Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB4364

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
27-09-2007
Zaaknummer
AWB 05 / 1646 BELEI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De in beroep aangevoerde stellingen komen er op neer dat er sprake is van een uit de verkeersbesluiten voortvloeiend nadeel dat redelijkerwijs niet ten laste van hen dient te blijven. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in het primaire besluit (onder meer) op het standpunt heeft gesteld dat dit nadeel (de door eisers gestelde schade als gevolg van een lagere omzetstijging) onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Hoewel het bestreden besluit ten aanzien van de vraag of eisers als gevolg van de verkeersbesluiten het door hen gestelde nadeel hebben ondervonden, van een uitgebreidere motivering had kunnen worden voorzien, houdt de rechtbank, mede gelet op het verhandelde ter zitting, het er voor dat verweerder zich ook in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de door eisers gestelde schade in de volle omvang het gevolg is van die verkeersbesluiten. De rechtbank onderschrijft dit standpunt. De namens eisers, ter staving van de door hen gestelde schade, overgelegde omzetgegevens laten een zo sterk wisselend beeld zien van de maandelijkse omzetten, zowel vóór, tijdens, als na de reconstructiewerkzaamheden, dat uit enkel die gegevens niet kan worden afgeleid of, en zo ja in welke mate, de (gestelde) lagere stijging van de omzet door die werkzaamheden is veroorzaakt. De rechtbank verwijst in dezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 juli 2004 (AB 2005, 214).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 05 / 1646 BELEI

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam1], eiser, en

[naam2], eiseres,

wonende te Wanssum, hierna gezamenlijk aangeduid als eisers,

tegen

het college van Gedeputeerde Staten van Limburg,

gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluit: 5 juli 2005

Kenmerk: 2005/30101

Behandeling ter zitting: 22 augustus 2007

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 5 juli 2005 (verzonden op 14 juli 2005) heeft verweerder het namens eisers ingediende bezwaarschrift van 8 maart 2005, gericht tegen zijn - hieronder nader te duiden - besluit van 26 januari 2005, ongegrond verklaard.

Bij brief van 24 augustus 2005 is namens eisers tegen eerstgenoemd besluit beroep ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingesteld. Bij brieven van 1 september 2005 en 8 augustus 2007 zijn de (nadere) gronden waarop het beroep berust bij de rechtbank ingediend.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eisers gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 22 augustus 2007, alwaar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. P.H.E. Bloemer, advocaat te Roermond.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. M.M.P.G. Meyer en mr. P.E.M. Franssen, beiden werkzaam bij de provincie Limburg.

2. Overwegingen

Verweerder heeft op 22 maart 2001 een tweetal verkeersbesluiten genomen in het kader van de (voorgenomen) reconstructie van de provinciale weg Eindhoven-Well (N270) ter hoogte van de bebouwde kom in Wanssum in de periode van 12 april tot 15 juli 2001. Daarbij zijn (onder meer) enkele verkeersmaatregelen genomen die voorzien in het geheel afsluiten van een gedeelte van de provinciale weg gedurende drie weekenden, in combinatie met een aantal omleidingroutes. In de besluiten is voorts gesteld dat “in het kader van de belangenafweging overwogen wordt dat alle objecten/gebieden bereikbaar blijven”.

Eisers, die een detailhandelzaak aan het adres [X-straat] te Wanssum exploiteren, hebben verweerder bij brief van 2 januari 2004 doen mededelen dat hun bedrijf als gevolg van de reconstructiewerkzaamheden in de periode van 23 april 2001 tot en met eind juli 2001 feitelijk onbereikbaar is geweest. Eisers hebben verweerder verzocht de als gevolg daarvan geleden omzetschade en bijkomende schade, in totaal beraamd op € 174.091,44, aan hen te vergoeden.

Naar aanleiding van een verzoek van verweerder om de gestelde schade nader te onderbouwen is namens eisers bij brief van 25 februari 2004 (met bijlagen) de totale schade gesteld op € 36.082,68 (waaronder € 34.711,68 omzetderving). Namens eisers is bij brief van 1 juni 2004 benadrukt dat dit bedrag als het juiste schadebedrag aangemerkt moet worden.

