Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB3598

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-01-2007
Datum publicatie
17-09-2007
Zaaknummer
AWB 06 / 742 WAV HEM
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door verweerder is vastgesteld dat eisers op 13 maart 2005 in hun onderneming aan [adres] te Geleen de bepalingen van de Wav hebben overtreden. Het in dat kader door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie M.J.M. Eggen en T.J. Veltstra op 25 april 2005 opgestelde boeterapport is aan eisers verzonden. Bij schrijven van 28 april 2005 heeft verweerder eisers bericht dat het waarschijnlijk niet mogelijk is het bestuurlijk traject binnen de in artikel 19e, derde lid, van de Wav genoemde termijn van orde van 13 weken af te ronden. Vervolgens heeft verweerder eisers bij brief van 1 juni 2005 in kennis gesteld van het voornemen eisers ter zake een bestuurlijke boete op te leggen. Van de in dat kader geboden mogelijkheid om zienswijzen kenbaar te maken is door de gemachtigde van eisers bij schrijven van 14 juni 2005 gebruik gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06 / 742 WAV HEM

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

1.[bedrijf A], gevestigd te Geleen, waarvan de vennoten zijn

2.[eiser 1]

3[eiser 2], beide wonende te Urmond

eisers

tegen

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Arbeidsinspectie),

gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Datum bestreden besluit: 27 februari 2006

Kenmerk: AI/JZ/2006/17363

Behandeling ter zitting: 21 december 2006

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 27 februari 2006 heeft verweerder het namens eisers ingediende bezwaarschrift van 4 augustus 2005, waarbij op grond van artikel 19e, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) aan [bedrijf A] een bestuurlijke boete van € 32.000,-- is opgelegd, ongegrond verklaard.

Bij brief van 20 maart 2006 is tegen eerstgenoemd besluit namens eisers beroep ingesteld door hun gemachtigde mr. H.C.M.G. Diets, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand te Leusden.

Bij brief van 13 april 2006 zijn de nadere gronden waarop het beroep berust bij de rechtbank ingediend.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eisers gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift van 19 juni 2006.

De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 21 december 2006, waar eiser [1] in persoon is verschenen alsmede zijn dochter [mevr A], bijgestaan door gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mevr. mr. S.V. Nascimento.

2. Overwegingen

De feiten

Door verweerder is vastgesteld dat eisers op 13 maart 2005 in hun onderneming aan [adres] te Geleen de bepalingen van de Wav hebben overtreden. Het in dat kader door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie M.J.M. Eggen en T.J. Veltstra op 25 april 2005 opgestelde boeterapport is aan eisers verzonden. Bij schrijven van 28 april 2005 heeft verweerder eisers bericht dat het waarschijnlijk niet mogelijk is het bestuurlijk traject binnen de in artikel 19e, derde lid, van de Wav genoemde termijn van orde van 13 weken af te ronden. Vervolgens heeft verweerder eisers bij brief van 1 juni 2005 in kennis gesteld van het voornemen eisers ter zake een bestuurlijke boete op te leggen. Van de in dat kader geboden mogelijkheid om zienswijzen kenbaar te maken is door de gemachtigde van eisers bij schrijven van 14 juni 2005 gebruik gemaakt.

Bij primair besluit van 7 juli 2005 heeft verweerder aan eisers vanwege overtreding van het in artikel 2, eerste lid, van de Wav neergelegde verbod een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning, een bestuurlijke boete opgelegd van

€ 32.000,-- (4 maal € 8.000,--).

Blijkens het op ambtsbelofte door genoemde inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakt boeterapport van 25 april 2005 is door hen geconstateerd dat op 13 maart 2005 in de keuken van het restaurant van eisers zes personen arbeid verrichtten bestaande uit het koken van Chinese gerechten en aanverwante werkzaamheden. Een aantal mannen was bezig met het inscheppen van gerechten in plastic bakjes, een man was vlees aan het hakken en een aantal mannen was bezig met het roeren in wokken. Voorts was een man borden aan het afwassen. Van de werkzame personen in de keuken bleken twee personen zich niet te kunnen legitimeren en een derde persoon bleek een Italiaanse verblijfsvergunning te hebben en de Chinese nationaliteit. In het restaurantgedeelte waren zespersonen werkzaam. Van deze zes personen bleken aan de hand van de getoonde identiteitsdocumenten dat vijf personen legaal in Nederland mogen verblijven en werken. Eisers bleken niet te beschikken over tewerkstellingsvergunningen voor de drie personen die zijn overgebracht naar een plaats van verhoor. Tevens bleek er geen tewerkstellingsvergunning te zijn voor de vreemdeling met de Italiaanse verblijfsvergunning.

De vermoedelijke identiteit van de vreemdelingen [vreemdeling A] (geboren op 15 mei 1980 te Fujiang China, met onbekende nationaliteit), [vreemdeling B] (geboren op 12 november 1988, met de Chinese nationaliteit), [vreemdeling C] (geboren op 22 april 1969 te Zhejiang, China, met de Chinese nationaliteit, wonende te Italië) zijn vastgesteld door ambtenaren van de regiopolitie op een bureau van politie, omdat van deze vreemdelingen niet onmiddellijk de nationaliteit kon worden vastgesteld.

