandig onderzoek in te stellen naar de constructie van de fundering van de mast, heeft beoogd aan te voeren dat op VSB onder alle omstandigheden de verplichting rustte om te onderzoeken of Essent Netwerk bij het verstrekken van de opdracht was uitgegaan van de juiste gegevens, geen steun vindt in het recht. Slechts als er voor VSB aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van de aan haar verstrekte opdracht, had zij niet zonder meer mogen overgaan tot het uitvoeren daarvan. In dat geval was zij op grond van artikel 7:754 BW overigens niet gehouden geweest om een zelfstandig onderzoek te doen naar de juistheid van de gegevens, maar had op VSB slechts de verplichting gerust om Essent Netwerk te waarschuwen.

4.30 Door Essent zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd, die - als zij zouden komen vast te staan - leiden tot het oordeel dat er in het onderhavig geval voor VSB aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van de door Essent Netwerk aan haar verstrekte gegevens en instructies. Tussen partijen staat vast dat het mede afhangt van de constructie waarmee de mast aan de fundering is verankerd of de door VSB gevolgde werkwijze, zoals die uit de opdracht voortvloeide, al dan niet verantwoord was. Daaruit volgt dat VSB de door haar gevolgde werkwijze alleen dan niet had mogen volgen, als er voor haar redenen waren geweest om te betwijfelen of in dit concrete geval de constructie van de mast de uitvoering van de opdracht toeliet. Daarvoor was echter geen aanleiding. Omdat de opdracht was gebaseerd op een advies van Kema en VSB er ook van op de hoogte was dat Kema als deskundige betrokken was geweest bij het voorbereiden van de opdracht en, zoals VSB onweersproken heeft gesteld, in dat kader mede een onderzoek had gedaan naar de trekkrachten op de fundering, mocht VSB er op vertrouwen dat de mast op zodanige wijze was gefundeerd dat met de door haar gekozen werkwijze de stabiliteit van de mast niet in gevaar zou komen.

4.31 Ook de omstandigheid dat VSB de beschikking had over de tekeningen en de statische berekeningen van de mast en de mastvoet, leidt - anders dan Essent heeft gesteld - niet tot het oordeel dat VSB de onjuistheden in de opdracht van Essent Netwerk redelijkerwijs had behoren te kennen en haar daaromtrent had moeten waarschuwen. De gegevens met betrekking tot de mast waren door Essent Netwerk niet aan VSB verstrekt in verband met de opdracht tot het verrichten van de herstelwerkzaamheden, maar in verband met het verzoek van Essent Netwerk uit september 2003 om een offerte uit te brengen voor het opstellen van een advies over onder meer het herstel van de mast. De opdracht voor het opstellen van het advies is vervolgens niet aan VSB maar aan Kema verstrekt. Nog afgezien van het feit dat VSB na de verstrekking van de gegevens aan Essent had laten weten dat de verstrekte gegevens, in ieder geval voor haar, niet toereikend waren om inzicht te verkrijgen in de belastbaarheid van de mast, is het niet duidelijk waarom VSB ter gelegenheid van de verstrekking van de opdracht tot het verrichten van herstelwerkzaamheden aan de hand van de in een andere context verstrekte gegevens had moeten controleren of Essent Netwerk dan wel Kema bij het formuleren van de opdracht de gegevens juist had geïnterpreteerd. Juist omdat Essent Netwerk de opdracht had gebaseerd op het advies van Kema, terwijl VSB niet alleen wist dat Kema een advies aan Essent had verstrekt, maar ook dat Kema in verband met het opstellen van dat advies de tekeningen en de statische berekeningen van de mast had gehad, mocht ze erop vertrouwen dat de opdracht gebaseerd was op juiste uitgangspunten over de stabiliteit van de mast.

4.32 Dat laatste zou alleen anders zijn geweest als het voor VSB op basis van de gegevens die haar eerder waren verstrekt zonder meer duidelijk had moeten zijn dat de wijze waarop zij op grond van de door Essent Netwerk geformuleerde opdracht de werkzaamheden wilde uitvoeren, tot instabiliteit van de mast zou leiden. Door Essent zijn echter geen feiten gesteld waaruit volgt dat daarvan sprake was.

4.33 De stelling van Essent, in dit verband gedaan, dat uit de rapportage van prof. ir. H.H. Snijder volgt dat VSB uit de berekeningen van DHV d.d. 23 augustus 1974 had kunnen en moeten afleiden dat er geen doorkoppeling in de fundering aanwezig was, kan niet worden gevolgd. VSB had reeds in het najaar van 2003 aangegeven dat zij uit de haar verstrekte gegevens, waartoe ook het DHV-rapport behoorde, niet kon afleiden op welke wijze de mast was gefundeerd. Indien Essent van oordeel is dat de wijze van fundering van de mast wel uit de berekening van DHV had kunnen worden afgeleid en dat dat bovendien ook voor de medewerkers van VSB zonder meer duidelijk had moeten zijn, dan had van haar mogen worden verwacht dat ze gemotiveerd had aangegeven waarom die berekening zo duidelijk is dat ook de medewerkers van VSB dit hadden behoren te begrijpen. Door dit niet te doen, heeft zij haar stelling onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank deze zal passeren.

4.34 Als tweede grondslag van haar vordering jegens VSB heeft Essent aangevoerd dat VSB op grond van de UAV gehouden is om Essent te vrijwaren voor schade die bij de uitvoering van de werkzaamheden aan derden is toegebracht. VSB heeft de toepasselijkheid van de UAV niet betwist, maar heeft gesteld dat zij op grond van de UAV slechts aansprakelijk is voor schade die te wijten is aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de aannemer en zijn personeel. Daarvan was in casu geen sprake, aldus VSB.

4.35 Nu VSB aansprakelijkheid op grond van de UAV gemotiveerd heeft betwist, had het op de weg van Essent gelegen om dit onderdeel van haar stellingen nader te onderbouwen, in de eerste plaats door overlegging van de betreffende bepalingen uit het UAV en daarnaast door ook verder dit deel van haar vordering inzichtelijk te onderbouwen. Nu Essent dat niet heeft gedaan, heeft zij op dit punt niet aan haar stelplicht voldaan. Deze stelling van Essent zal derhalve worden gepasseerd, zonder dat Essent tot nadere bewijslevering hoeft te worden toegelaten.

4.36 Aan haar stelling dat VSB jegens Essent onrechtmatig heeft gehandeld, heeft Essent geen andere feiten ten grondslag gelegd, dan zij reeds ten grondslag heeft gelegd aan haar stelling dat VSB toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Reeds in de vaststelling dat VSB niet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, en in de motivering die daarvoor is gegeven, ligt besloten dat evenmin kan worden geoordeeld dat VSB onrechtmatig heeft gehandeld jegens Essent.

4.37 Een en ander betekent dat geen van aangevoerde gronden kan leiden tot toewijzing van het door Essent gevorderde. Andere gronden om dat te doen zijn niet gesteld of gebleken, zodat de vordering van Essent jegens VSB zal worden afgewezen. Nu op grond van het vorenoverwogene de vordering van Essent op VSB reeds moet worden afgewe¬zen, behoeven de overige, niet weergegeven, verweren van VSB geen bespreking meer.

4.38 Essent zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van VSB gevallen en tot op heden begroot op € 244,- aan vast recht en op € 1.808,- aan salaris procureur.

3. In de procedure tegen de Staat

4.39 De Staat is volgens Essent gehouden om Essent te vrijwaren voor de schade waarvoor Essent jegens ProRail aansprakelijk is, omdat:

- de Staat eerder, bij de verplaatsing van de leiding, Essent heeft gevrijwaard voor de schade die door de aanleg van de pijpleiding in de nabijheid van de mast zou kunnen ontstaan;

- de Staat, als gebruiker van de ondergrondse leiding, op grond van artikel 6:174 lid 3 BW aansprakelijk is voor de schade die door de lekkage van de leiding is ontstaan;

- de Staat onrechtmatig heeft gehandeld waar het betreft het voorkomen en beperken van de schade;

- de Staat, als houder van de kerosine, op grond van artikel 6:175 BW aansprakelijk is voor de schade die door de uitstroom van de kerosine is veroorzaakt.

De rechtbank zal hierna de grondslagen van de vordering alsmede het door de Staat daartegen gevoerde verweer nader bespreken.

4.40 Essent heeft aan haar vordering tegen de Staat ten eerste ten grondslag gelegd dat Essent voorafgaand aan het verleggen van de pijpleiding aan DPO te kennen heeft gegeven dat zij geen bezwaar had tegen het verleggen van de leiding (in de richting van de mast), zij het onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat Mega Limburg zowel tijdens als na de werkzaamheden aan de leiding niet aansprakelijk zou zijn voor schade die door de aanwezigheid van de hoogspanningslijnen zou ontstaan. Deze voorwaarde heeft zij opgenomen in haar brief van 27 april 1999. Essent heeft daaraan nog toegevoegd dat de Staat er zelf bewust voor heeft gekozen om de pijpleiding in de nabijheid van de mast aan te leggen, zodat het ook om die reden vanzelfsprekend is dat Essent de schade, die door de aanwezigheid van de pijpleiding in de directe omgeving van de hoogspanningsmast is ontstaan, niet wenst te dragen.