Bij brief van 12 augustus 2004 heeft verweerder eisers (gemachtigde) medegedeeld dat het in de brief van 2 januari 2004 vervatte verzoek wordt aangemerkt als een verzoek om een zelfstandig schadebesluit. Verweerder heeft voorts medegedeeld voornemens te zijn het verzoek af te wijzen. Daartoe is overwogen dat schade als gevolg van tijdelijke verkeersmaatregelen en reconstructiewerkzaamheden aan wegen behoort tot het normale maatschappelijk risico of het ondernemersrisico. De als gevolg van die maatregelen en werkzaamheden ondervonden schade wordt, tenzij er sprake is van onevenredige schade, dan ook niet vergoed. De door eisers gestelde schade is door verweerder als niet onevenredige schade aangemerkt omdat er geen sprake is van een omzetdaling van 15% of meer. Verweerder heeft voorts benadrukt dat het bedrijf van eisers gedurende de werkzaamheden bereikbaar is gebleven. Ten slotte heeft verweerder eisers medegedeeld dat de berekening van de minder gerealiseerde marge ad € 34.711,68 voor hem niet duidelijk is.

Bij brief van 6 september 2004 hebben eisers hun zienswijze ten aanzien van voornoemd voornemen kenbaar doen maken.

Bij het in rubriek 1 genoemde (primaire) besluit van 26 januari 2005 heeft verweerder zijn standpunt als verwoord in het voornemen gehandhaafd en (mitsdien) het verzoek van eisers afgewezen.

Namens eisers is tegen dat besluit bij brief van 8 maart 2005, aangevuld bij brief van 12 april 2005 bezwaar gemaakt. Eiseres en haar (toenmalige) gemachtigde zijn op 2 juni 2005 gehoord door de adviescommissie bezwaarschriften Provincie Limburg (een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb; hierna: commissie).

De commissie heeft verweerder op 6 juni 2005 geadviseerd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren. De commissie heeft in dat kader overwogen dat ten opzichte van eisers niet onevenredig of onzorgvuldig is gehandeld. Voorts heeft de commissie overwogen dat er geen sprake is van onevenredige schade nu, nog daargelaten of de door eisers gestelde lagere dan verwachte groei als schade kan worden aangemerkt, de omzetderving minder bedraagt dan 15% van de door eisers verwachte omzet.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar en overname van voornoemd advies van de commissie het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben zich ook met dit besluit niet kunnen verenigen en hebben hiertegen beroep bij de rechtbank doen instellen. In beroep is namens eisers - kort samengevat - allereerst naar voren gebracht dat het verzoek om schadevergoeding ten onrechte niet is afgehandeld op grond van de Schadeverordening Provincie Limburg (hierna: de verordening). Hierdoor heeft verweerder ten onrechte de schade als gevolg van feitelijke handelingen (snoeiwerkzaamheden en beklinkeren van opritten), die zijn verricht nadat de reconstructiewerkzaamheden waren afgerond, niet in zijn besluitvorming betrokken. Voorts is gesteld dat verweerder ten onrechte zonder meer een drempel van 15% heeft toegepast. Er is wel sprake van schade dat het maatschappelijk ondernemersrisico te boven gaat. Daartoe is aangevoerd dat het bedrijf van eisers, anders dan de andere bedrijven op het in de directe nabijheid gelegen industrieterrein, gedurende de weekeinden is geopend. Het bedrijf van eisers is gedurende vier weekeinden, althans gedurende de periode 23 juni tot en met 12 juli 2001, feitelijk onbereikbaar geweest. Deze onbereikbaarheid kan niet als een normaal maatschappelijk risico worden aangemerkt. Daarnaast is betoogd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de draagkracht van eisers en bij de vraag of eisers in aanmerking komen voor een schadevergoeding niet volledig heeft getoetst aan het égalité-beginsel nu bij de overwegingen over de vraag of eisers onevenredig zijn benadeeld niet is ingegaan op de belangen van eisers. Er is sprake van strijd met het evenredigheidbeginsel nu de nadelige gevolgen van de verkeersbesluiten niet evenredig zijn aan de met die besluiten te dienen doelen. Het bestreden besluit is in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Bij de beoordeling van inkomensschade is het niet ongebruikelijk dat wordt uitgegaan van een hypothetische situatie die is gebaseerd op de brutowinst van het bedrijf in de voorgaande jaren.

Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil te komen overweegt de rechtbank het volgende.

Hoewel de bewoordingen van de brief van 2 januari 2004 de mogelijkheid bieden om het daarin vervatte verzoek als een civielrechtelijke aansprakelijkstelling op te vatten, ziet de rechtbank, de gedingstukken overziend, onvoldoende aanleiding te oordelen dat verweerder deze brief niet als een aanvraag in de zin van de Awb heeft mogen aanmerken.

De rechtbank dient vervolgens in dit geding te beoordelen of de afwijzing van het verzoek van eisers om nadeelcompensatie in rechte stand kan houden.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

De rechtbank stelt vast dat ter zitting is gebleken dat eisers de grief dat verweerder bij zijn besluitvorming ten onrechte niet aan de verordening heeft getoetst niet langer handhaven; beoordeling van deze grief kan derhalve achterwege blijven.

Vervolgens overweegt de rechtbank dat verweerder bij de beoordeling van het verzoek van eisers terecht heeft beoordeeld of er sprake is van schade als gevolg van de verkeersbesluiten nu eisers hebben gesteld als gevolg van die besluiten schade te hebben ondervonden. Hieruit volgt dat verweerder heeft kunnen voorbijgaan aan de door eisers gestelde schade als gevolg van de niet rechtstreeks uit die verkeersbesluiten voortvloeiende snoeiwerkzaamheden en het beklinkeren van opritten.

De rechtbank stelt vervolgens voorop dat, gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 oktober 1998, JB 1998/278), verkeersmaatregelen als de onderhavige moeten worden beschouwd als een normale maatschappelijke ontwikkeling, waarmee een ieder kan worden geconfronteerd. De nadelige gevolgen daarvan horen in beginsel voor rekening van betrokkenen te blijven. Dat neemt niet weg dat zich feiten en/of omstandigheden kunnen voordoen waardoor een individueel belang ten gevolge van een dergelijke maatregel zodanig zwaar wordt getroffen dat het uit die maatregel voortvloeiend nadeel redelijkerwijs niet ten laste van betrokkenen dient te blijven. Dat sprake is van een dergelijke situatie dient in beginsel door de betrokkenen aannemelijk te worden gemaakt.

In de kern komen de in beroep aangevoerde stellingen van eisers er op neer dat er sprake is van een uit de verkeersbesluiten voortvloeiend nadeel dat redelijkerwijs niet ten laste van hen dient te blijven. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in het primaire besluit (onder meer) op het standpunt heeft gesteld dat dit nadeel (de door eisers gestelde schade als gevolg van een lagere omzetstijging) onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Hoewel het bestreden besluit ten aanzien van de vraag of eisers als gevolg van de verkeersbesluiten het door hen gestelde nadeel hebben ondervonden, van een uitgebreidere motivering had kunnen worden voorzien, houdt de rechtbank, mede gelet op het verhandelde ter zitting, het er voor dat verweerder zich ook in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de door eisers gestelde schade in de volle omvang het gevolg is van die verkeersbesluiten. De rechtbank onderschrijft dit standpunt. De namens eisers, ter staving van de door hen gestelde schade, overgelegde omzetgegevens laten een zo sterk wisselend beeld zien van de maandelijkse omzetten, zowel vóór, tijdens, als na de reconstructiewerkzaamheden, dat uit enkel die gegevens niet kan worden afgeleid of, en zo ja in welke mate, de (gestelde) lagere stijging van de omzet door die werkzaamheden is veroorzaakt. De rechtbank verwijst in dezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 juli 2004 (AB 2005, 214).

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eisers reeds hierom voor ongegrond moet worden gehouden.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt daarom beslist als aangegeven in rubriek 3.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers in tegenwoordigheid van mr. R.J.G. Welters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2007.

w.g. R. Welters w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 26 september 2007.

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.