[vreemdeling D] (geboren op 13 juni 1978 te Zhejiang, China met de Chinese nationaliteit) identificeerde zich wel met een geldig identiteitsbewijs, maar die bleek van [mevr A], de dochter van de eigenaren van belanghebbende te zijn. Alle vreemdelingen zijn als getuigen gehoord met behulp van een tolk in de Chinese taal. Voorts is een van de eigenaren van het restaurant, namelijk [eigenaar 1], als belanghebbende gehoord.

Tegen het besluit van 7 juli 2005 hebben eisers een bezwaarschrift doen indienen bij verweerder.

Op 16 november 2005 zijn eisers in de gelegenheid gesteld om telefonisch op het bezwaar te worden gehoord. Van dit horen is een verslag opgemaakt.

Het besluit

Bij het bestreden besluit van 27 februari 2006 heeft verweerder het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard.

Het beroep

Eisers kunnen zich daarmee niet verenigen en hebben daartoe in beroep, samengevat, aangevoerd dat:

- het boeterapport niet is gedagtekend en verweerder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met overschrijding van de termijn van 13 weken als bedoeld in artikel 19e, derde lid, van de Wav;

- de boete is opgelegd in strijd met het legaliteitsbeginsel;

- volgens artikel 2:3 BW een VOF geen rechtspersoonlijkheid bezit.

Eisers verzoeken de rechtbank het beroep kennelijk gegrond te verklaren en het beroep op voet van artikel 8:54 van de Awb vereenvoudigd af te doen.

Het verweer

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Er is -samengevat- aangegeven dat er wel degelijk sprake is van dagtekening van het boeterapport en er tijdig is beslist en dat er geen strijd is met het legaliteitsbeginsel om de vennootschap onder firma als rechtspersoon in het kader van de Wav aan te merken.

De beoordeling

In dit geding dient de rechtbank te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

De rechtbank komt dienaangaande tot de volgende beoordeling.

In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wav is bepaald dat onder een vreemdeling wordt verstaan hetgeen daaronder wordt volstaan in de Vreemdelingenwet 2000.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder m, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt onder vreemdeling verstaan ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder een tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b sub 1, respectievelijk onder c, van de Wav wordt als werkgever aangemerkt degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten, en als vreemdeling hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000.

Ingevolge artikel 18 van de Wav wordt (onder meer) het niet naleven van artikel 2, eerste lid, van de Wav als beboetbaar feit aangemerkt.

Artikel 18a, eerste lid, Wav bepaalt dat beboetbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Op basis van het derde lid wordt een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid met een rechtspersoon gelijkgesteld.

In artikel 18b, eerste lid, van de Wav is bepaald dat de toezichthouder, indien deze vaststelt dat een beboetbaar feit is begaan, daarvan zo spoedig mogelijk rapport opmaakt.

In artikel 19a, eerste lid, van de Wav is bepaald dat een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar, namens hem de boete oplegt aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

In artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder b, is aangegeven dat de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk is aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,--. In het derde lid is bepaald dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beleidsregels vaststelt, waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Artikel 19e, derde lid, van de Wav bepaalt dat de beschikking waarbij de boete wordt opgelegd, wordt gegeven binnen dertien weken na dagtekening van het rapport bedoeld in artikel 18b.

Artikel 19f van de Wav bepaalt dat de bevoegdheid om een boete op te leggen vervalt na verloop van twee jaren na de dag waarop het beboetbare feit is geconstateerd en dat de beslissing om een boete op te leggen deze termijn stuit.

Ingevolge beleidsregel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav (Stcrt. 2004, 249 / pag. 39) wordt bij de berekening van de boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder a van de Wav, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav (Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd. Ingevolge de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav gesteld op € 8.000,--.

Inmiddels is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 22 maart 2006 (LJN: AV6279 en gepubliceerd in AB 2006, 133) uitgemaakt, dat het opleggen van een bestuurlijke boete, zoals hier aan de orde, een discretionaire bevoegdheid betreft waarvan gebruik kan - maar niet onder alle omstandig¬heden behoeft te - worden gemaakt. De bij het bestreden besluit gehandhaafde bestuurlijke boete is aan te merken als een punitieve sanctie. Door de rechtbank dient daarom, mede gelet op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in volle omvang te worden getoetst of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding.

Uit de gedingstukken moet worden opgemaakt - ter zitting is door de gemachtigde van eisers ook aangegeven dat dit niet in geschil is - dat eisers ten aanzien van 4 personen hebben gehandeld in strijd met het verbod van artikel 2, eerste lid, van de Wav.