4.41 De Staat heeft op dit punt als verweer aangevoerd dat de desbetreffende voorwaarde door Essent destijds is gesteld in het kader van werkzaamheden betreffende het verleggen van de leiding en dat zij dus niet de strekking heeft om ook nadien voor onbepaalde tijd tussen partijen te gelden. De bepaling is opgesteld om te voorkomen dat Essent louter wegens de aanwezigheid van de mast kon worden aangesproken voor een zekere mate van overlast die door die aanwezigheid voor DPO kon ontstaan. Zij strekt er niet toe om Essent te vrijwaren voor schade ten gevolge van het omvallen van de mast. Bovendien hebben deze werkzaamheden destijds niet plaatsgevonden op de plaats waar de mast is omgevallen, maar een paar honderd meter verderop, zodat ook om die reden de vrijwaring geen betrekking heeft op de schade die thans door het omvallen van de mast is ontstaan. Verder, zo heeft de Staat nog aangevoerd, heeft hij destijds gehandeld met Mega Limburg en niet met Essent Netwerk, zodat laatstgenoemde op deze brief geen beroep kan doen.

4.42 De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

De voorwaarde waarop Essent thans een beroep doet, maakt onderdeel uit van een brief van 27 april 1999 van (een bedrijfsonderdeel van) Essent aan DPO, die is geschreven naar aanleiding van het voornemen van DPO om de brandstofleiding om te leggen. Het omleggen van de leiding vond blijkens de aanvang van de brief plaats op het bedrijventerrein Sanderboutlaan in de gemeente Stein en wel tussen de masten 29 en 30. In de brief wordt een aantal voorwaarden geformuleerd die Essent verbindt aan het verlenen van haar toestemming aan het verleggen van de leiding. Deze voorwaarden hebben voor het merendeel betrekking op het voorkomen van schade aan de hoogspanningslijn door de werkzaamheden aan de brandstofleiding. De voorwaarde waarop Essent zich thans tegenover de Staat beroept, heeft blijkens haar formulering als strekking om bovendien aansprakelijkheid van Essent jegens de Staat uit te sluiten voor eventuele schade die de Staat zou kunnen leiden door de enkele aanwezigheid van de hoogspanningslijn in de nabijheid van de brandstofleiding. Gezien de formulering van de bepaling, de verdere inhoud van de brief waarvan zij onderdeel uitmaakt, alsmede de omstandigheden waaronder zij tussen partijen is overeengekomen, volgt daaruit dat partijen met deze bepaling hebben beoogd om de aansprakelijkheid van Essent jegens de Staat uit te sluiten voor de schade, ongemakken en hinder door de aanwezigheid van de mast. Uit de tekst van de bepaling volgt niet dat partijen hiermee hebben beoogd om voor de toekomst de aansprakelijkheid van Essent uit te sluiten voor alle schade die de Staat in verband met de hoogspanningslijn zou kunnen lijden, op willekeurig welke wijze en welke plaats langs de lijn Graetheide-Limmel dan ook ontstaan. De voorwaarde waarmee Essent haar aansprakelijkheid tegenover de Staat heeft beperkt, heeft dan ook geen betrekking op de schade die is ontstaan door het omvallen van mast 33 aan de Schutterstraat te Beek. Uit de tekst van de bepaling volgt zeker niet dat de Staat Essent voor zodanige schade zou vrijwaren. Dat betekent dat de vordering van Essent op de Staat niet op deze grondslag kan worden toegewezen.

4.43 De stelling van Essent dat de Staat door het verleggen van de transportleiding in de richting van de mast het risico heeft aanvaard dat zij aansprakelijk is voor de schade die door het eventueel omvallen van de mast aan de leiding en door de uitstroom van brandstof zou kunnen ontstaan, is feitelijk onvoldoende onderbouw en in juridische zin niet nader uitgewerkt en zal daarom worden verworpen. Nu de Staat niet op grond van de brief d.d. 27 april 1999 jegens Essent aansprakelijk is, behoeft hetgeen door de Staat in dit verband verder als verweer is aangevoerd geen bespreking meer.

4.44 De als tweede grondslag aangevoerde stelling van Essent, dat de Staat als gebruiker van de ondergrondse leiding op grond van artikel 6:174 lid 1 BW aansprakelijk is voor de schade, zal eveneens worden verworpen. Aansprakelijkheid van een gebruiker van een ondergronds werk voor schade die door dat werk bij derden is veroorzaakt, rust blijkens de redactie van artikel 174 lid 3 BW alleen dán op de gebruiker, als ten aanzien van deze gebruiker is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 174 lid 1 BW worden gesteld. Aan die voorwaarden is in het onderhavige geval niet voldaan. Tussen partijen staat vast dat de lekkage in de transportleiding is veroorzaakt doordat de mast van Essent zich met de bovenste traverse door de leiding heeft geboord. Tot op dat moment was de leiding geheel intact. Daarom kan niet gezegd worden dat zij onmiddellijk voorafgaand aan de beschadiging niet voldeed aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan een dergelijke leiding mag stellen en dat zij daardoor gevaar voor personen of zaken opleverde. Al hetgeen partijen verder over de aansprakelijkheid ex artikel 6:174 BW hebben gesteld kan onbesproken blijven.

4.45 Essent heeft in haar pleidooi nog gesteld dat reeds uit de omstandigheid, dat door een enkel lek de enorme uitstroom van kerosine kon ontstaan zoals die zich heeft voorgedaan, volgt dat de transportleiding niet voldeed aan de eisen die daaraan onder de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld. Deze stelling kan niet worden gevolgd. De enkele omstandigheid dat kerosine uit een ondergrondse leiding kan stromen, als daarin door een van buiten komende oorzaak een lek ontstaat, leidt op zichzelf genomen nog niet tot de gevolgtrekking dat daarmee de leiding niet voldoet aan de eisen die daaraan onder de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld. Hoewel van de Staat als leidingbeheerder mag worden verwacht dat hij maatregelen treft die verhinderen dat in het geval van het ontstaan van een lek een onbeperkte uitstroom van vloeistof mogelijk is, heeft Essent niet gesteld welke voorwaarden in dat kader aan de leiding mogen worden gesteld en in welk opzicht de leiding van DPO niet aan die voorwaarden heeft voldaan. Daarmee heeft zij haar stelling op dit punt onvoldoende onderbouwd, zodat de stelling zal worden gepasseerd en Essent ook niet tot het leveren van bewijs op dit punt behoeft te worden toegelaten.

4.46 Als derde grondslag voor de aansprakelijkheid van de Staat heeft Essent aangevoerd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld. Deze stelling heeft Essent allereerst gemotiveerd door te stellen dat de pijpleiding niet zodanig was ingericht dat een relevante uitstroom van kerosine in geval van een calamiteit zou worden voorkomen. Deze stelling valt, gelet op de gegeven onderbouwing, grotendeels samen met de stelling van Essent dat de transportleiding niet voldeed aan de eisen die daaraan op grond van artikel 6:174 BW onder de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld en deelt hetzelfde lot: op de onder 4.44 en 4.45 gegeven gronden zal de rechtbank eraan voorbij gaan. Aanvullend heeft Essent in dit verband gesteld dat de kerosineleiding dient te voldoen aan NEN 3650 en dat de Staat inzicht dient te verschaffen of de leiding voldeed aan NEN 3650 en of de leiding gecertificeerd was. Ook aan deze (vraag)stelling zal de rechtbank als onvoldoende gemotiveerd voorbij gaan. Tenslotte heeft Essent in dit verband gesteld dat fysieke bescherming van een kerosineleiding kan betekenen dat de leiding fysiek (bijvoorbeeld met betonplaten) wordt beschermd. Essent heeft uitsluitend gesteld dat deze fysieke bescherming geboden ‘kan’ zijn, maar niet dát en waaróm dat hier had gemoeten en in hoeverre de leiding niet aan de bescherming voldeed. De rechtbank zal aan deze stelling daarom, als zijnde niet toegelicht, voorbijgaan.

4.47 Dat de Staat jegens Essent aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad heeft Essent voorts gemotiveerd met de stelling dat de Staat na het ontstaan van het lek onvoldoende adequaat heeft gereageerd en onvoldoende maatregelen heeft genomen om de uitstroom van een substantiële hoeveelheid kerosine te voorkomen. Deze stelling heeft Essent met de volgende argumenten nader onderbouwd.

- Het is niet gebleken dat de Staat een bedrijfsnoodplan had in het geval zich een calamiteit met de pijpleiding voordeed dan wel dat dit plan in werking is gesteld.

- Uit de omstandigheid dat er uiteindelijk 206.000 liter kerosine in het milieu is gestroomd, volgt al dat er te weinig is gedaan om de uitstroom te beperken.

