Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB3581

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
14-09-2007
Zaaknummer
AWB 06 / 2079 WAV
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door inspecteurs van de Arbeidsinspectie is bij een controle op 7 oktober 2005 bij het [Grieks restaurant], waarvan eiser (mede-)eigenaar is, gebleken dat door een zekere mw. [A] arbeid werd verricht, bestaande uit het afruimen van glazen en borden van de tafels waar mensen hadden gegeten. Tevens nam zij bestellingen op. [mevr A] bleek de Poolse nationaliteit te bezitten en was in het bezit van een verblijfsdocument met nummer NLD70827140. Op de achterkant van dit document stond vermeld: “verblijf voor studie; arbeid in loondienst alleen toegestaan indien de werkgever beschikt over een tewerkstellingsvergunning”. [mevr A] bleek vreemdeling te zijn in de zin van artikel 1 onder c van de Wav.

Eiser bleek niet te beschikken over een tewerkstellingsvergunning die geldig was op de datum en plaats van de arbeid en/of voor de waargenomen arbeid voor de tewerkstelling van [mevr A]. Zij was daarom illegaal tewerkgesteld. Voorts blijkt uit de verklaringen dat eiser niet ontkent dat er sprake is van een overtreding in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wav.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06 / 2079 WAV

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake het geding tussen

[eiser],

wonende te Maastricht, eiser,

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Arbeidsinspectie),

gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Datum bestreden besluit: 24 augustus 2006.

Kenmerk: AI/JZ/2006/71827.

Behandeling ter zitting: 3 mei 2007.

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het namens eiser ingediende bezwaarschrift, gericht het besluit van verweerder 22 februari 2006 waarbij op grond van artikel 19e, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) een boete van € 8.000,-- is opgelegd, ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 24 augustus 2006 is bij brief van 28 september 2006, aangevuld bij brief van 30 oktober 2006, namens eiser beroep ingesteld door zijn gemachtigde mr. J.L.J.E. Koster, advocaat te Maastricht.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 3 mei 2007 waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. L. Dokman.

2. Overwegingen

Door inspecteurs van de Arbeidsinspectie is bij een controle op 7 oktober 2005 bij het [Grieks restaurant], waarvan eiser (mede-)eigenaar is, gebleken dat door een zekere mw. [A] arbeid werd verricht, bestaande uit het afruimen van glazen en borden van de tafels waar mensen hadden gegeten. Tevens nam zij bestellingen op. [mevr A] bleek de Poolse nationaliteit te bezitten en was in het bezit van een verblijfsdocument met nummer NLD70827140. Op de achterkant van dit document stond vermeld: “verblijf voor studie; arbeid in loondienst alleen toegestaan indien de werkgever beschikt over een tewerkstellingsvergunning”. [mevr A] bleek vreemdeling te zijn in de zin van artikel 1 onder c van de Wav.

Eiser bleek niet te beschikken over een tewerkstellingsvergunning die geldig was op de datum en plaats van de arbeid en/of voor de waargenomen arbeid voor de tewerkstelling van [mevr A]. Zij was daarom illegaal tewerkgesteld. Voorts blijkt uit de verklaringen dat eiser niet ontkent dat er sprake is van een overtreding in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wav.

Naar aanleiding van deze controle is door verweerder een boeterapport in de zin van de Wav opgemaakt. Bij brief van 12 januari 2006 heeft verweerder eiser geïnformeerd met betrekking tot het voornemen een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 2 van de Wav. Namens eiser is bij brief van 24 januari 2006 een zienswijze omtrent dit voornemen kenbaar gemaakt.

Vervolgens heeft verweerder het in rubriek 1 genoemde (primaire) besluit van 22 februari 2006 genomen. Namens eiser is tegen dat besluit bezwaar gemaakt; dit bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een boete. De hoogte van de boete is gebaseerd op de Beleidsregels boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen ((Stcrt. 2004, 249, p. 39; hierna: de Beleidsregels) en er doet zich geen bijzondere omstandigheid voor op grond waarvan van de Beleidsregels zou dienen te worden afgeweken.

Eiser heeft aan zijn beroep primair ten grondslag gelegd dat er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de gevolgen van de toepassing van de Beleidsregels onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Het opleggen van de boete is in dit geval buitenproportioneel. Daartoe wordt door eiser aangevoerd - kort samengevat - dat eiser alleen over een kopie van de verblijfsvergunning beschikte en overigens de Nederlandse taal niet goed beheerst. Daarom heeft hij niet kunnen lezen dat hij een tewerkstellingsvergunning had moeten hebben. Eiser heeft nooit eerder een overtreding begaan en hij heeft nooit de regelgeving willen ontduiken.

Eiser is ervan overtuigd dat als hij een tewerkstellingsvergunning had aangevraagd voor [mevr A], deze zeker zou zijn verleend omdat [mevr A] voldoet aan alle daarvoor gestelde eisen. Haar vorige tewerkstellingsvergunning liep af op 1 september 2005 en dus heeft [mevr A] slechts 5 weken illegaal gewerkt. In die 5 weken heeft zij slechts € 180,00 verdiend.

