Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB4381

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
03/700173-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een (voormalige) ambtenaar van de gemeente Kerkrade veroordeeld voor het aannemen van steekpenningen bij de verkoop van een zestal gemeentewoningen.

De rechtbank heeft de met de verkoop van de woningen belaste ambtenaar een werkstraf van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden opgelegd.

De rechtbank heeft in het bijzonder rekening gehouden met de gevolgen van het gedrag van de ambtenaar voor het openbaar bestuur. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat dit gedrag het vereiste vertrouwen van de burger in het overheidsbestuur kan schaden en ook de loyaliteit van de burger ten aanzien van gezag en regelgeving ondermijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700173-05

Datum uitspraak: 26 september 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 juni 2007 en 12 september 2007 op tegenspraak op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,

wonende te [adres].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 1 augustus 2003, in elk geval in of omstreeks het jaar 2003, in de gemeente Kerkrade, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte], althans alleen, (beiden) als ambtenaar in dienst van de gemeente Kerkrade, een gift, te weten een geldbedrag van Euro 10.000,-, in elk geval enig geldbedrag, van [betrokkene] heeft aangenomen, wetende, althans redelijkerwijs vermoedende, dat deze hem/hen gedaan werd ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn (toenmalige) bediening was gedaan of nagelaten, welk doen of nalaten hierin heeft bestaan dat hij, belast met de voorbereiding van de door de gemeente Kerkrade voorgenomen verkoop van zes woningen (gelegen aan de [straatnamen 1 tot en met 6]) aan de hoogste bieder bij inschrijving, en als zodanig bekend met de uitgebrachte biedingen, in strijd met het karakter van een verkoop bij wege van inschrijving en derhalve in strijd met zijn plicht, aan de in de koop van die woningen geïnteresseerde [betrokkene] voornoemd heeft laten weten bij welk bod (te weten Euro 330.000,- k.k.) die [betrokkene] als hoogste bieder bij inschrijving zou gelden en derhalve in aanmerking zou komen voor toewijzing van de verkoop aan die [betrokkene], en dat hij, verdachte, na ontvangst van een een - door [medeverdachte] voornoemd op aanwijzing van hem, verdachte, op schrift gesteld - bod van die [betrokkene] ter hoogte van bovengenoemd bedrag ad Euro 330.000,- k.k. een advies-besluitformulier heeft opgesteld ten behoevevan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Kerkrade strekkende tot toewijzing van de verkoop van die woningen aan die [betrokkene] (waarop hij - na het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders tot verkoop aan die [betrokkene] - heeft meegewerkt aan het totstandkomen van een koopovereenkomst met die [betrokkene] en de eigendomsoverdracht van de woningen aan [betrokkene]);

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 1 augustus 2003, in elk geval in of omstreeks het jaar 2003, in de gemeente Kerkrade, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte], althans aleen, (beiden) als ambtenaar in dienst van de gemeente Kerkrade, een gift, te weten een geldbedrag van Euro 10.000,-, in elk geval enig geldbedrag, van [betrokkene] heeft aangenomen, wetende, althans redelijkerwijs vermoedende, dat deze hem/hen gedaan werd ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, verdachte, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn (toenmalige) bediening was gedaan of nagelaten, welk doen of nalaten hierin heeft bestaan dat hij, belast met de voorbereiding van de door de gemeente Kerkrade voorgenomen verkoop van zes woningen (gelegen aan de [straatnamen 1 tot en met 6]) aan de hoogste bieder bij

inschrijving, en als zodanig bekend met de uitgebrachte biedingen, aan de in de koop van die woningen geïnteresseerde [betrokkene] voornoemd heeft laten weten bij welk bod (te weten Euro 330.000,- k.k.) die [betrokkene] als hoogste bieder bij inschrijving zou gelden en derhalve in aanmerking zou komen voor toewijzing van de verkoop aan die [betrokkene], en dat hij, verdachte, na ontvangst van een - door [medeverdachte] voornoemd op aanwijzing van hem, verdachte, op schrift gesteld - bod van die [betrokkene] ter hoogte van genoemd bedrag ad Euro 330.000,- k.k. een advies-besluitformulier heeft opgesteld ten behoeve van het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Kerkrade strekkende tot toewijzing van de verkoop van die woningen aan die [betrokkene] (waarop hij - na het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders tot verkoop aan die [betrokkene] - heeft meegewerkt aan het totstandkomen van een koopovereenkomst met die [betrokkene] en de eigendomsoverdracht van die woningen aan [betrokkene]).

Verbeterde schrijffouten

Tengevolge van een kennelijke schrijffout staat in de dagvaarding in regel 3 van het subsidiair ten laste gelegde vermeld ‘aleen’ in plaats van ‘alleen’.

De rechtbank herstelt deze fout, aangezien dit mogelijk is zonder dat verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De gedingstukken geven de rechtbank aanleiding ambtshalve te onderzoeken of het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in verband met de vraag of het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden.

De rechtbank stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Dit recht strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen heeft tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval geldt als aanvangspunt van de redelijke termijn de datum van verhoor bij inverzekeringstelling van verdachte, zijnde 11 maart 2005.

Naar het oordeel van de rechtbank is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn geschonden. Immers de strafzaak tegen verdachte is niet afgerond met een eindvonnis in eerste instantie op of voor 11 maart 2007. Redenen of omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn in de onderhavige zaak op meer dan twee jaren zou moeten worden gesteld, zijn de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is van oordeel dat er bij de voortgang van de zaak niet de nodige voortvarendheid aan de dag is gelegd door het Openbaar Ministerie. Er is geen sprake geweest van een (dermate) ingewikkeld onderzoek, dat heeft gezorgd voor vertraging in de afhandeling van de zaak. Evenmin is sprake geweest van handelingen van verdachte of onderzoekshandelingen vanwege het openbaar ministerie aan welke de vertraging zou kunnen worden toegeschreven.