- De Staat heeft niets ondernomen om de uitstroom uit het lek te beperken, terwijl dit juist in de eerste uren na de ramp had moeten gebeuren. Zij had hiertoe de aanwezige afzuigwagens kunnen inzetten. Het heeft echter vele uren geduurd voordat er afzuigwagens werden ingezet om de uitgestroomde kerosine op te zuigen. VSH is hiervoor door de Staat veel te laat ingeschakeld en bovendien heeft ook VSH niets gedaan om verdere uitstroom van kerosine te voorkomen.

- Het heeft bovendien twee tot drie uur geduurd voordat de handbediende afsluiters werden dichtgezet, terwijl het geen uren mag duren voordat op deze wijze de uitstroom wordt beperkt.

- De Staat had het Openbaar Ministerie opdracht moeten geven om de plaats van de ramp vrij te geven om het lek te kunnen dichten.

- Het heeft te lang geduurd voordat duidelijk was wat de aard van de vloeistof was, nu het twee of zelfs drie uren heeft geduurd voordat dit was vastgesteld.

- Indien eerder hulp van deskundigen was ingeroepen, was er waarschijnlijk adequater opgetreden, waardoor was voorkomen dat de kerosine op het terrein van ProRail was terechtgekomen.

- De Staat heeft door zijn wijze van optreden gehandeld in strijd met zijn verplichting uit hoofde van artikel 21 Grondwet, dat op de Staat de zorg legt voor de bescherming en verbetering voor het leefmilieu.

Essent stelt dat op grond hiervan moet worden geconcludeerd dat de Staat onvoldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen, geen adequaat rampenplan had, dat althans niet heeft nageleefd, en onvoldoende adequaat heeft gereageerd op het lek raken van de leiding.

4.48 De Staat heeft aansprakelijkheid wegens onrechtmatig handelen betwist, omdat hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem had kunnen worden verwacht om de gevolgen van het omvallen van de mast te beperken. Hij heeft dat verweer als volgt onderbouwd.

- DPO, die verantwoordelijk is voor het onderhoud en beheer van de leiding op Nederlands grondgebied, beschikt over een bedrijfsnoodplan voor het geval zich een calamiteit voordoet. Nadat de directeur van DPO op 30 maart 2004 om 15.50 uur was ingelicht over het feit dat er sprake was van een calamiteit, is het bedrijfsnoodplan direct in werking gesteld en is een crisisteam op het hoofdkantoor van DPO in Noordwijk geformeerd.

- Omdat de leiding op het moment van het ontstaan van het lek niet in bedrijf was, stonden de elektrisch bedienbare afsluiters dicht. Vanuit Albrandswaard en Den Bosch zijn direct medewerkers naar Limburg gereisd om de handbediende afsluiters dicht te zetten. Gelet op de reistijd is SABIC Pipelines ingeschakeld om namens DPO de situatie op de plaats van de ramp waar te nemen. Om 17.15 uur heeft een medewerker van DPO de afsluiter aan de noordzijde van het lek en tussen 17.50 uur en 18.00 uur de afsluiter aan de zuidzijde van het lek dichtgezet. Het inzetten van een helikopter, zoals Essent stelt, was niet sneller geweest, omdat het zonder meer een uur had geduurd voordat een helikopter beschikbaar was geweest.

- Op de plaats van het ongeval had de brandweercommandant inmiddels de alarmfase ‘GRIP 3’ afgeroepen. Dit betekent dat er sprake was van een zeer gevaarlijke situatie, waarbij de brandweer het gezag had en er alleen via de brandweercommandant besluiten konden worden genomen. Uit het oogpunt van veiligheid stond de brandweer het niet toe dat hulpdiensten in de buurt van het lek kwamen.

- De Staat heeft om 16.30 uur op grond van een SOS-contract VSH ingeschakeld om te helpen bij het beperken van de schade. VSH is om 18.30 uur op de plaats van de calamiteit aangekomen en heeft onmiddellijk afzuigwagens ingezet om de gemeente en Sabic Pipelines bij het opzuigen van de kerosine bij te staan. VSH heeft kerosine opgezogen op het bedrijventerrein en op de openbare weg. Daarna heeft VSH verontreinigde grond afgedekt met een laag zand, om te voorkomen dat kerosine de grond zou inlopen.

- Om 19.45 heeft een medewerker van DPO die ter plaatse was aan het hoofdkantoor medegedeeld dat er geen kerosine meer uitstroomde. Pas rond 20.00 uur heeft de brandweer het terrein vrijgegeven. Hierna is het OM begonnen met onderzoek naar het omvallen van de mast. Het handelen van het OM is derhalve niet van invloed geweest op de omvang van de uitstroom.

- Ook nadat de recherche het terrein had vrijgegeven, kon niet direct worden begonnen met het ontgraven van de leiding en reparatie van het lek, omdat de aanwezigheid van de mast een gevaarlijke situatie opleverde. Reparatie was pas mogelijk, nadat de mast uit de leiding was verwijderd. Essent was echter niet bereid om de gehele mast te verwijderen in verband met een onderzoek naar de oorzaak van het kantelen van de mast. Vandaar dat eerst het bovenstuk van de mast moest worden afgeslepen, voordat uiteindelijk kon worden begonnen met het repareren van het lek.

- De grootste uitstroom van kerosine heeft een à twee uur na het ontstaan van het lek plaatsgevonden. De voorstelling van Essent, dat er tot uren na het incident kerosine is uitgestroomd, is onjuist. Daarom had het dichten van het lek minder prioriteit. De aandacht is vooral uitgegaan naar het opruimen van uitgestroomde kerosine, omdat het voorkomen van milieuschade prioriteit had.

4.49 De rechtbank stelt voorop dat, zoals hiervoor onder 4.45 reeds is overwogen, van de Staat als leidingbeheerder mag worden verwacht dat hij maatregelen treft die voorkomen dat bij het ontstaan van een lek een onbeperkte uitstroom van kerosine mogelijk is. Welke maatregelen in dit verband van DPO mogen worden verwacht is afhankelijk van factoren als de kans dat een lek ontstaat en de aard en de ernst van de (mogelijke) gevolgen, een en ander afgezet tegen de technische mogelijkheden om voorzorgsmaatregel te treffen en de kosten daarvan en de (eventuele) gevolgen van de voorzorgsmaatregelen voor het beoogde gebruik van de leiding. De voorzorgsmaatregelen dienen de uitstroom van brandstof in geval van een lek zoveel mogelijk te voorkomen. Daarnaast dienen voorzorgsmaatregelen te worden getroffen die erop zijn gericht om schade zoveel mogelijk te beperken, als er daadwerkelijk door een calamiteit kerosine uit de leiding stroomt dan wel is gestroomd.

Hieruit volgt dat van de Staat mag worden verwacht dat hij een adequaat noodplan heeft, dat hij er voor zorgt dat dit noodplan in geval van calamiteiten daadwerkelijk wordt uitgevoerd en dat hij ook verder al het mogelijk doet en laat doen om schade te beperken. Nalatigheid op een van de genoemde punten is in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.

4.50 Van Essent mag in dit kader worden verwacht dat zij haar stelling dat sprake is van een dergelijke onzorgvuldigheid concreet formuleert en onderbouwt en niet volstaat met het uiten van twijfels en het opwerpen van vragen. Tevens mag van Essent worden verwacht dat zij, bij betwisting van haar stellingen, een nadere onderbouwing geeft en daarin zo concreet mogelijk ingaat op het gevoerde verweer en - opnieuw - niet volstaat met het uiten van twijfels en het opwerpen van vragen. Zoals hierna zal blijken is de rechtbank van oordeel dat Essent op beide punten is tekortgeschoten.

4.51 Zo heeft Essent gesteld dat de Staat in het geheel niet beschikte over een bedrijfsnoodplan dan wel dat zij dit plan na het intreden van de calamiteit niet in werking heeft gesteld. Deze stelling is door de Staat betwist. Onder aanvoering van concrete feiten heeft de Staat gesteld dat DPO beschikte over een bedrijfsnoodplan en heeft de Staat aangegeven wat dit plan inhield. Verder heeft de Staat, opnieuw onder aanvoering van concrete feiten, gesteld dat het bedrijfsnoodplan na de melding van de calamiteit onmiddellijk in werking is gesteld en dat DPO overeenkomstig het plan heeft gehandeld. Naar aanleiding van het gemotiveerde verweer van de Staat had van Essent mogen worden verwacht dat zij, onder aanvoering van nadere feiten en omstandigheden, had aangegeven waarom het bedrijfsnoodplan niet voldoende was dan wel niet goed in werking is gezet. Door dat niet te doen is Essent tekortgeschoten in haar stelplicht, zodat haar stellingen op dit punt zullen worden gepasseerd.

4.52 Ook in verband met het verwijt aan de Staat, dat het te lang heeft geduurd voordat duidelijk was wat de aard van de vloeistof was, is Essent tekortgeschoten in de op haar rustende stelplicht. Op het verweer van de Staat (antwoord 4.25), erop neerkomend dat deze (eventuele) onduidelijkheid haar niet kan worden verweten, omdat zij de aard van de vloeistof in de leiding voldoende bekend had gemaakt, reageert Essent als volgt (repliek 35):

‘Ten onrechte stelt de Staat dat zij voldoende zou hebben kenbaar gemaakt welke vloeistof uit de leiding opborrelde. Feit is dat het vele uren heeft geduurd voordat dit ter plaatse duidelijk is geworden. Dit verwijt treft de Staat.’

