Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB3201

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
07-09-2007
Zaaknummer
108377 / HA ZA 06-148 (hoofdzaak), 112106 / HA ZA 06-655 (vrijwaring)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boekhouder stelt twee vennoten ontbonden V.o.f. aansprakelijk voor schulden V.o.f.: onbetaalde rekeningen en niet-afgeloste geldleningen. Ene vennoot roept andere vennoot op in vrijwaring. Vertegenwoordigingsbevoegdheid 'andere' vennoot in verband met geldleningen en stille verpanding. Verschil tussen interne en externe verhoudingen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7A
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1676
Wetboek van Koophandel
Wetboek van Koophandel 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2008/6
RO 2007, 91
JRV 2007, 773
JOR 2008/6

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 5 september 2007

Zaaknummers : 108377 / HA ZA 06-148 (hoofdzaak) en

112106 / HAZA 06-655 (vrijwaring)

De rechtbank Maastricht, sector civiel, enkelvoudige kamer belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende vonnissen gewezen

inzake

in de hoofdzaak:

[Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

procureur mr. P. Winkens;

tegen:

[Naam gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie,

procureur mr. S.J.M. Peters;

[Naam gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 2,

geen procureur gesteld hebbende;

in de vrijwaring:

[Naam eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. S.J.M. Peters;

tegen:

[Naam gedaagde in de vrijwaring],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. J.F.E. Kikken.

1. Het verdere verloop van de procedure in de hoofdzaak

In vervolg op het vonnis in het incident van 31 mei 2006, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd, heeft [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] een conclusie van antwoord in conventie genomen en geconcludeerd voor eis in reconventie, zulks onder het overleggen van producties. Hierop heeft [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] een conclusie van antwoord in reconventie genomen, zulks onder het overleggen van producties.

2. Het verloop van de procedure in de vrijwaring

[Naam eiser in de vrijwaring] heeft [Naam gedaagde in de vrijwaring] bij exploot van 5 juli 2006 gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding. Bij de dagvaarding zijn producties overgelegd. [Naam gedaagde in de vrijwaring] heeft onder het overleggen van producties geantwoord.

3. Het verdere verloop van de procedure in de hoofdzaak en in de vrijwaring

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de hoofdzaak en in de vrijwaring een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier, zowel in de hoofdzaak als in de vrijwaring. De uitspraak van de vonnissen is nader bepaald op heden.

4. Het geschil in de hoofdzaak

In conventie en in reconventie

4.1 Als gesteld en niet of onvoldoende weersproken staan de volgende feiten tussen partijen vast.

4.1.1 [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] en [Naam gedaagde sub 2] hebben vanaf 1 maart 1999 gezamenlijk een bouwbedrijf uitgeoefend in het kader van de vennootschap onder firma [Naam gedaagde sub 2] & [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] Bouw V.O.F. (hierna: de Vof). [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] was de boekhouder van de Vof. [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] is op 20 april 2004 arbeidsongeschikt geworden. De Vof is per 13 mei 2005 is ontbonden. Na de ontbinding van de Vof is de echtgenote van [Naam gedaagde sub 2] een bouwbedrijf begonnen in de vorm van een eenmanszaak.

4.1.2 [Naam gedaagde sub 2] en [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] hebben hun afspraken inzake de Vof nimmer vastgelegd in een op schrift gestelde en ondertekende overeenkomst.

4.1.3 Een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel van de Vof d.d. 22 april 1999 vermeldt:

“ (…) Venno(o)t(en):

Rechten t.o.v. derden: Er zijn beperkende bepalingen. Blijkens deze bepalingen zijn beide vennoten afzonderlijk bevoegd tot een bedrag van nlg 5.000,00. (…)”.

Een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel van de Vof d.d. 17 mei 2005 vermeldt:

“ (…) Venno(o)t(en):

Rechten t.o.v. derden: Er zijn beperkende bepalingen. Blijkens deze bepalingen zijn beide vennoten afzonderlijk bevoegd tot een bedrag van eur 5.000,00. (…)”.

4.1.4 [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft aan de Vof voor door hem verrichte werkzaamheden de volgende facturen verstuurd:

- d.d. 18 maart 2004, voor advies, administratie, jaarrapport en belastingaangifte over 2003: € 5.066,43;

- d.d. 31 maart 2005, voor advies, administratie, jaarrapport en belastingaangifte over 2004: € 6.378,40;

- voor advies, administratie, en voorlopige jaarrekening 2005 per 13 mei 2005: € 3.618,85.

