Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB4225

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
AWB 06 / 1443 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is een bedrijf dat afval sorteert en vervolgens dit afval doorgeeft aan recyclingbedrijven.

Op 28 juli 2005 heeft de arbeidsinspectie een inspectie uitgevoerd bij eiseres. Hierbij is nagegaan of aan een aantal wettelijke bepalingen op het gebied van arbeidsomstandigheden werd voldaan. Tijdens de inspectie is een groot aantal overtredingen van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) geconstateerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06 / 1443 WET

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser],

gevestigd te Brunssum, eiseres,

tegen

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Datum bestreden besluit: 18 mei 2006

Kenmerk: AI/JZ/2006/42809

Behandeling ter zitting: 4 mei 2007

1. Procesverloop

Met ingang van 1 januari 2007 is de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als het bevoegde bestuursorgaan inzake onderhavige geschillen. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Bij besluit van 7 november 2005 heeft verweerder aan eiseres op grond van artikel 27, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (hierna: Arbowet), zoals deze bepaling ten tijde van de beslissing op bezwaar gold, een aantal eisen met betrekking tot de blootstelling aan gevaarlijke stoffen (dieselmotoremissie/DME), geluidsoverlast en fysieke belasting gesteld.

Vervolgens heeft verweerder bij het in de aanhef van de uitspraak genoemde besluit van

18 mei 2006 het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar deels gegrond en ongegrond verklaard.

Bij schrijven van 15 juni 2006 heeft eiseres pro forma beroep doen instellen tegen voornoemd besluit bij deze rechtbank. Bij schrijven van 12 juli 2006 zijn de gronden van beroep nader aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. De inhoud van deze stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Bij telefaxbericht van 19 april 2007 heeft de gemachtigde van eiseres, mr. M. Deinum, advocaat te Heerlen, aan de rechtbank medegedeeld dat van de zijde van eiseres niemand ter zitting zal verschijnen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 4 mei 2007, waar eiseres – zoals aangekondigd – niet is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. I. Guffens-Faber en mevrouw W. de Groot, ambtenaren van verweerders ministerie.

2. Overwegingen

Eiseres is een bedrijf dat afval sorteert en vervolgens dit afval doorgeeft aan recyclingbedrijven.

Op 28 juli 2005 heeft de arbeidsinspectie een inspectie uitgevoerd bij eiseres. Hierbij is nagegaan of aan een aantal wettelijke bepalingen op het gebied van arbeidsomstandigheden werd voldaan. Tijdens de inspectie is een groot aantal overtredingen van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) geconstateerd.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Arbowet (oud) kan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van deze wet aan een werkgever een eis stellen betreffende de wijze waarop een of meer bepalingen gesteld bij of krachtens deze wet moeten worden nageleefd.

Ingevolge het tweede lid vermeldt een eis van welke regelen hij de wijze van naleving bepaalt en bevat deze eis de termijn waarbinnen eraan moet zijn voldaan.

Ingevolge het derde lid, eerste volzin, is de werkgever verplicht om aan de eis te voldoen.

Bij besluit van 7 november 2005 heeft verweerder aan eiseres een aantal eisen gesteld op het gebied van blootstelling aan gevaarlijke stoffen, geluidsoverlast en fysieke belasting.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar doen instellen. In het kader van de bezwaarprocedure is eiseres op 21 maart 2006 gehoord.

Vervolgens heeft verweerder het thans bestreden besluit van 18 mei 2006 genomen, waarbij de bezwaren van eiseres gedeeltelijk gegrond en ongegrond zijn verklaard; een aantal eisen is door verweerder ingetrokken.

Eiseres heeft zich ook met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen beroep doen instellen bij de rechtbank.