Essent geeft echter in het geheel niet aan welk verwijt zij de Staat concreet maakt. Daarnaast heeft Essent in het geheel niet duidelijk gemaakt dát - en waarom - de (kennelijke) onduidelijkheid over de aard van de lekkende vloeistof van invloed is geweest op de aard of de omvang van de schade.

4.53 Op een vergelijkbare wijze schiet tekort de stelling van Essent dat de Staat eerder hulp van deskundigen had dienen in te roepen, waardoor was voorkomen dat de kerosine op het terrein van ProRail terecht was gekomen. De Staat heeft deze stelling weersproken en gewezen op de diverse activiteiten die, al dan niet op haar initiatief en onder haar leiding, zijn ondernomen na het ontstaan van het lek en op de daarmee bereikte resultaten. In dat verband is de Staat ook ingegaan op activiteiten van Sabic en VSH. In de conclusie van repliek (onder 26) volstaat Essent vervolgens (opnieuw) grotendeels met het signaleren van onduidelijkheden en het opwerpen van vragen. Essent schiet aldus tekort in het (nader) onderbouwen van haar stellingen.

4.54 Verder is van belang dat Essent de stelling van de Staat, dat de grootste uitstroom van kerosine gedurende de eerste twee uur na het ongeval (derhalve tot ongeveer 17.00 uur) heeft plaatsgevonden, niet uitdrukkelijk heeft betwist. Evenmin heeft zij de stelling betwist, dat uiterlijk om 19.45 uur de uitstroom definitief was gestopt. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat het grootste deel van de uitgestroomde kerosine onmiddellijk na het omvallen van de mast uit de leiding is gestroomd - méér nog in het eerste uur dan in het tweede - en dat door deze uitstroom het overgrote deel van de schade is ontstaan.

Het is uitdrukkelijk tegen deze achtergrond dat de vraag moet worden beschouwd of de Staat voldoende heeft gedaan om de uitstroom van kerosine uit de leiding te stoppen of te beperken.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat Essent op dit punt is tekortgeschoten in de (nadere) onderbouwing van haar stelling dat de Staat onzorgvuldig gedrag kan worden verweten bij het reageren op het lek in de kerosineleiding.

Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de Staat niet het enige overheidslichaam is dat betrokken was bij het lek in de leiding en dat ter zake diende op te treden en ook daadwerkelijk ís opgetreden. Ook dit punt heeft Essent naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende verdisconteerd in (de nadere uitwerking van) haar stellingen.

4.55 Zo treft, om beide redenen in onderling verband, geen doel de stelling van Essent dat de Staat onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van het stoppen van de daadwerkelijke uitstroom van kerosine uit de leiding op de plaats van het lek. De Staat heeft onbetwist gesteld dat de brandweer alarmnivo ‘GRIP 3’ had afgeroepen en dat dit betekende dat er sprake was van een zeer gevaarlijke situatie, waarbij de brandweer het gezag had en waarin alleen de brandweercommandant besluiten konden worden genomen. Evenmin heeft Essent betwist dat uit een oogpunt van veiligheid de brandweer het niet toestond dat hulpdiensten in de buurt van het lek kwamen en dat pas rond 20.00 uur het terrein werd vrijgegeven. Hieruit volgt dat het vóór die tijd voor de Staat niet mogelijk was om het lek te dichten of om door middel van afzuigwagens de uitstromende kerosine ter plaatste van het lek af te zuigen; hetzelfde geldt voor het door de Staat ingeschakelde bedrijf VSH. Zonder nadere toelichting, die Essent achterwege heeft gelaten, valt niet in te zien waarom de Staat ter zake niettemin een verwijt kan worden gemaakt.

Ook het verwijt dat de Staat de schade heeft vergroot door het Openbaar Ministerie geen opdracht te verstrekken om de plaats van de ramp vrij te geven treft, zo bezien, geen doel. Het Openbaar Ministerie kon pas na 20.00 uur onderzoek doen op de plaats van de ramp; aldus heeft de Staat onweersproken gesteld. Op dat moment was de uitstroom van de kerosine al gestopt. Essent heeft niet aangegeven waarom de Staat niettemin had moeten optreden in de richting van het Openbaar Ministerie.

4.56 Aldus resteert de stelling dat het te lang heeft geduurd voordat de handbediende afsluiters door de medewerker van DPO zijn dichtgezet. Deze stelling is als zodanig echter te vaag en te algemeen geformuleerd om zonder meer aan te nemen dat de Staat in dit verband onzorgvuldig heeft gehandeld en dat daardoor de schade is vergroot. Juist in het licht van de omstandigheid dat de grootste uitstroom van kerosine onmiddellijk na het ontstaan van het lek heeft plaatsgevonden, had Essent nadere feiten moeten stellen waaruit volgt dat de Staat kan worden verweten dat zij in verband met de pijpleiding een situatie in het leven heeft geroepen, althans heeft berust in een situatie, waarin het niet mogelijk was om onderdelen van de kerosineleiding op korte termijn (liefst duidelijk binnen een uur) af te sluiten. De stellingen van Essent op dit punt zullen derhalve worden gepasseerd, zonder dat Essent op dit punt tot bewijslevering hoeft te worden toegelaten.

4.57 Uit voorgaande overwegingen volgt dat niet kan worden gezegd dat de Staat als leidingbeheerder en DPO als feitelijk gebruiker van de pijpleiding onvoldoende adequaat zijn opgetreden om de gevolgen van de door Essent veroorzaakte lekkage te beperken. Op grond van de vaststaande feiten moet verder worden geoordeeld dat niet is vast komen te staan dat de Staat heeft gehandeld in strijd met haar verplichting uit hoofde van artikel 21 van de Grondwet. Zo deze bepaling al de strekking zou hebben om de concrete belangen van Essent te beschermen, dan kan in onderhavig geschil niet worden geoordeeld dat de Staat wegens schending van deze bepaling onrechtmatig jegens Essent heeft gehandeld.

4.58 Nu hetgeen Essent heeft aangevoerd niet leidt tot de conclusie dat de Staat op de daartoe aangevoerde gronden onrechtmatig heeft gehandeld, kan deze grondslag niet leiden tot toewijzing van de vordering in vrijwaring tegen de Staat.

4.59 In verband met de beoordeling van de door Essent als vierde en laatste aangevoerde grondslag - het bepaalde in artikel 6:175 BW - stelt de rechtbank voorop dat zij uit de stellingen van Essent begrijpt dat zij van oordeel is dat de Staat op deze grond niet alleen aansprakelijk is jegens ProRail, maar ook tegenover Essent, in het geval Essent gehouden is om de schade die ProRail door de uitstroom van de kerosine heeft geleden aan ProRail te vergoeden.

De rechtbank is van oordeel dat Essent aldus aan het bepaalde in artikel 6:175 BW een strekking geeft die niet is beoogd. De bepaling vestigt een risicoaansprakelijkheid ter zake van stoffen waarvan bekend is dat zij eigenschappen hebben waardoor zij een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken opleveren, in het geval dit gevaar zich verwezenlijkt. Op de bepaling kan geen beroep worden gedaan door een partij als Essent, die zelf jegens de gelaedeerde (ProRail) aansprakelijk is op grond van de artikelen 6:162 en 6:174 lid 1 BW en die vervolgens tracht de gevolgen van die aansprakelijkheid af te wentelen op een derde (de Staat). Regres op de Staat is voor Essent alleen mogelijk als zij zich kan beroepen op een grondslag die rechtstreeks van toepassing is op hun onderlinge verhouding. Het bepaalde in artikel 6:175 BW levert in het onderhavige geval niet een zodanig grondslag op. Als al geoordeeld wordt dat het ‘gevaar’ waarvan sprake is in artikel 6:175 BW zich in verband met de kerosine heeft verwezenlijk (en daar valt iets voor te zeggen), dan heeft Essent daarvan in elk geval niet rechtstreeks de gevolgen ondervonden.

4.60 Een en ander betekent dat geen van de aangevoerde gronden kan leiden tot toewijzing van het door Essent gevorderde. Andere gronden om dat te doen zijn niet gesteld of gebleken, zodat de vordering van Essent jegens de Staat zal worden afgewezen. De overige -- niet weergegeven – verweren van de Staat behoeven daarom geen bespreking meer.

4.61 Essent zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van de Staat gevallen en tot op heden begroot op € 244,- aan vast recht en op € 1.808,- aan salaris procureur, beide bedragen te verhogen met de wettelijke rente, waarbij de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente zal stellen op de vijftiende dag na betekening van het onderhavige vonnis aan Essent.

4. In de zaken tegen de gemeente Beek en de gemeente Stein

4.62 De rechtbank begrijpt dat Essent haar vorderingen tegen de gemeente Beek en tegen de gemeente Stein baseert op dezelfde feiten en juridische gronden. De beide gemeenten hebben gezamenlijk verweer gevoerd. De rechtbank zal de vorderingen en het daartegen aangevoerde verweer dan ook gezamenlijk bespreken.

