Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB4423

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
27-09-2007
Datum publicatie
28-09-2007
Zaaknummer
AWB 05 / 2721 WRO
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij het beantwoorden van de vraag of iemand belanghebbende is bij de verlening van een bouwvergunning zijn het afstandcriterium en het zichtcriterium van grote betekenis. Primair is bepalend of degene die tegen een dergelijk besluit wenst op te komen in de nabijheid van het te bebouwen perceel woonachtig is en zicht heeft op het bouwplan. In specifieke situaties kunnen ook andere omstandigheden leiden tot de conclusie dat iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Vast staat dat eiser op ongeveer 150 meter afstand van het perceel waarop het litigieuze bouwplan is geprojecteerd, woonachtig is. Van de twaalf percelen die betrekking hebben op het project waarvoor vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend, is dit perceel het verst verwijderd van dat van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank kan enkel op grond van het afstandcriterium niet reeds worden geoordeeld dat eiser als belanghebbende aan te merken is.

Met betrekking tot het zichtcriterium overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet blijkt dat eiser direct zicht heeft op het perceel. Ter zitting is dit door eiser genuanceerd, in die zin dat - onweersproken - is gesteld dat hij vanuit het raam aan de straatkant van zijn huis, het achterste deel van het perceel net kan zien. Door eiser is evenwel niet bestreden dat hij vanuit zijn woning geen direct zicht zal hebben op de te bouwen woning. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat voor zover eiser vanaf zijn perceel (al) zicht heeft op het bouwwerk, dat van een dermate geringe betekenis is dat hij door het verlenen van de bouwvergunning niet rechtstreeks in zijn belang wordt geschaad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 05 / 2721 WRO

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake het geding tussen

[A],

wonende te Hoensbroek, eiser,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Heerlen,

gevestigd te Heerlen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 2 november 2005

Kenmerk: 20040885/20050191-A/MHu

Behandeling ter zitting: 30 augustus 2007

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 2 november 2005 (verzonden op 7 november 2005) heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaarschrift tegen zijn besluit van 27 januari 2005 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) aan [B] een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woning en een garage op een perceel gelegen aan de [C-straat] te Hoensbroek.

Tegen het besluit van 2 november 2005 is door eiser bij brief van 14 december 2005 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Aanvulling van de beroepsgronden heeft plaatsgevonden bij brieven van 18 januari 2006 en 11 maart 2007.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Ingevolge artikel 8:26, eerste lid, van de Awb zijn de vergunninghouder en het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 30 augustus 2007, alwaar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. M.A.M.A. Huppertz, mr. R. Franssen en J. van Daal.

Voor de partijen ex artikel 8:26 van de Awb zijn verschenen mr. J.H.P. Hardy, advocaat te Maastricht, respectievelijk mw. mr. D.R. Boer, werkzaam bij de provincie Limburg.

2. Overwegingen

De in rubriek I genoemde, bij het besluit van 27 januari 2005 verleende bouwvergunning ziet op een bouwplan dat onderdeel uitmaakt van een bouwproject van twaalf woonhuizen met garage op naast elkaar gelegen percelen aan de [C-straat] n.n.b. Ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Bedrijfsterrein De Koumen 1978” zijn de gronden waarop voormeld project is gesitueerd bestemd tot bedrijfs- en recreatieve doeleinden. Niet in geding is dat het bouwen van woonhuizen op voornoemde percelen in strijd is met deze bestemming en mitsdien niet is toegestaan. Verweerder heeft daarom (bij ongedateerd besluit) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend “voor de realisatie van een twaalftal bouwkavels” met betrekking tot de hiervoor genoemde percelen. De verleende vrijstelling is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing. De voor verlening van vrijstelling vereiste verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg is door dit college afgegeven.

Met gebruikmaking van de eerder verleende vrijstelling heeft verweerder bij besluit van 27 januari 2005 de bouwvergunning voor het litigieuze bouwplan verleend. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend, dat bij het thans bestreden besluit ongegrond is verklaard.

In beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat als gevolg van het vrijstellingsbesluit de kwaliteit van zijn leefomgeving wordt aangetast, omdat het woongenot en de recreatie¬mogelijkheden verminderen door het verdwijnen van een stuk natuurgebied.