Bij afweging van de betrokken belangen, te weten het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn houdt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang van verdachte bij het verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, zou een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie geen passende reactie vormen.

Ook overigens zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leiden. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk.

Bewijsverweer

Namens verdachte is aangevoerd dat er ten aanzien van de verkoop van onroerende goederen destijds geen specifieke procedure was die gevolgd moest worden. Door verdachte werd gehandeld als aangegeven door zijn superieuren: verkopen tegen een zo hoog mogelijke prijs. Door de verkoop zoals die toentertijd heeft plaatsgevonden heeft verdachte ook goede zaken gedaan voor de gemeente en de hoogste prijs gekregen voor deze moeilijk verkoopbare onroerende goederen. Dat betekent dat verdachte niet in strijd met zijn plicht heeft gehandeld en van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

De rechtbank kan verdachte in deze redenering niet volgen. Inderdaad staat vast dat ten tijde van de verkoop van deze 6 woningen, geen specifieke procedure was aangegeven van de zijde van de gemeente, zodat verdachte in beginsel vrij was in zijn keuze voor de door hem bij die verkoop gehanteerde procedure. Dat neemt echter niet weg dat verdachte vanuit zijn functie als ambtenaar wist, althans behoorde te weten, dat de basis voor iedere door hem te kiezen procedure zou moeten zijn: de gelijkheid van alle geïnteresseerde partijen in het verkoopproces. Deze gelijkheid is door verdachte welbewust niet betracht nu hij één partij boven anderen heeft bevoordeeld door aan te geven met welk bedrag deze partij het hoogste bod zou doen. Door zo te handelen heeft verdachte gehandeld in strijd met zijn plicht en kan het ten laste gelegde bewezen worden verklaard.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 1 augustus 2003, in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte], beiden als ambtenaar in dienst van de gemeente Kerkrade, een gift, te weten enig geldbedrag, van [betrokkene] heeft aangenomen, wetende dat deze hem gedaan werd ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn toenmalige bediening was gedaan, welk doen hierin heeft bestaan dat hij, belast met de voorbereiding van de door de gemeente Kerkrade voorgenomen verkoop van zes woningen (gelegen aan de [straatnamen 1 tot en met 6]) aan de hoogste bieder bij inschrijving, en als zodanig bekend met de uitgebrachte biedingen, in strijd met het karakter van een verkoop bij wege van inschrijving en derhalve in strijd met zijn plicht, aan de in de koop van die woningen geïnteresseerde [betrokkene] voornoemd heeft laten weten bij welk bod (te weten Euro 330.000,- k.k.) die [betrokkene] als hoogste bieder bij inschrijving zou gelden en derhalve in aanmerking zou komen voor toewijzing van de verkoop aan die [betrokkene], en dat hij, verdachte, na ontvangst van een - door [medeverdachte] voornoemd op aanwijzing van hem, verdachte, op schrift gesteld - bod van die [betrokkene] ter hoogte van bovengenoemd bedrag ad Euro 330.000,- k.k. een advies-besluitformulier heeft opgesteld ten behoeve van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Kerkrade strekkende tot toewijzing van de verkoop van die woningen aan die [betrokkene] (waarop hij, verdachte, - na het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders tot verkoop aan die [betrokkene] - heeft meegewerkt aan het totstandkomen van een koopovereenkomst met die [betrokkene] en de eigendomsoverdracht van de woningen aan [betrokkene]).

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als volgt.

primair

medeplegen van als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn vroegere bediening is gedaan.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht

De raadsman heeft vrijspraak bepleit.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen het volgende.

In een rechtsstaat moeten de burgers er op kunnen vertrouwen dat bestuurders hun taak zorgvuldig en correct verrichten. Het overheidsbestuur dient integer te handelen en daarmee is per definitie strijdig dat strafbare handelingen zoals deze worden gepleegd. Dergelijk gedrag kan het vereiste vertrouwen van de burger in het overheidsbestuur schaden en ook de loyaliteit van de burger ten aanzien van gezag en regelgeving ondermijnen. Bestraffing van strafbare handelingen gepleegd door ambtenaren heeft dan ook mede ten doel voormelde norm te bevestigen, voor de samenleving en voor het ambtelijke apparaat zelf. De omstandigheid dat het aannemen van steekpenningen is gepleegd onder de vlag van de overheid maakt dit feit ernstiger dan soortgelijke feiten gepleegd door niet aan de overheid verbonden personen. Daarbij telt ook de positie die de verdachte als ambtenaar op de afdeling Ontwikkelingsbureau Kerkrade bekleedde, alsmede de rol die hij bij de verkoop van de panden aan [betrokkene] heeft vervuld.

Dit is een strafverhogende factor die de strafsoort en hoogte van de opgelegde straf mede heeft bepaald.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen verder gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank ten slotte nog acht geslagen op de omstandigheid dat het bijzondere karakter van de (tuchtrechtelijke gevolgen van de) strafzaak voor de verdachte meer dan gemiddeld belastend is geweest.

De rechtbank zal een taakstraf van na te vermelden duur opleggen. Daarnaast acht de rechtbank het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf geïndiceerd.

De rechtbank vindt ten slotte in de (redelijke) termijnoverschrijding geen aanleiding een lagere straf op te leggen dan de rechtbank zonder deze verdragsschending zou hebben opgelegd.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 363 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

-verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

-verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

-verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

-veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 maanden;

-beveelt dat de opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

-veroordeelt de verdachte tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 200 uren;

-beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast;

-beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uren per dag;

-heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. C.J.M. van den Acker en mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 26 september 2007.