In totaal heeft [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] de Vof € 15.063,68 in rekening gebracht.

4.1.5 In 2003 en 2004 zijn vijf overeenkomsten van geldlening gesloten, op grond waarvan [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie], tegen een rente van 8,6% per jaar, gelden ter beschikking heeft gesteld van de Vof:

- op 18 maart 2003: € 7.100,-;

- op 21 augustus 2003: € 1.621,83;

- op 14 april 2004: € 967,42 en € 1.899,83;

- op 27 augustus 2004: € 3.926,33.

Met de geleende gelden zijn crediteuren van de Vof betaald: werknemers van de Vof, UWV Bouwnijverheid, de ARBO-dienst en SFB Holding. In totaal is met de geldleningen een bedrag van € 15.515,41 gemoeid. Aan de zijde van de Vof zijn de overeenkomsten (uitsluitend) ondertekend door [Naam gedaagde sub 2]. De Vof heeft niet afgelost op de leningen.

4.1.6 [Naam gedaagde sub 2] heeft namens de Vof een akte d.d. 20 april 2005, genaamd ‘cessieovereenkomst’, getekend. In deze akte worden door de Vof als pandgever aan [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] als pandnemer alle ten tijde van de registratie van de akte bestaande vorderingen van de Vof op derden verpand tot zekerheid van de betaling van hetgeen [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] van de Vof te vorderen heeft. Op basis van deze akte heeft een schuldenaar van de Vof, Bouwbedrijf [Naam bouwbedrijf], in 2005, door tussenkomst van [Naam gedaagde sub 2], een bedrag van € 15.889,74 niet aan de Vof, maar aan [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] betaald.

In conventie

4.2 Voor een weergave van de vordering van [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] jegens [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] en [Naam gedaagde sub 2] en de grondslag daarvan wordt verwezen naar het tussenvonnis van 31 mei 2006.

4.3 [Naam gedaagde sub 2] is in de hoofdzaak niet verschenen, waarna tegen hem verstek is verleend. [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] voert verweer, waarop - voor zover van belang - hierna nader zal worden ingegaan.

In reconventie

4.4 [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] heeft in reconventie gevorderd dat [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] wordt veroordeeld tot betaling aan [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] van een bedrag van

€ 7.944,87, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente sedert 8 juli 2005.

4.5 [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] heeft deze vordering als volgt onderbouwd.

4.5.1 [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] stelt dat hij niet heeft geweten van de ‘cessieovereenkomst’ en er dus ook niet mee heeft ingestemd, vooraf noch achteraf, terwijl [Naam gedaagde sub 2] niet bevoegd was om zowel de Vof als [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] ter zake de ‘cessieovereenkomst’ te binden. Het financiële belang van de overeenkomst overstijgt immers de in het handelsregister opgenomen bevoegdheidsgrens, terwijl [Naam gedaagde sub 2] ook afgezien daarvan niet bevoegd was om deze overeenkomst te sluiten. Om die reden heeft [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] het totale door hem ontvangen bedrag van € 15.899,74 zonder recht of titel onder zich.

4.5.2 [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] maakt vervolgens aanspraak op de helft van dat bedrag, zijnde € 7.944,87, ten titel van schadevergoeding, primair stellende dat [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] jegens hem wanprestatie heeft gepleegd. Door het sluiten van de ‘cessieovereenkomst’ heeft [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zijn verplichting als opdrachtnemer van de Vof, om de belangen van zijn opdrachtgever op een correcte en zorgvuldige wijze te behartigen geschonden. Dat geldt met name voor de verplichtingen voortvloeiend uit de artikelen 7:401 en 7:403 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] had over de ‘cessieovereenkomst’ met [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] moeten communiceren en niet alleen met [Naam gedaagde sub 2]. Door de ‘cessieovereenkomst’ heeft [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zich een bevoorrechte verhaalspositie verschaft, hetgeen een boekhouder, als belangenbehartiger van de Vof, niet past. Subsidiair stelt [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] dat [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] een onrechtmatige daad jegens hem heeft gepleegd, doordat [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft gehandeld in strijd met de wet (artt. 7:401 en 403 BW) en verder in strijd met de norm van de redelijk bekwame en redelijk handelende vakgenoot, welk handelen - nu sprake is van schuld - aan hem kan worden toegerekend.