Eiseres heeft in eerste instantie de rechtbank verzocht om een jaar uitstel voor het aanvullen van de beroepsgronden, omdat het gebouw waarin haar bedrijf was gevestigd ondertussen door een brand volledig is verwoest. Eiseres heeft de rechtbank meegedeeld dat het bedrijfsgebouw na de afwikkeling van de schade zal worden herbouwd. Eerst dan zal het huidige beroep volgens de gemachtigde van eiseres weer actueel worden.

De rechtbank heeft dit uitstelverzoek niet gehonoreerd, waarna de gemachtigde van eiseres de gronden van beroep heeft ingediend.

Bij telefaxbericht van 19 april 2007 heeft de gemachtigde van eiseres – onder meer – aan de rechtbank medegedeeld dat het belang van eiseres bij een uitspraak onverkort aanwezig is aangezien zij overweegt haar onderneming voort te zetten op de wijze als voorheen.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres, gelet op haar intentie de onderneming, na herbouw van het bedrijfsgebouw weer voort te zetten, belang heeft bij de beoordeling van haar beroep. De rechtbank overweegt hiertoe dat de feiten en omstandigheden die aanleiding zijn geweest tot het opleggen van de in geding zijnde eisen, ook weer een rol kunnen gaan spelen bij het opstarten van het nieuwe bedrijf.

De rechtbank zal hierna de door verweerder gestelde eisen aan eiseres met betrekking tot de blootstelling aan gevaarlijke stoffen en geluidsoverlast bespreken.

De rechtbank merkt voorts nog op dat de in artikel 27, eerste lid, van de Arbowet (oud) neergelegde bevoegdheid om aan een werkgever een eis te stellen betreffende de wijze waarop een of meer bepalingen bij of krachtens de wet moeten worden nageleefd van discretionaire aard is. Het is vaste jurisprudentie dat de wijze waarop verweerder van een dergelijke bevoegdheid gebruik maakt door de rechtbank slechts terughoudend kan worden getoetst.

In het thans bestreden besluit van 18 mei 2006 heeft verweerder aan eiseres de eis gesteld dat arbeidsmiddelen / voertuigen die door een dieselmotor worden aangedreven uit omsloten ruimten dienen te worden geweerd c.q. dat de door de dieselmotoren veroorzaakte dieselmotoremissies (verder te noemen: DME) dienen te worden afgevoerd naar een veilige plek buiten de omsloten ruimten. Aan deze eis kan worden voldaan door het inzetten van adequate arbeidsmiddelen, waardoor de uitstoot van DME met tenminste 70% wordt verminderd. Dit kan door op ieder voertuig een roetfilter te plaatsen met een gravimetrisch afvangrendement van tenminste 70%.

Deze eis is gebaseerd op artikel 4.3a, aanhef en onder b en e van het Arbobesluit, waarin is bepaald – zakelijk weergegeven – dat blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen – in het onderhavige geval is dat DME – moet worden voorkomen of tot een zo laag mogelijk niveau moet worden beperkt door gebruik te maken van adequate arbeidsmiddelen. Verder moeten de mate en duur van de blootstelling zoveel mogelijk worden beperkt.

Gebleken is dat in de voormalige sorteerhal van het bedrijf van eiseres door dieselmotoren aangedreven shovels, een kraan en vrachtwagens van derden rond reden, terwijl in die hal werknemers aanwezig waren die werden blootgesteld aan DME.

Namens eiseres is aangevoerd dat verweerder geen metingen heeft verricht bij de inspectie in het kader van gevaarlijke stoffen als DME. Volgens eiseres is het bestreden besluit ten aanzien van de blootstelling van haar werknemers aan DME dan ook niet voldoende gemotiveerd.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat een meting door de inspecteur niet hoeft te worden verricht. Voldoende is dat de inspecteur tijdens de inspectie vaststelt dat werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan DME. Bovendien is het ingevolge artikel 4.2 van het Arbobesluit een wettelijke plicht van de werkgever om zodanig onderzoek naar de blootstelling van gevaarlijke stoffen (te laten) doen.