4.63 Aan haar vorderingen jegens de gemeenten heeft Essent allereerst ten grondslag gelegd dat zij onrechtmatig hebben gehandeld door in strijd met artikel 3 van de Wet rampen en zware ongevallen (Wrzo) niet de pijpleiding van DPO in hun rampenplannen te vermelden. Door deze onvolledigheid van de rampenplannen waren de hulpdiensten niet op de hoogte van het bestaan van de leiding en de aard van de vloeistof die daar doorheen liep. Hierdoor heeft de brandweer de gevolgen van het lek in de pijpleiding niet adequaat kunnen bestrijden. Zij heeft de kerosine weggespoten dan wel met een schuimlaag afgedekt, waardoor deze zich over een groter oppervlak heeft kunnen verspreiden dan wel dieper de grond heeft kunnen inlopen. Ten onrechte ook heeft de brandweer besloten om de wegverharding en het hemelwaterriool schoon te spuiten. Indien de rampenbestrijdingsplannen ten aanzien van de aanwezigheid van de leiding van DPO meer volledig waren opgesteld, dan had de brandweer adequater kunnen optreden en, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van Essent, waren de gevolgen van het lek raken van de leiding minder omvangrijk geweest.

4.64 Daarnaast heeft Essent aan haar vordering tegen de beide gemeenten ten grondslag gelegd dat de gemeentelijke hulpdiensten zich onvoldoende hebben gekweten van hun taak, omdat zij vastgestelde procedures niet hebben nageleefd en omdat zij ook anderszins chaotisch te werk zijn gegaan. Essent heeft deze, onder verwijzing naar de rapporten en verslagen, in slechts algemene termen in de dagvaarding geformuleerde grondslag nader onderbouwd in haar conclusie van repliek, door te verwijzen naar de volgende feiten en omstandigheden.

- De gemeenten wisten te laat dat de leiding die was geraakt, toebehoorde aan DPO en dat de brandstof die daaruit stroomde kerosine was. Uit verslagen blijkt dat de gemeenten er pas om 17.30 uur van op de hoogte was dat de uitstromende brandstof kerosine was. Mocht de stelling van de gemeenten, dat zij reeds om 16.18 uur van deze gegevens op de hoogte waren, juist zijn dan hebben zij veel te traag gehandeld bij het nemen van verdere maatregelen om de gevolgen van de ramp te beperken, waardoor de schade is vergroot. Zo is er pas om 17.22 uur (na 135 minuten) gebeld met de heer Druler van DPO en is de schuimdeken pas na 18.30 uur aangebracht, terwijl deze niet voor het merendeel uit water bestond.

- Er is verwijtbaar te laat verzocht om de inzet van afzuigwagens, die pas om 18.45 uur ter plaatse waren. Omdat het voor de inzet van afzuigwagens niet uitmaakte welke vloeistof er uit de leiding stroomde, hadden de gemeenten niet hoeven wachten met het inzetten van afzuigwagens totdat er duidelijkheid bestond over de aard van de vloeistof. Zij hadden vervolgens containers van transportbedrijf Dirix kunnen gebruiken voor de opslag van kerosine.

- Behalve dat de gemeenten te laat hebben gereageerd, hadden ze zelf bovendien meer zelfstandige acties kunnen ondernemen. Zo hadden zij zelfstandig kunnen overgaan tot het sluiten van de leiding in plaats van de komst van een medewerker van DPO af te wachten. In ieder geval had de komst van de medewerker van DPO kunnen worden bespoedigd door deze met een helikopter te laten afhalen. Ook had de gemeente zelf maatregelen kunnen nemen om het gat in de leiding te dichten door het vol te gooien met zand, grond of zelfs beton.

- Zij hadden bovendien meer maatregelen kunnen nemen om de uitstromende kerosine in te dammen. Een groot deel van de verontreiniging heeft kunnen ontstaan, omdat deze maatregelen te lang achterwege zijn gebleven, waardoor de kerosine heeft kunnen weglopen in het riool, in de bermsloten en in de grond. Bovendien is er te lang gewacht met het verwijderen van de verontreiniging uit bodem en sloten, waar pas na 24 uur mee is begonnen.

4.65 Als zelfstandige grondslag heeft Essent ten derde aangevoerd dat de burgemeesters van beide gemeenten ten onrechte geen gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid om op grond van artikel 175 van de Gemeentewet noodmaatregelen te treffen. Omdat het Openbaar Ministerie de toegang tot de rampplek in verband met onderzoek had afgesloten, konden hulpdiensten de rampplek niet bereiken, waardoor de schade groter is geworden dan nodig was. De burgemeesters hadden gebruik moeten maken van hun bevoegdheden op grond van de Gemeentewet, om aldus hulpdiensten tot de rampplek toe te laten. Hierdoor had de schade ten gevolge van de uitstroom van de kerosine aanzienlijk kunnen worden beperkt.

4.66 De beide gemeenten hebben allereerst als verweer aangevoerd dat Essent geen belang heeft bij haar vordering in vrijwaring, aangezien zij in de vrijwaringsprocedure veroordeling vordert van de gemeenten tot betaling van een geldsom, terwijl in de hoofdprocedure een dergelijke vordering niet door ProRail tegen Essent is ingesteld.

4.67 Ten tweede hebben de gemeenten betwist dat zij hebben gehandeld in strijd met de Wrzo door de transportleiding van DPO niet in het gemeentelijke rampenbestrijdingsplan op te nemen. En ook al zou er in dit opzicht sprake zijn van een handelen in strijd met de Wrzo, dan nog hebben de gemeenten daardoor niet onrechtmatig jegens Essent gehandeld, omdat de Wrzo niet strekt ter bescherming van de belangen van de individuele burger en de schade zoals Essent die heeft geleden. In dit verband is bovendien van belang dat de aanwezigheid van de brandstofleiding op het internet bekend was gemaakt en dat de brandweer ook feitelijk op de hoogte was van de aanwezigheid van de leiding van DPO. Ook om die reden kan de gemeenten in dit opzicht geen verwijt worden gemaakt, zo wordt gesteld.

4.68 Ten derde hebben de gemeenten betwist dat zij, dan wel haar hulpdiensten, bij de bestrijding van de ramp hun taken hebben verzuimd. De gemeenten hebben, zo stellen zij, gehandeld krachtens vigerende regelgeving en het bestrijdingsplan en zij zijn daarbij voortvarend en adequaat opgetreden. Daartoe hebben zij - zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd.

- Nadat om 15.15 uur een melding was binnengekomen over het omvallen van de mast, is de brandweer Beek om 15.27 uur op de plek van de ramp gearriveerd. Er is door de brandweer onmiddellijk een aantal noodzakelijke maatregelen getroffen.

- Zij heeft er als eerste voor gezorgd dat de spanning van de hoogspanningsleidingen werd afgehaald. Omdat de hoogspanningsleidingen terecht waren gekomen op de bovenleidingen van het spoor, heeft ze bovendien het treinverkeer laten stilleggen.

- Vervolgens heeft zij nacontrole uitgevoerd in verband met een buitenbrand die had gewoed en heeft zij omringende bedrijven ontruimd en spanningsvrij gemaakt. Ook heeft zij de grond afgedekt met schuim ter voorkoming van stankoverlast en de mogelijkheid van gasexplosies via vonken door inductiespanning. Verder moest de brandweer door het treffen van maatregelen anticiperen op het omvallen van de andere hoogspanningsmasten.

- Toen het duidelijk was dat de getroffen leiding toebehoorde aan DPO, heeft de brandweer onmiddellijk een medewerker van DPO weten te benaderen. Dit was om 15.50 uur. Het was de brandweer vervolgens om 16.18 uur duidelijk dat er op die dag kerosine door de leiding liep. Overigens maakt het, aldus de gemeenten, voor het intreden en de omvang van de schade niet uit als de gemeenten er eerder mee bekend waren geweest dat de vloeistof kerosine betrof; de acties die zij tot die tijd hadden ondernomen zijn hierdoor niet daadwerkelijk beïnvloed.

- Om 17.15 heeft een medewerker van DPO, die daarvoor uit de Randstad moest komen, de handmatige afsluiter aan de noordzijde van het lek afgesloten en om 17.45 die aan de zuidkant. Het verwijt van Essent dat de gemeenten zelf de met de hand bedienbare afsluiters hadden moeten sluiten, kan geen doel treffen, omdat de gemeenten zelf niet de beschikking hebben over de sleutels van deze afsluiters. Dat de gemeenten een helikopter hadden moeten sturen om te zorgen dat de medewerker van DPO eerder ter plaatse was, is niet realistisch. De uitstroom vanaf de afsluiter aan de zuidkant van het lek was bovendien niet te voorkomen geweest, omdat de leiding vanaf de plaats van die afsluiter naar het lek naar beneden loopt.