4.6 [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] voert verweer, waarop - voor zover van belang - hierna nader zal worden ingegaan.

5. De beoordeling in de hoofdzaak

5.1 De positie van [Naam gedaagde sub 2]

5.1.1 In verband met de positie van [Naam gedaagde sub 2] stelt de rechtbank voorop dat [Naam gedaagde sub 2] (in de hoofdzaak) verstek heeft laten gaan.

5.1.2 [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft (onder meer) gevorderd de hoofdelijke veroordeling van [Naam gedaagde sub 2] tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank zal deze vordering afwijzen, nu [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie]s stellingen op dit punt hoofdzakelijk betrekking hebben op de andere gedaagde, [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie], en de stellingen voor zover (mede) betrekking hebbend op [Naam gedaagde sub 2] niet met bescheiden of anderszins deugdelijk worden onderbouwd.

5.1.3 Het gevorderde komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen.

In conventie en in reconventie

5.2 De positie van [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie]

5.2.1 [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] voert verweer tegen [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie]s vordering in conventie en heeft daarnaast een vordering in reconventie ingesteld. Gelet op de nauwe verwevenheid van een en ander zal de rechtbank conventie en reconventie tezamen behandelen.

5.2.2 De rechtbank zal hierna allereerst ingaan op [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie]s conventionele vordering in verband met de door hem verzonden facturen (5.3) en in verband met de uitgeleende bedragen (5.4). Vervolgens zal de rechtbank de vordering in reconventie, verband houdend met de ‘cessieovereenkomst’, bespreken (5.5). Onder 5.6 zal de rechtbank ingaan op de consequenties van de overwegingen inzake de ‘cessieovereenkomst’ voor de vordering in conventie. Tenslotte zal de rechtbank ingaan op de conventionele vordering inzake buitengerechtelijke incassokosten (5.7).

5.3 Conventie: de facturen

5.3.1 [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] vordert allereerst betaling van € 11.540,23, wegens openstaande facturen voor in opdracht van de Vof verrichte diensten als boekhouder. [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] stelt in dit verband dat hij de oorspronkelijke vordering wegens verrichte diensten groot € 15.063,68 heeft verminderd met een bedrag van € 3.523.45, in verband met de betaling aan hem door [Naam bouwbedrijf].

5.3.2 [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] heeft primair de verschuldigdheid van de op basis van de facturen gevorderde bedragen betwist, stellende dat hij door [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] nooit is gesommeerd om tot betaling van de facturen over te gaan, dat hem nooit is verteld dat er openstaande facturen waren en dat het ervoor moet worden gehouden dat hetgeen de Vof aan [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] verschuldigd was, aan hem is voldaan.

5.3.3 Dit verweer treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel, nu [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie]s (eventuele) recht op betaling voortvloeit uit de overeenkomst tot het verrichten van werkzaamheden als boekhouder met de Vof en de nakoming daarvan door [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] en niet afhankelijk is van het versturen van (nadere) aanmaningen en het verschaffen van (nadere) informatie over openstaande bedragen aan het adres van [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie].

5.3.4 Subsidiair heeft [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] de hoogte van de facturen betwist en er in dat verband op gewezen dat de facturen niet zijn gespecificeerd, dat de hoogte van de facturen niet in overeenstemming is met hetgeen gemiddeld door een boekhouder aan een bedrijf als de Vof in rekening wordt gebracht en dat de loonadministratie van de Vof door een derde werd uitgevoerd, hetgeen het vermoeden voedt dat de facturen bovengemiddeld hoog zijn.

5.3.5 Ook dit verweer treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Bij antwoord in reconventie heeft [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] aangevoerd dat hem nooit eerder om een nadere toelichting op de facturen is gevraagd en heeft hij een nadere specificatie gegeven van de door hem verrichte werkzaamheden en het daarvoor gehanteerde (naar het oordeel van de rechtbank: niet buitensporig hoge) tarief. Het had op de weg van [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] gelegen om hierop nader in te gaan, met name tijdens de comparitie na antwoord. Nu dat niet is gebeurd is de rechtbank van oordeel dat [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] de hoogte van de facturen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.