De door verweerder aan eisers opgelegde boete is in overeenstemming met het uit voornoemde beleidsregels voortvloeiende normbedrag. Door eisers zijn voorschriften overtreden die gesteld zijn ter bestrijding van illegale tewerkstelling van personen. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken Tweede Kamer, 2003-2004, 29 523, nr. 3, p1) zijn die voorschriften gegeven ter bestrijding van verdringing van legaal arbeidsaanbod in Nederland en de Europese Economische Ruimte op de arbeidsmarkt, overtreding van normen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, die kan leiden tot uitbuiting van de illegaal tewerkgestelde vreemdeling en concurrentievervalsing binnen een sector, waardoor de bedrijfsvoering van bonafide werkgevers wordt geschaad. Ook is aangegeven dat het vooral illegaal verblijvende vreemdelingen zijn die illegale arbeid verrichten en in strijd met het uitzettingsbeleid van de regering daardoor hun verblijf in Nederland kunnen voortzetten.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn, gelet op het met de wet beoogde doel en uit oogpunt van een hanteerbaar en consistent straftoemetingsbeleid, de door verweerder in de bijlage bij de Beleidsregels vastgestelde boetebedragen van € 8.000,- (per overtreding) voor beboetbare feiten als hier aan de orde, niet onevenredig hoog.

De rechtbank kan eisers niet volgen in het gestelde in het beroepschrift dat het boeterapport niet is gedagtekend en niet binnen een termijn van 13 weken als bedoeld in artikel 19e, derde lid, van de Wav is besloten. Ter zitting is door de gemachtigde van eisers in dat verband gesteld, dat de dagtekening zou moeten corresponderen met de datum van opmaak en niet met de datum van inzending aan de boeteoplegger. Die laatste datum is 25 april 2005, maar de datum van opmaak zou volgens de gemachtigde van eisers ergens begin april 2005, samenhangend met het moment van het horen van [eigenaar 1], moeten liggen. Uitgaande van die laatste datum is niet beslist binnen genoemde termijn van 13 weken.

Zoals verweerder in zijn verweerschrift terecht heeft gesteld, blijkt uit het boeterapport (gedingstuk B1, p. 5) dat dit boeterapport is gedateerd op 25 april 2005. De rechtbank is van oordeel dat de datum van ondertekening van het boeterapport (en de inzending daarvan) als de datum van dagtekening als bedoeld in artikel 19e, derde lid, van de Wav (in combinatie met artikel 18b, eerste lid, van de Wav) kan worden gezien. Het besluit in primo dateert van 7 juli 2005 en is derhalve binnen genoemde termijn van 13 weken gegeven. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat het hier gaat om een termijn van orde, aangezien in artikel 19f van de Wav is bepaald dat de bevoegdheid om een boete op te leggen vervalt na verloop van twee jaren na de dag waarop het beboetbare feit is geconstateerd en de beslissing om een boete op te leggen deze termijn stuit.

Eisers hebben voorts aangevoerd dat ingevolge artikel 2:3 BW een vennootschap onder firma geen rechtspersoonlijkheid bezit. Zoals hiervoor reeds is overwogen is in artikel 18a, eerste lid, van de Wav bepaald dat een beboetbaar feit kan worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. In het derde lid van dit artikel is aangegeven, dat voor de toepassing van het eerste lid een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid wordt gelijkgesteld met een rechtspersoon. Eisers, een vennootschap onder firma, worden dan ook in het kader van de Wav gelijkgesteld met een rechtspersoon. In artikel 19d, eerste lid, van de Wav is voorts bepaald dat de boete die aan een rechtspersoon kan worden opgelegd ten hoogste € 45.000,-- bedraagt.

In dit verband verwijst de rechtbank ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 juni 2006 (LJN: AX8523, AB 2006, 308), waarin is geoordeeld dat de voor een rechtspersoon geldende boete ook aan de vennootschap onder firma kan worden opgelegd. Eisers grief dienaangaande dat een en ander in strijd is met het legaliteitsbeginsel genoemd in het EVRM treft dan ook geen doel.

Gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eisers als werkgever ten aanzien van 4 vreemdelingen hebben gehandeld in strijd met het verbod van artikel 2, eerste lid, van de Wav, zodat verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om deswege een bestuurlijke boete op te leggen van € 32.000,-- (4 maal € 8000,--).

Dat ten aanzien van 1 van de 4 vreemdelingen, zoals de gemachtigde van eisers ter zitting heeft gesteld, wellicht aan 1 van de reeds genoemde - aan de Wet arbeid vreemdelingen ten grondslag liggende - doelstellingen niet is voldaan, doet daaraan niet af. Immers op basis van artikel 2, eerste lid, van de Wav is het sec zonder tewerkstellingsvergunning arbeid laten verrichten van een vreemdeling verboden.

Gelet op voorgaande overwegingen kunnen de in beroep naar voren gebrachte gronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zodat het beroep van eisers ongegrond dient te worden verklaard.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt derhalve als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden in tegenwoordigheid van mr. A.G.P.M Zweipfenning als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2007

door mr. Seerden voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. A. Zweipfenning w.g. Seerden

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 15 januari 2007

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onver¬wijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.