- Zodra duidelijk was dat kerosine wegliep richting Catsop is er een dam opgeworpen en is bij een aannemer een vrachtauto vol met zand besteld. Zo is ondermeer voorkomen dat het nabijgelegen natuurpark bij kasteel Elsloo is verontreinigd. Toen de opgeworpen dammen niet afdoende bleken te zijn, zijn er onmiddellijk zuigwagens besteld. Deze waren snel ter plaatse. Onjuist is derhalve de stelling van Essent dat het 24 uur heeft geduurd voordat van de zijde van de gemeenten met schoonmaakwerkzaamheden werd begonnen.

4.69 De gemeenten hebben verder de stelling van Essent betwist dat zij onmiddellijk zelfstandig maatregelen hadden moeten treffen om het lek in de leiding te dichten. Volgens de gemeenten was dat in de eerste uren na de ramp nog niet mogelijk en wel om de volgende redenen.

- De leiding lag op diepte en het lek was niet visueel waar te nemen. Het vinden van het lek kostte daarom tijd. Om het lek te kunnen dichten was er na lokalisatie materieel zoals een graafmachine nodig. Die produceert warmte, zodat er gevaar op ontbranding zou bestaan.

- Daar kwam bij dat ook het bewegen van de mast, die op dat moment via de hoogspanningslijnen was verbonden met de andere masten, het gevaar meebracht dat ook de andere masten konden omvallen. Ook na de uitschakeling van de spanning, stond er nog een restspanning van 30.000 volt op de lijnen, zodat de gemeenten niet snel konden opereren. Omdat er zich hoogspanningskabels bevonden op de bovenleiding van de trein, kon er ook om die reden niet snel worden opgetreden.

- Ook al had het lek vrij kunnen worden gemaakt, dan nog was het dichten van het lek niet mogelijk geweest. Het dichtlassen was wegens explosiegevaar zonder meer niet mogelijk geweest, terwijl het dichten van het lek door middel van zand, grond of beton ook geen mogelijke oplossing was. Kortom, het verwijt dat de gemeenten het gat hadden moeten dichten, is in strijd met de realiteit.

- Bovendien miskent Essent dat het grootste deel van de uitstroom heeft plaatsgevonden direct na het ontstaan van het lek; enkele minuten na het omvallen van de mast is de kerosine in een centimeters dikke laag over vrijwel de volledige breedte van het wegdek weggestroomd en de meeste vloeistof heeft de leiding in de eerste 40 minuten na het ontstaan van het lek verlaten.

4.70 De stelling van Essent dat de burgemeesters ten onrechte geen gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheden op grond van artikel 175 van de Gemeentewet, om er aldus voor te zorgen dat de toegang tot de rampplek voor de hulpdiensten was gewaarborgd, hebben de gemeenten eveneens betwist.

Het is volgens de gemeenten onjuist dat het Openbaar Ministerie aan de hulpdiensten de toegang tot de plaats van de ramp heeft ontzegd. Wel heeft het Openbaar Ministerie, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van de gemeenten, het vrijgraven van de leiding in verband met het onderzoek tegengehouden, maar dit is gebeurd op het tijdstip dat de uitstroom van vloeistof al was gestopt. De sanering van de bodem is hierdoor niet vertraagd, omdat die tijd nodig was om materieel ter plaatse te krijgen, zodat het onderzoek van het Openbaar Ministerie geen ongunstige invloed heeft gehad op de gang van zaken.

4.71 Het eerste door de gemeenten gevoerde verweer, erop neerkomend dat Essent geen belang heeft bij de ingestelde vordering in vrijwaring, zal worden verworpen. De vordering in de vrijwaringsprocedure strekt ertoe om een veroordeling te krijgen tot datgene waartoe Essent zelf in de hoofdzaak zal worden veroordeeld. Nu in de hoofdzaak slechts een verklaring voor recht wordt gevorderd, begrijpt de rechtbank - en hebben ook de gemeenten kunnen begrijpen - dat ook in vrijwaring de vordering is beperkt tot het verkrijgen van een verklaring voor recht.

4.72 De rechtbank is vervolgens van oordeel dat Essent haar stelling, dat de gemeenten aansprakelijk zijn wegens onrechtmatige daad omdat zij hebben gehandeld in strijd met artikel 3 van de Wrzo, door ten onrechte geen informatie over de aanwezigheid van de transportleiding van DPO in de rampenplannen op te nemen, onvoldoende heeft onderbouwd. De enkele omstandigheid dat geen informatie over de transportleiding van DPO in de rampenplannen van de gemeenten was opgenomen, betekent niet zonder meer dat de gemeenten in strijd hebben gehandeld met artikel 3 Wrzo. Om die conclusie te rechtvaardigen had Essent feiten en omstandigheden moeten aanvoeren, waaruit volgt dat de aanwezigheid van de transportleiding van DPO moet worden aangemerkt als een risico in de zin van deze bepaling, zodat de gemeenten tot het opnemen van dat risico in het rampenplan verplicht waren geweest.

De gevolgtrekking die op grond van het voorgaande kan worden gemaakt is dat niet is vast komen te staan dat de gemeenten in strijd met de Wrzo hebben gehandeld en dat op die grond de vordering niet kan worden toegewezen. Al hetgeen partijen hebben aangevoerd over de vraag of de Wrzo strekt ter bescherming van de belangen van Essent behoeft om die reden geen bespreking.

4.73 Bovendien is niet gebleken dat door het ontbreken van deze informatie de brandweer niet adequaat heeft kunnen optreden bij het beperken van schade. Naar de gemeenten – onvoldoende weersproken - hebben gesteld heeft de brandweer reeds om 15.50 uur contact gelegd met een medewerker van DPO. Op dat moment, 23 minuten nadat de brandweer op de plaats van de lekkage was gearriveerd, was zij er dus mee bekend dat de pijpleiding aan DPO toebehoorde en was ook contact opgenomen met de leidingbeheerder. Uit hetgeen Essent heeft gesteld, volgt niet dat, in het geval de informatie over de pijpleiding van DPO in de rampenbestrijdingsplannen van de gemeenten was opgenomen, de brandweer sneller contact had kunnen opnemen met DPO en dat door die tijdswinst de schade ook daadwerkelijk in aanzienlijke mate had kunnen worden beperkt. Essent heeft dan ook haar stelling, dat de onvolledigheid van het rampenbestrijdingsplan ertoe heeft geleid dat de brandweer met verkeerde maatregelen heeft geprobeerd om de gevolgen van de uitstroom te beperken, onvoldoende toegelicht.

4.74 De rechtbank begrijpt de door Essent aan haar vordering ten grondslag gelegde stelling dat de gemeenten zich onvoldoende van hun taak hebben gekweten, procedures niet hebben nageleefd en ook anderszins chaotisch te werk zijn gegaan, aldus dat Essent van oordeel is dat de gemeenten daarmee, los van de gestelde schending van de Wrzo, wegens strijd met het ongeschreven recht onrechtmatig jegens Essent hebben gehandeld. De rechtbank begrijpt voorts uit de stellingen van Essent dat zij van oordeel is dat hierdoor de omvang van de schade die aan ProRail is toegebracht zodanig veel groter is geworden dan bij een adequate handelwijze het geval zou zijn geweest, dat de gemeenten voor de volledige schade jegens Essent aansprakelijk zijn.

4.75 De rechtbank stelt bij de beoordeling van dit onderdeel van de grondslag van Essents vordering voorop dat de gemeenten bij de bestrijding van een ramp, die uit de aard der zaak op een onverwacht moment optreedt en waarbij de omvang van zowel de gebeurtenis als de aard van de gevolgen niet in één oogopslag duidelijk zullen zijn, in een kort tijdsbestek een groot aantal beslissingen moeten nemen met het oog op een groot aantal belangen van uiteenlopende aard. De gemeenten en de onder haar ressorterende hulpdiensten komt bij het nemen van deze beslissingen een grote mate van beoordelingsvrijheid toe. Daaruit volgt dat er ten aanzien van het optreden van de gemeenten na een ramp slechts plaats is voor het oordeel dat zij jegens een individuele burger (een rechtspersoon als Essent daaronder begrepen) onrechtmatig hebben gehandeld, als dat optreden in zijn geheel dan wel op onderdelen jegens deze burger dermate onzorgvuldig is geweest dat moet worden geoordeeld dat zij kennelijk hebben gehandeld in strijd met hetgeen van zorgvuldig optredende bestuursorganen onder deze omstandigheden kon worden verwacht.