5.3.6 Een en ander betekent dat [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie], als vennoot van de (inmiddels ontbonden) Vof, hoofdelijk aansprakelijk moet worden gehouden voor de schuld aan [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] wegens door deze verrichte werkzaamheden, zodat de desbetreffende vordering in beginsel toewijsbaar moet worden geacht. De rechtbank zal hierop terugkomen onder 5.6.

5.4 Conventie: de geldleningen

5.4.1 [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] vordert voorts betaling van € 15.515,41 (dit bedrag te verhogen met de contractuele rente vanaf, naar de rechtbank begrijpt, 1 september 2005), wegens aan de Vof verstrekte en niet afgeloste leningen. [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] maakt geen aanspraak op betaling van de contractuele rente tot en met 31 augustus 2005, nu hij deze als betaald beschouwt door de ontvangst van de gelden van [Naam bouwbedrijf].

5.4.2 In verband met de geldleningen heeft [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] zich op het standpunt gesteld dat de Vof noch hijzelf jegens [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] worden gebonden door de desbetreffende overeenkomsten, omdat zij door [Naam gedaagde sub 2] buiten zijn medeweten met [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zijn gesloten. [Naam gedaagde sub 2] was niet bevoegd om de Vof aldus te binden, aldus [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie]. Gelet op de begrenzing zoals neergelegd in het handelsregister was [Naam gedaagde sub 2] slechts ‘alleen’ bevoegd tot fl 5000,00 (althans tot € 5.000,-). [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] behoorde dit als boekhouder van de Vof te weten. [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] stelt zich in dit verband primair op het standpunt dat de geldleningen alle tezamen moeten worden genomen, zodat de bevoegdheidsgrens in volle omvang is overschreden. Subsidiair stelt [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] zich op het standpunt dat zulks geldt voor de geldleningen die afzonderlijk het bedrag van fl 5.000,- (meer subsidiair: € 5.000,-) overschrijden. Daarnaast, zo voert [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] aan, behoort het aangaan van geldleningen niet tot de normale beheersdaden zoals bedoeld in artikel 7A:1676 BW, zodat [Naam gedaagde sub 2] (ook) om die reden geen toereikende volmacht had om de Vof te vertegenwoordigen bij het aangaan van de geldleningen. Tenslotte heeft [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] in zijn conclusie van antwoord gesteld dat hij pas in een zeer laat stadium heeft gehoord van de geldleningen, zodat ook van een bekrachtiging achteraf geen sprake kan zijn.

5.4.3 Tijdens de comparitie na antwoord heeft [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] dit laatste standpunt afgezwakt en gesteld dat hij van de eerste lening (€ 7.100,- op 18 maart 2003) achteraf op de hoogte is geraakt en toen niet heeft geprotesteerd, mede omdat het geld nodig was. De rechtbank leidt uit deze stellingname af dat [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] de op 18 maart 2003 verstrekte lening (voor zoveel nodig) heeft bekrachtigd, zodat het gevoerde verweer in verband met de onbevoegdheid van [Naam gedaagde sub 2] in zoverre niet opgaat.

5.4.4 Ook in verband met de andere geldleningen kan het verweer naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Partijen zijn het erover eens dat de grens van de bevoegdheid van de individuele vennoten om de Vof extern te binden aanvankelijk lag bij fl 5.000,- en dat de verhoging van die grens tot € 5.000,- niet berust op een besluit van de vennoten, maar (waarschijnlijk) te wijten is aan een fout van de Kamer van Koophandel, in die zin dat bij de invoering van de euro het bedrag niet is omgerekend in euro’s maar het guldenteken is vervangen door een euroteken. Daarvan uitgaande heeft de ‘omzetting’ van het bedrag plaatsgevonden op of omstreeks 1 januari 2002. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten van geldlening in 2003 en 2004 vermeldde het handelsregister zodoende een begrenzing tot € 5.000,-. [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft - onbetwist - gesteld dat hij heeft vertrouwd op deze begrenzing. Hij mocht dat ook doen, met name nu [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] niet heeft gesteld noch anderszins is gebleken dat [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] wist of had moeten weten dat de grens niettemin lag bij fl 5.000,-. Geen van de verstrekte leningen, voor zover nog aan de orde, overtreft afzonderlijk de grens van

€ 5.000,-. De rechtbank ziet geen reden om de leningen als één geheel te zien (zodat de grens van € 5.000,- wèl zou worden overschreden). Naar [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] - onbetwist - heeft gesteld werden de leningen immers steeds ad hoc en met grote tussenpozen verstrekt. Er is daarom geen reden om de leningen als één groot geheel te zien.