Alvorens inhoudelijk het bestreden besluit te kunnen beoordelen, dient (ambtshalve) te worden beoordeeld of eiser belanghebbende in de zin van de Awb is bij de verleende bouwvergunning van 27 januari 2005.

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, en artikel 1:5, eerste lid, van deze wet, kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en vervolgens beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een persoon een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

Bij het beantwoorden van de vraag of iemand belanghebbende is bij de verlening van een bouwvergunning zijn het afstandcriterium en het zichtcriterium van grote betekenis. Primair is bepalend of degene die tegen een dergelijk besluit wenst op te komen in de nabijheid van het te bebouwen perceel woonachtig is en zicht heeft op het bouwplan. In specifieke situaties kunnen ook andere omstandigheden leiden tot de conclusie dat iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank verwijst in dezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 19 april 2001 (AB 2001, 259).

Vast staat dat eiser op ongeveer 150 meter afstand van het perceel waarop het litigieuze bouwplan is geprojecteerd, woonachtig is. Van de twaalf percelen die betrekking hebben op het project waarvoor vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend, is dit perceel het verst verwijderd van dat van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank kan enkel op grond van het afstandcriterium niet reeds worden geoordeeld dat eiser als belanghebbende aan te merken is.

Met betrekking tot het zichtcriterium overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet blijkt dat eiser direct zicht heeft op het perceel. Ter zitting is dit door eiser genuanceerd, in die zin dat - onweersproken - is gesteld dat hij vanuit het raam aan de straatkant van zijn huis, het achterste deel van het perceel net kan zien. Door eiser is evenwel niet bestreden dat hij vanuit zijn woning geen direct zicht zal hebben op de te bouwen woning. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat voor zover eiser vanaf zijn perceel (al) zicht heeft op het bouwwerk, dat van een dermate geringe betekenis is dat hij door het verlenen van de bouwvergunning niet rechtstreeks in zijn belang wordt geschaad. Niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Een louter subjectief gevoel van sterke betrokkenheid bij een bestuursbesluit is, hoe sterk dat gevoel ook is, niet voldoende om te kunnen spreken van een rechtstreeks betrokken belang.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet als belanghebbende bij de verleende bouwvergunning kan worden aangemerkt. Dit betekent dat verweerder eiser ten onrechte heeft ontvangen in zijn bezwaar. Het beroep dient reeds hierom gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Daar uit het vorenstaande voortvloeit dat verweerder niet anders had kunnen beslissen dan eisers bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren, zal de rechtbank gebruik maken van de haar in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid en ter zake van het beroep van eiser zelf in de zaak voorzien.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Ter voorlichting aan partijen merkt de rechtbank nog het volgende op. Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet wordt de verlening van vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb geacht deel uit te maken van de beschikking, waarop zij betrekking heeft. Zoals herhaaldelijk door de Afdeling is overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 maart 2004 (LJN: AO 6065)), moet uit deze bepaling worden afgeleid dat de wetgever een concentratie van rechtsbescherming voor ogen heeft gehad om aldus onnodige procedures te voorkomen. Voor zover vrijstelling is vereist, teneinde bouwvergunning voor een project te kunnen verlenen, kan tegen de beslissing op het vrijstellingsverzoek worden opgekomen in het kader van een beslissing op een voor dat project ingediende bouwaanvraag. Indien een vrijstellingsbesluit betrekking heeft op meerdere bouwplannen, volgt uit artikel 49, vijfde lid, van de WRO dat de bij dat besluit verleende vrijstelling niet onherroepelijk wordt voor zover deze betrekking heeft op bouwplannen waarvoor nog geen bouwvergunning is verleend; verwezen zij in dezen naar (overweging 2.3 van) de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2007 (LJN: BA 2666).

Op grond van artikel 8:70 van de Awb wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. verklaart het bezwaarschrift van eiser alsnog niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 wordt vergoed door de gemeente Heerlen.

Aldus gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers in tegenwoordigheid van mr. E.W. Seylhouwer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2007.

w.g. E. Seylhouwer w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 27 september 2007.

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.