4.76 Gelet op hetgeen Essent ter onderbouwing van dit onderdeel van haar vordering heeft gesteld enerzijds en de gemotiveerde betwisting door de gemeenten anderzijds, is er in onderhavig geval geen aanleiding om tot een dergelijk oordeel te komen. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

4.77 De gemeenten hebben de stelling van Essent, dat zij eerder zelfstandig maatregelen hadden moeten nemen om het lek in de brandstofleiding te dichten, gemotiveerd weersproken. Daartoe hebben zij aangevoerd dat het vanwege explosiegevaar ten gevolge van de kerosinedampen niet mogelijk was om het lek vrij te graven. Evenmin was het in de periode direct na het omvallen van de mast mogelijk om de mast uit (het lek in) de pijpleiding te verwijderen. Dat was onmogelijk, enerzijds omdat er nog restspanning op de hoogspanningslijnen stond, anderzijds omdat de mast nog via die hoogspanningslijnen met andere masten was verbonden. Hierdoor zouden werkzaamheden aan de omgevallen mast kunnen leiden tot het omvallen van andere masten. Ook al was het mogelijk geweest om het lek vrij te graven, dan nog was het - aldus de gemeenten - niet mogelijk geweest om het gat in de pijpleiding te dichten, omdat de daarvoor noodzakelijke laswerkzaamheden eveneens wegens explosiegevaar nog niet konden worden uitgevoerd. Het dichten van de leiding met zand, grond of beton, zoals Essent heeft betoogd, was geen realistische methode om het lek te dichten.

4.78 Essent heeft naar aanleiding van dit verweer van de gemeenten haar eigen stellingen onvoldoende uitgebreid en verdiept. Nu de gemeenten concreet een aantal risico’s hebben genoemd, die er naar hun opvatting aan in de weg stonden om onmiddellijk over te gaan tot het dichten van het lek in de pijpleiding, had van Essent mogen worden verwacht dat zij meer concreet had onderbouwd waarom de door de gemeenten genoemde risico’s zich feitelijk niet voordeden dan wel kennelijk onvoldoende waren om in de weg te staan aan het dichten van het lek. De enkele stelling van Essent dat de argumenten van de gemeenten niet overtuigen en dat de risico’s zich niet meer voordeden dan wel niet relevant waren, zoals door haar gedaan bij pleidooi, is daartoe volstrekt onvoldoende.

4.79 De rechtbank wijst er verder op dat tussen partijen, als gesteld en niet of onvoldoende weersproken, als vaststaand kan worden aangenomen dat de brandweer al snel na het ontstaan van de het lek op de plaats van de ramp aanwezig was. Op dat moment was het lek, met het daaruit voortvloeiende gevaar van explosie en verontreiniging, niet het enige probleem dat zich voordeed. Er ging tevens een direct gevaar uit van de omgevallen mast en de hoogspanningslijnen, waarop nog hoogspanning stond van 130.000 volt. De lijnen waren onder meer op de bovenleiding van het spoor terecht gekomen. Vandaar dat de brandweer er als eerste voor heeft gezorgd dat de spanning van de hoogspanningsleidingen werd afgehaald en dat het treinverkeer werd stilgelegd. Vervolgens heeft zij een nacontrole uitgevoerd in verband met een buitenbrand die had gewoed en heeft zij omringende bedrijven ontruimd en spanningsvrij gemaakt. Ook moest de brandweer door het treffen van maatregelen anticiperen op het omvallen van de andere hoogspanningsmasten. Verder heeft zij de grond afgedekt met schuim ter voorkoming van stankoverlast en de mogelijkheid van gasexplosies via vonken door inductiespanning.

4.80 De rechtbank kan uit dit geheel van feiten en omstandigheden niet afleiden dat de gemeenten met de gevolgde handelwijze direct na de ramp (door Essent in haar conclusie van repliek onder 2 bestempeld als ‘nalaten’ en ‘stilzitten’) de schade hebben vergroot, doordat de betrokken hulpdiensten bij het nemen van noodzakelijke maatregelen om de veiligheid van personen en de omgeving te waarborgen evident verkeerde keuzes hebben gemaakt.

Essent denkt daar kennelijk anders over. In het licht van het door de gemeenten gevoerde verweer had Essent haar standpunt (verder) dienen te onderbouwen.

Datzelfde geldt voor de stelling van Essent dat de gemeenten, bij het nemen van de maatregelen om de schadelijke gevolgen van de uitstroom van de kerosine te beperken, kennelijk onzorgvuldig hebben gehandeld. De gemeenten hebben gesteld dat de brandweer direct is overgegaan tot het aanbrengen van een schuimdeken, teneinde brandgevaar en stankoverlast te voorkomen; daarbij zou deugdelijk schuim van Chemelot zijn gebruikt. De stelling van Essent dat de brandweer hiertoe pas om 18.30 uur is overgegaan en dat door de gemeenten geen bruikbare schuim is aangebracht, is door haar niet verder onderbouwd. Verder heeft Essent niet aangegeven op welke wijze deze veronderstelde verkeerde handelwijze(n) van de brandweer zou(den) hebben bijgedragen aan het onnodig vergroten van de schade.

4.81 Ook het verwijt aan de gemeenten dat het afsluiten van de pijpleiding te lang heeft geduurd, omdat de gemeenten enerzijds DPO te laat in kennis hebben gesteld van het lek en anderzijds de afsluiters in de leiding zelf hadden moeten dichtdraaien in plaats van te wachten op de medewerkers van DPO, is - gelet op het door de gemeenten gevoerde verweer - onvoldoende onderbouwd.

Zo heeft Essent de stelling van de gemeenten dat zij zelf niet tot het dichtdraaien van de afsluiters over konden gaan, omdat zij niet over de sleutels daarvoor beschikten, niet weersproken. Daarmee staat vast dat het voor de gemeenten feitelijk niet mogelijk was om de afsluiters te dichten. Essent heeft geen feiten gesteld waaruit volgt dat de enkele omstandigheid dat de gemeenten niet over de sleutels beschikten om de afsluiters van de leiding te kunnen dichten, mede in het licht van het risico van het ontstaan van een lek, reeds als kennelijk onzorgvuldig moet worden beschouwd. Verder heeft Essent niet duidelijk kunnen maken dat de inzet van een helikopter tot een wezenlijke bekorting van de met het afsluiten van de leiding gemoeide tijd zou hebben geleid en welke invloed deze (eventuele) tijdswinst op de omvang van de schade zou hebben gehad. De rechtbank wijst er - opnieuw - op dat Essent in haar stellingen te weinig verdisconteert dat de grootste uitstroom van kerosine heeft plaatsgevonden onmiddellijk na het ontstaan van het lek.

4.82 Tenslotte dient aan de orde te komen de stelling van Essent dat de burgemeesters van beide gemeenten ten onrechte geen gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid om op grond van artikel 175 van de Gemeentewet noodmaatregelen te treffen, met name in de richting van het Openbaar Ministerie, waardoor de schade groter is geworden dan nodig was.

De rechtbank verwerpt deze stelling als onvoldoende onderbouwd, nu Essent niet heeft aangegeven waarom de burgemeesters (zo zij daartoe al, op de aangevoerde wettelijke grond, de bevoegdheid hadden) bij een afweging van belangen het strafrechtelijk onderzoek (tijdelijk) hadden moeten laten afbreken. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen zij heeft overwogen onder 4.55.

4.83 De eindconclusie luidt dat Essent haar stellingen inzake het (beweerdelijk) onrechtmatig handelen door de gemeenten en haar burgemeesters onvoldoende heeft onderbouwd, omdat zij onvoldoende nader is ingegaan op hetgeen de gemeenten als verweer hebben aangevoerd. De rechtbank zal daarom aan de stellingen van Essent inzake de (vermeende) aansprakelijkheid van de gemeenten Beek en Stein voorbijgaan, zonder Essent toe te laten tot het leveren van bewijs.

4.84 Een en ander betekent dat geen van de aangevoerde gronden kan leiden tot toewijzing van het door Essent gevorderde. Andere gronden om dat te doen zijn niet gesteld of gebleken, zodat de vordering van Essent jegens de gemeenten Stein en Beek zal worden afgewezen.

4.85 Essent zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van de gemeenten Beek en Stein gevallen en tot op heden begroot op € 244,- aan vast recht en op € 1.808,- aan salaris procureur.

In de procedure tegen de provincie Limburg

4.86 Aan haar vordering jegens de provincie legt Essent ten grondslag dat de provincie jegens Essent aansprakelijk is, als zij de door ProRail geleden schade moet vergoeden:

- omdat de provincie heeft gehandeld in strijd met haar verplichtingen uit hoofde van (in het bijzonder de artikelen 30 en 31 van) de Wet bodembescherming (Wbb) en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens Essent;

- omdat de provincie ongerechtvaardigd zou worden verrijkt, als Essent de kosten van sanering die ProRail heeft gemaakt voor haar rekening zou moeten nemen.

4.87 De stelling dat de provincie onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, heeft Essent als volgt onderbouwd.

Op grond van de artikelen 30 en 31 Wbb rust op de provincie de zelfstandige verplichting om, in het geval dat door een ongewoon voorval een ernstige verontreiniging ontstaat, voldoende maatregelen te treffen om de oorzaak van de verontreiniging weg te nemen en om de gevolgen ervan zoveel mogelijk te beperken. De provincie heeft aan deze verplichting niet voldaan, doordat zij zelf na het omvallen van de mast niet actief is opgetreden om de uitstroom van kerosine uit de DPO-leiding te stoppen en om de verspreiding van kerosine zoveel mogelijk te beperken. Zij heeft het uitvoeren van deze werkzaamheden overgelaten aan de gemeente(n) en aan ProRail. De spoed die was geboden verzette zich er echter tegen dat de provincie het nemen van de noodzakelijke maatregelen om vervuiling tegen te gaan aan hen overliet. Vandaar dat de provincie zich er niet op kan beroepen, dit onder verwijzing naar artikel 32 Wbb, dat de wet op haar de verplichting legt om het nemen van de noodzakelijke maatregelen eerst aan de betrokken over te laten.