5.4.5 Het beroep op het bepaalde in artikel 7A:1676 BW faalt, alleen al omdat het voorbij gaat aan het bepaalde in artikel 17 van het Wetboek van Koophandel (WvK). Bij gebreke van bijzondere bedingen over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vennoten, anders dan de beperking opgenomen in het handelsregister, gaf deze bepaling [Naam gedaagde sub 2] immers de bevoegdheid om de Vof ter zake van de geldleningen extern te binden. Dat is des te meer het geval nu moet worden aangenomen dat het aangaan van de leningen paste binnen het doel van de Vof. Naar [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] onweersproken heeft gesteld werden de leningen immers aangegaan in verband met concrete schulden van de Vof, die waren ontstaan bij de normale uitoefening van het bedrijf en die de Vof niet uit eigen middelen kon voldoen, maar wel met enige spoed móest voldoen.

5.4.6 Meer subsidiair heeft [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] aangevoerd dat als er sprake zou zijn van overeenkomsten waaraan de Vof, en dus [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie], gebonden zouden zijn, de overeenkomsten van geldlening vernietigbaar zijn op grond van misbruik van omstandigheden. [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] en [Naam gedaagde sub 2] zouden misbruik hebben gemaakt van de omstandigheid dat aan [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] de werkzaamheden van meer uitvoerende aard waren toebedeeld. Verder zouden zij de overeenkomsten van geldlening hebben gesloten in het kader van het voornemen van [Naam gedaagde sub 2] om na beëindiging van de Vof een nieuwe onderneming te starten, waarvan [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] boekhouder zou worden.

5.4.7 De rechtbank verwerpt dit verweer. Zoals hiervoor is gebleken heeft [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] achteraf ingestemd met de geldlening in maart 2003, zodat het beroep op misbruik van omstandigheden - kennelijk - niet op deze overeenkomst betrekking kan hebben. De andere overeenkomsten van geldlening zijn - volgens [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] - gesloten tussen [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] en [Naam gedaagde sub 2]. Van enige betrokkenheid van [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] bij het sluiten van deze overeenkomsten is dus kennelijk geen sprake geweest. Daarvan uitgaande valt niet in te zien hoe [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] (en volgens stelling van [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie]: ook [Naam gedaagde sub 2]) hier in juridische zin jegens [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] misbruik van enige omstandigheid zou(den) hebben kunnen maken. Alleen al hierom kan het beroep op het wilsgebrek misbruik van omstandigheden niet slagen.

5.4.8 Een en ander betekent dat [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] als vennoot van de (inmiddels ontbonden)

Vof, terecht - hoofdelijk - aansprakelijk kan achten voor de schulden uit de verstrekte geldleningen (hoofdsommen en rente), zodat de daartoe strekkende vordering in beginsel toewijsbaar moet worden geacht. De rechtbank zal hierop terugkomen onder 5.6.

5.5 Reconventie: de ‘cessieovereenkomst’

5.5.1 [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] vordert betaling van € 7.944,87, zijnde de helft van het bedrag van € 15.889,74, dat - op basis van de ‘cessieovereenkomst’ - in 2005 door Bouwbedrijf [Naam bouwbedrijf] als schuldenaar van de Vof rechtstreeks aan [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] is betaald.

5.5.2 [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft erkend dat de akte genaamd ‘cessieovereenkomst’ het resultaat is van afspraken tussen hem en [Naam gedaagde sub 2] en dat hij daarover geen contact heeft gehad met [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie]. Zodoende rijst de vraag of [Naam gedaagde sub 2] bevoegd was om ‘alleen’ de Vof en [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] te binden. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is en overweegt daartoe als volgt. De ‘overeenkomst’ strekt tot de vestiging van een stil pandrecht op vorderingen van de Vof (de benaming ‘cessieovereenkomst’ is een kennelijke vergissing). [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft - onbetwist - gesteld dat dit pandrecht is gevestigd om hem als schuldeiser van de Vof meer zekerheid te verschaffen. Dat de zekerheid mede werd verschaft in het belang van de Vof (bijvoorbeeld om aanvullende leningen door [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] mogelijk te maken) is door [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] niet gesteld of anderszins gebleken. Van het pandrecht kan dus niet worden gezegd dat het op enigerlei wijze tot de verwezenlijking van het doel van de vennootschap heeft gediend. Daarvan uitgaande was [Naam gedaagde sub 2] niet bevoegd om zonder instemming van [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] het pandrecht in het leven te roepen.