Het standpunt van eiseres dat normen ontbreken die aangeven in hoeverre DME schadelijk is voor de gezondheid en dat verweerder derhalve niet de eis kan opleggen dat roetfilters moeten worden toegepast, kan de rechtbank niet volgen. Vast staat immers dat DME als een kankerverwekkende stof is gekwalificeerd, hetgeen betekent dat iedere blootstelling aan DME – in welke mate dan ook – een gevaar meebrengt voor de gezondheid. De rechtbank acht dit gegeven voldoende voor verweerder om maatregelen te nemen om de blootstelling aan DME zo laag mogelijk te laten zijn.

Eiseres heeft vervolgens betwist dat de sorteerhal een “omsloten ruimte” is. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat in de sorteerhal twee zeer grote poorten aanwezig zijn die gedurende de werkzaamheden geopend zijn en voor voldoende ventilatie zorgen. Daarnaast is volgens eiseres in het dak van de sorteerhal een groot aantal rookgasluiken aangebracht, die zorgen voor een zeer goede ventilatie. Eiseres is van mening dat hierdoor een situatie is ontstaan die vergelijkbaar is met een locatie in de open lucht.

De rechtbank stelt voorop dat voor de toepassing van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit de beslotenheid van de ruimte niet van belang is. De rechtbank voegt hier ten overvloede aan toe dat zij met verweerder van oordeel is dat de gestelde omstandigheid dat deuren, die toegang geven tot de sorteerhal, altijd geopend zouden zijn, niet afdoet aan de kwalificatie van de sorteerhal als omsloten ruimte. De rechtbank zijn ook geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan verweerder niet op de desbetreffende vaststelling van zijn inspecteur heeft mogen afgaan.

Voorzover eiseres de doeltreffendheid van roetfilters heeft willen betwisten, overweegt de rechtbank dat eiseres geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het stellen van een eis op dit punt aangewezen was. Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank dat eiseres met de door haar overlegde documentatie niet aannemelijk heeft gemaakt dat de roetfilters waarvan in het bestreden besluit sprake is, niet het beoogde effect zouden sorteren.

Eiseres heeft verder gewezen op een uitspraak van de Europese Commissie van 3 mei 2006, waarin, kort gezegd, is bepaald dat roetfilters voor dieselauto’s niet eerder dan in 2009 verplicht zullen worden gesteld. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de eis om roetfilters te plaatsen op haar arbeidsvoertuigen ook niet eerder dan vanaf 2009 kan gaan gelden.

De rechtbank is van oordeel dat deze vergelijking voor eiseres niet op kan gaan, nu het verplicht stellen van roetfilters op dieselauto’s ziet op milieubescherming, terwijl het in casu gaat om de bescherming van veiligheid en gezondheid van werknemers bij het verrichten van hun werk. De thans in geding zijnde eis om roetfilters te plaatsen ziet dan ook op andere normen dan de uitspraak van de Europese Commissie.

Voor zover eiseres zich heeft beroepen op het gelijkheidsbeginsel, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiseres niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd dat verweerder met eiseres vergelijkbare grotere ondernemingen ongemoeid laat.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, nu eiseres in haar bedrijf geen afdoende maatregelen heeft genomen om de blootstelling aan DME te beperken, in redelijkheid de hierboven gestelde eis aan eiseres kunnen opleggen.

Verweerder heeft voorts de eis gesteld dat het sorteren moet plaatsvinden in een compartiment dat is afgescheiden van de sorteerhal. Bij eiseres is volgens verweerder sprake van een sorteercabine. De luchtverversing in de sorteercabine moet volgens verweerder minimaal 25 m3 / uur per persoon bedragen. De toevoerlucht moet zonodig worden gefilterd om verontreiniging van de lucht in de cabine te voorkomen. Verder dient er een temperatuur¬regeling aanwezig te zijn in de sorteercabine. Verweerder heeft deze eis gebaseerd op artikel 6.2, eerste en derde lid, van het Arbobesluit.