In het bijzonder had, aldus Essent, van de provincie mogen worden verwacht dat zij al het nodige had gedaan om:

- de transportleiding af te blokken (waarmee Essent, naar de rechtbank begrijpt, bedoelt het sluiten van de leiding door de handbediende afsluiters);

- het door de mast veroorzaakte gat in de leiding te dichten;

- zoveel mogelijk afzuigwagens ter plaatse te bestellen, zodat zoveel mogelijk kerosine had kunnen worden opgezogen;

- maatregelen te nemen die de stroom kerosine konden indammen.

Om deze doeleinden te bereiken had de provincie zich in ieder geval met gebruikmaking van haar bevoegdheden op grond van de artikelen 30 en 31 Wbb toegang moeten verschaffen tot de plaats van de ramp en had zij de politie en het Openbaar Ministerie buitenspel moeten zetten.

4.88 De door Essent aangevoerde gronden kunnen niet leiden tot de toewijzing van Essents vordering jegens de provincie. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

4.89 Zoals de provincie terecht heeft betoogd, volgt uit artikel 32 lid 2 Wbb dat de wetgever de verantwoordelijkheid van het treffen van maatregelen heeft gelegd bij de betrokkenen bij het ontstaan van het de bodem verontreinigende voorval. Slechts als het de provincie blijkt dat er onvoldoende adequaat wordt opgetreden om de gevolgen van het voorval te beperken, dient de provincie op grond van de artikelen 30 en 31 Wbb maatregelen te treffen.

Voor zover Essent derhalve van oordeel is dat de provincie op grond van de artikelen 30 en 31 Wbb het primair verantwoordelijke bestuursorgaan was om de gevolgen van de ramp - in ieder geval ten aanzien van de uitstroom van kerosine en de daaruit voortvloeiende vervuiling van de bodem - te bestrijden en dat zij in de nakoming van die verplichting tekort is geschoten door niet terstond actief in te grijpen, vindt haar opvatting geen steun in het recht en kan zij om die reden niet leiden tot toewijzing van de vordering.

4.89 De vraag die dan rest is of er voor de provincie aanleiding was om, gezien de wijze waarop de gevolgen van de lekkage aan de leiding werden bestreden, ‘in subsidiaire zin’ gebruik te maken van de haar in de artikelen 30 en 31 Wbb gegeven bevoegdheden.

4.90 De provincie heeft gesteld, onder verwijzing naar concrete feiten en omstandigheden, dat zij zich, nadat zij op 30 maart 2004 om 16.30 uur op de hoogte was gesteld van het ongeval, voortdurend heeft laten informeren over de bestrijding van de gevolgen van de ramp. Zij was ervan op de hoogte dat na het incident diverse overheids- en hulpinstanties ter plaatse waren gearriveerd om de gevolgen van de lekkage te bestrijden. Eveneens werd zij geïnformeerd over de maatregelen die werden getroffen door deze diensten.

In het licht van dit verweer had Essent haar stellingen dienen aan te vullen, onder meer door te wijzen op feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de provincie niettemin had moeten ingrijpen, omdat dat ingrijpen de schadelijke gevolgen van het omvallen van de mast (waar het betreft de bodemvervuiling) méér had kunnen beperken dan door de optredende instanties is gebeurd. In het bijzonder heeft Essent niet aangegeven op welke wijze het voor de provincie mogelijk zou zijn geweest om op een eerder tijdstip de handbediende afsluiters te (doen) sluiten, om op een eerder tijdstip het door Essent veroorzaakte gat in de leiding te dichten en om terstond de uitgestroomde kerosine op te zuigen. Evenmin heeft Essent gemotiveerd gesteld in welke mate de provincie door het door Essent gewenste optreden de schade ten gevolge van de uitstroom van kerosine had kunnen beperken. Aldus heeft Essent haar stelling, dat er voor de provincie aanleiding was om, gelet op de Wbb, actief op te treden bij de bestrijding van de gevolgen van de lekkage, onvoldoende onderbouwd.

De conclusie luidt dat Essent andermaal is tekortgeschoten in haar stelplicht, zodat het gestelde niet kan leiden tot een toewijzing van de vordering.

4.91 Haar stelling dat de provincie ongerechtvaardigd zou worden verrijkt, als de saneringskosten voor rekening van Essent zouden komen, heeft Essent als volgt onderbouwd.

Op grond van artikel 30 Wbb lag op de provincie de verplichting om onmiddellijk maatregelen te nemen om de uitstroom van kerosine en de gevolgen ervan te beperken en ongedaan te maken. Indien de provincie de aldus op haar rustende verplichting was nagekomen, dan had zij ook de daarmee gepaard gaande kosten voor haar rekening moeten nemen, zonder dat zij de mogelijkheid had gehad om deze kosten te verhalen op Essent. Indien de saneringskosten thans door ProRail op Essent zouden kunnen worden verhaald, zonder dat Essent deze kosten op haar beurt kan verhalen op de provincie, dan komen de kosten ten onrechte voor rekening van Essent in plaats van de provincie.

4.92 Essent gaat er aldus van uit dat vaststaat dat de provincie verplicht was om op grond van artikel 30 Wbb maatregelen te nemen om de gevolgen van het lek raken van de DPO-leiding voor de bodem te beperken. Zoals hiervoor bleek, doet Essent dat ten onrechte. Dat betekent dat de stelling van Essent, dat uit artikel 30 Wbb volgt dat de saneringskosten in eerste instantie voor rekening van de provincie hadden moeten komen, niet kan worden gevolgd. Reeds hieruit volgt dat de stelling van Essent, dat de provincie ongerechtvaardigd wordt verrijkt als de saneringskosten ten laste van Essent worden gebracht, evenmin kan worden gevolgd. De stelling van Essent, dat uit de systematiek van de Wbb volgt dat de provincie, als zij met toepassing van artikel 30 Wbb de saneringskosten voor haar rekening had genomen, deze kosten niet op Essent had kunnen verhalen, behoeft om die reden geen bespreking.

De conclusie uit het voorgaande is, dat de provincie ook op grond van ongerechtvaardigde verrijking niet jegens Essent aansprakelijk is.

4.93 Een en ander betekent dat geen van de aangevoerde gronden kan leiden tot toewijzing van het door Essent gevorderde. Andere gronden om dat te doen zijn niet gesteld of gebleken, zodat de vordering van Essent jegens de provincie zal worden afgewezen. Nu op grond van het vorenoverwogene de vordering van Essent op de provincie reeds moet worden afgewe¬zen, behoeven de overige, niet weergegeven, verweren van de provincie geen bespreking meer.

4.94 Essent zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van de provincie gevallen en tot op heden begroot op € 244,- aan vast recht en op € 1.808,- aan salaris procureur, beide bedragen te verhogen met de wettelijke rente, waarbij de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente zal stellen op de vijftiende dag na betekening van het onderhavige vonnis aan Essent.

5. De beslissing

De rechtbank

in de zaak tegen Kema

5.1 wijst af het door Mega Limburg en Essent Netwerk gevorderde;

5.2 veroordeelt Mega Limburg en Essent Netwerk in de proceskosten aan de zijde van Kema gevallen, deze kosten tot op heden begroot op € 2.052,-;

in de zaak tegen VSB

5.3 wijst af het door Mega Limburg en Essent Netwerk gevorderde;

5.4 veroordeelt Mega Limburg en Essent Netwerk in de proceskosten aan de zijde van VSB gevallen, deze kosten tot op heden begroot op € 2.052,-;

5.5 verklaart het vonnis ten aanzien van de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak tegen de Staat

5.6 wijst af het door Mega Limburg en Essent Netwerk gevorderde;

5.7 veroordeelt Mega Limburg en Essent Netwerk in de proceskosten aan de zijde van de Staat gevallen, deze kosten tot op heden begroot op € 2.052,-, dit bedrag te verhogen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van het onderhavige vonnis;

5.8 verklaart het vonnis ten aanzien van de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak tegen de gemeenten Beek en Stein

5.9 wijst af het door Mega Limburg en Essent Netwerk gevorderde;

5.10 veroordeelt Mega Limburg en Essent Netwerk in de proceskosten aan de zijde van de gemeenten Beek en Stein gevallen, deze kosten tot op heden begroot op € 2.052,-;

in de zaak tegen de provincie

5.11 wijst af het door Mega Limburg en Essent Netwerk gevorderde;

5.12 veroordeelt Mega Limburg en Essent Netwerk in de proceskosten aan de zijde van de provincie gevallen, deze kosten tot op heden begroot op € 2.052,-, dit bedrag te verhogen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van het onderhavige vonnis;

5.13 verklaart het vonnis ten aanzien van de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de mrs. W.J.J. Beurskens, A.S. Arnold en J.J. Verhoeven, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 26 september 2007.