Subsidiair stelt eiser dat als een boete moet worden opgelegd, de hoogte van de boete dient te worden aangepast aan de feitelijke situatie dat het restaurant een eenmanszaak is en per 31 december 2005 ook als zodanig staat ingeschreven in het Handelsregister. Een boete van € 8000,00 is daarom te hoog.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wav bepaalt dat onder een vreemdeling wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder m, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt onder vreemdeling verstaan ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder een tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b sub 1, van de Wav wordt als werkgever aangemerkt degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

In artikel 18 van de Wav wordt (onder meer) het niet naleven van artikel 2, eerste lid, van de Wav als beboetbaar feit aangemerkt.

Artikel 18a, eerste lid, van de Wav bepaalt dat beboetbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Ingevolge het derde lid wordt een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid met een rechtspersoon gelijkgesteld.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de Wav legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder b, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,--. In het derde lid is bepaald dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beleidsregels vaststelt waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Ingevolge beleidsregel 1 van de Beleidsregels wordt bij de berekening van de boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav (hierna: Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd. Ingevolge de Tarieflijst is het boetenorm¬bedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav gesteld op € 8.000,00.

De rechtbank stelt voorop dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 maart 2006 (AB 2006,133), het opleggen van een bestuurlijke boete, zoals hier aan de orde, een discretionaire bevoegdheid betreft waarvan gebruik kan

- maar niet onder alle omstandigheden dient te - worden gemaakt. Deze boete is aan te merken als een punitieve sanctie. Indien verweerder besluit tot het opleggen van een dergelijke boete dient de rechtbank daarom, mede gelet op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, in volle omvang te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding.

De rechtbank stelt vast dat eiser voldoet aan de eisen van een werkgever in de zin van de Wav, dat [mevr A] een vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is, dat zij ten tijde van de inspectie arbeid verrichtte in het restaurant van eiser terwijl deze daar geen vergunning voor bezat. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, eerste lid, van de Wav. De mate van verwijtbaarheid speelt hierbij geen rol. Aan de omstandigheid dat eiser de Nederlandse taal niet voldoende machtig is en niet de bedoeling heeft gehad de wetgeving te ontduiken, kan daarom niet het gewicht worden toegekend dat eiser daaraan toegekend wenst te zien. Dit brengt met zich dat verweerder, gelet op artikel 18 juncto artikel 19a, eerste lid, van de Wav, bevoegd was een boete op te leggen.

Ten aanzien van de hoogte van de opgelegde boete in verhouding tot de ernst van de feiten overweegt de rechtbank dat eiser een voorschrift heeft overtreden dat is gesteld ter bestrijding van illegale tewerkstelling van personen.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wav (Tweede Kamer 2003-2004, 29 523, nr. 3, p.1) zijn deze voorschriften gegeven ter bestrijding van:

1.verdringing van legaal arbeidsaanbod in Nederland en de Europese Economische Ruimte op de arbeidsmarkt;

2.overtreding van normen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, die kan leiden tot uitbuiting van de illegaal tewerkgestelde vreemdelingen, en

3.concurrentievervalsing binnen een sector, waardoor de bedrijfsvoering van bonafide werkgevers wordt geschaad.

Gelet op het met de wet beoogde doel en uit een oogpunt van een hanteerbaar en consistent straftoemetingsbeleid is de rechtbank van oordeel dat het door verweerder in de bijlage bij de Beleidsregels vastgestelde boetenormbedrag van € 8.000,-- voor beboetbare feiten als hier aan de orde niet onevenredig hoog is.

Door eiser is aangevoerd dat er sprake is van zodanige omstandigheden dat verweerder gebruik had moeten maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheid opleveren. Het is de eigen verantwoordelijkheid van eiser de papieren voor zijn werknemers in orde te hebben. Dat hij de papieren niet in orde waren, is geheel aan hem toe te rekenen. Het feit dat eiser niet de intentie heeft gehad de wet te overtreden doet hier niet aan af. Verweerder heeft daarom hierin geen aanleiding hoeven zien om het boetebedrag te matigen.

Subsidiair heeft eiser gesteld dat de boete gematigd moet worden omdat er ten tijde van het constateren van de overtreding feitelijk sprake was van een eenmansbedrijf. De rechtbank overweegt hieromtrent dat de boete opgelegd is omdat er sprake was van een beboetbaar feit. In dit geval was het beboetbaar feit de overtreding van artikel 2 van de Wav op 7 oktober 2005. Op dat moment was het restaurant een vennootschap onder firma en stond ook als zodanig ingeschreven in het Handelsregister. Omdat de boete gerelateerd is aan deze overtreding en daarmee aan de feiten zoals die op dat moment bestonden, dient de hoogte van de boete daarmee in overeenstemming te zijn. Dit brengt met zich dat verweerder terecht is overgegaan tot het opleggen van een boete naar de maatstaf van een vennootschap onder firma.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren; voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers in tegenwoordigheid van mr. K.M.J. Vantilt als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2007.

w.g. K. Vantilt w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 14 juni 2007

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onver¬wijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.