Volgens eiseres zijn laatstgenoemde wettelijke bepalingen op grond van het vierde lid van artikel 6.2 van het Arbobesluit niet van toepassing, omdat de cabine te beschouwen is als een gebouw in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Woningwet.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht en op goede gronden de op artikel 6.2, eerste lid , van het Arbobesluit gebaseerde, norm voor voldoende toevoer van verse lucht en filtering van de toevoerlucht, zoals deze nader is uitgewerkt in de Arbobeleidsregel (25 m3/ uur per persoon) op eiseres van toepassing geacht, evenals de op artikel 6.1, tweede lid, van het Arbobesluit gebaseerde norm voor de temperatuurregeling.

De rechtbank is voorts, mede naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, met verweerder van oordeel dat de afgesloten ruimte waar werknemers van eiseres aan de lopende band staan om nog bruikbare spullen van deze band af te halen voordat deze spullen in de machine verdwijnen, gezien moet worden als onderdeel van de sorteermachine en zodoende een op zichzelf staande arbeidsplaats in de zin van artikel 1, derde lid, onder g, van de Arbowet vormt. Deze ruimte is dan ook niet aan te merken als een gebouw in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Woningwet. Dit brengt mee dat de door verweerder gestelde eis van de luchtverversingsinstallatie van toepassing is op de sorteercabine.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om bovenstaande eis te stellen.

Uit het bestreden besluit blijkt voorts dat verweerder de eis ten aanzien van de geluidsoverlast heeft gehandhaafd, inhoudende dat de storttrechters met rubber dienen te worden bekleed, omdat het inwerpen van zwaardere voorwerpen in deze storttrechters een overschrijding oplevert van een equivalent geluidsniveau hoger dan 85 dB (A).

Deze eis is gebaseerd op artikel 6.8, eerste en derde lid, van het Arbobesluit, waarin is bepaald dat machines, werktuigen, installaties, vervoer- en transportmiddelen van zodanige constructie zijn / zodanig zijn ingericht dat zij bij het in werking zijn op de arbeidsplaats geen equivalent geluidsniveau veroorzaken hoger dan 85 dB (A) of een momentaan geluiddrukniveau hoger dan 200 Pa. Is dit niet mogelijk, dan moeten er voorzieningen worden getroffen waardoor zoveel mogelijk wordt voorkomen dat evengenoemde geluidsniveaus op de arbeidsplaats heersen.

Volgens eiseres is het bestreden besluit op dit punt niet gemotiveerd, omdat verweerder in de ogen van eiseres geen eigen onderzoek zou hebben verricht naar de overschrijding van het geluidsniveau conform de norm NEN 3418.

De rechtbank merkt in dit verband op dat verweerder in 1998 een geluidsmeting heeft verricht, waarbij een overschrijding van het geluidsniveau is geconstateerd. De rechtbank is gebleken dat van de zijde van eiseres niet is gesteld dat eiseres sinds die tijd verbeteringen heeft aangebracht aan de storttrechters, zodat verweerder terecht heeft kunnen uitgaan van het gegeven dat de storttrechters in strijd zijn met artikel 6.8 van het Arbobesluit.

De rechtbank komt, gezien het vorenstaande, tot het oordeel dat verweerder bij het thans bestreden besluit in redelijkheid de aan eiseres opgelegde eis tot het plaatsen van geluiddempend materiaal op de storttrechters heeft kunnen handhaven.

In hetgeen overigens in beroep is aangevoerd door eiseres ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Het beroep is ongegrond..

Gelet op artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. R.E. Bakker (voorzitter), J.F.W. Huinen en F.L.G. Geisel in tegenwoordigheid van mr. D.H.J. Laeven als griffier en in het openbaar uitgesproken

op 29 mei 2007

door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. D. Laeven w.g. R.E. Bakker

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 29 mei 2007

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onver¬wijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.