5.5.3 [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft ten verwere aangevoerd dat hij er, gelet op het feit dat beide vennoten zonder bezwaren afzonderlijk overeenkomsten sloten dan wel offertes verstrekten voor bedragen hoger dan € 5.000,-, van uit mocht gaan dat [Naam gedaagde sub 2] bevoegd was om de bedoelde overeenkomst aan te gaan. Dat verweer kan - mocht het feitelijk juist zijn - [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] niet baten. Het pandrecht had een zo uitzonderlijk karakter, dat [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] in verband met de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de afzonderlijke vennoten geen vertrouwen kon ontlenen aan hun optreden in het kader van de reguliere werkzaamheden in het bedrijf van de Vof. Daar komt bij dat het te vestigen pandrecht (na registratie) [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] een omvangrijke zekerheid zou bieden, die al snel het bedrag van € 5.000,- zou (kunnen) overschrijden. Aan het handelsregister kon [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] dus niet het vertrouwen ontlenen dat [Naam gedaagde sub 2] ter zake ‘alleen’ bevoegd was.

5.5.4 [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft verder nog ten verwere aangevoerd dat [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] in de periode na zijn ziekmelding niet meer met [Naam gedaagde sub 2] en [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] in overleg wilde treden. Uit de ter onderbouwing van deze stelling overgelegde producties 10 en 11 bij dagvaarding blijkt dat [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] bij brief van 20 april 2005 heeft verzocht om overleg met [Naam gedaagde sub 2] en [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] en dat hij bij brief van 27 april 2005 aan [Naam gedaagde sub 2] heeft bevestigd dat herhaalde pogingen zijn gedaan om met [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] in contact te komen maar dat deze, volgens zijn vrouw, niet in staat was om in overleg te treden. Uit de overgelegde bescheiden is de rechtbank aldus niet gebleken van een poging om voorafgaand aan de - op 20 april 2005 gedateerde - ‘cessieovereenkomst’ met [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] te overleggen en diens instemming te verkrijgen. Ook dit verweer treft daarom geen doel.

5.5.5 Uit een en ander volgt dat [Naam gedaagde sub 2] niet bevoegd was om ‘alleen’ namens de Vof de ‘cessieovereenkomst’ te sluiten. [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] kan zich niet kan beroepen op enige aan de Vof dan wel [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] toe te rekenen gewekte schijn van bevoegdheid. Evenmin is sprake van gebondenheid op grond van ‘baat’ dan wel bekrachtiging achteraf door [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie]. Dat betekent dat [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] ten onrechte de schuld van [Naam bouwbedrijf] jegens de Vof heeft geïnd en dat deze gelden in 2005 in de kas van de Vof hadden dienen te vloeien.

5.5.6 De rechtbank zal niettemin [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie]’ vordering in reconventie afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Tijdens de comparitie na antwoord is zijdens [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] - onweersproken - gesteld dat inzake de beëindiging van de Vof nog geen definitieve afwikkeling is bereikt. Daarvan uitgaande dient het in 2005 ten onrechte door [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] geïnde bedrag van

€ 15.889,74, als een vordering op [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] die deel uitmaakt van de gemeenschap van de thans ontbonden Vof, te worden betrokken bij de vereffening en de verdeling van de activa en passiva van de vennootschap.

5.5.7 [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] tracht - kennelijk - aan dit gevolg te ontkomen door te stellen dat hij rechtstreeks jegens [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] aanspraak kan maken op betaling van de helft van het ten onrechte door [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] van [Naam bouwbedrijf] geïnde bedrag, ten titel van schadevergoeding, primair uit wanprestatie. Deze stelling en de daarop gebaseerde vordering kunnen [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] echter niet baten, alleen al omdat [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] de (vermeende) wanprestatie uitsluitend afleidt uit de overeenkomst van opdracht tussen [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] en de Vof en de wijze waarop [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] die is nagekomen in de periode voorafgaand aan de ontbinding van de Vof. Dat betekent dat (eventuele) aanspraken op grond van wanprestatie geen verband houden met de positie van [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] in privé, maar zijn ontstaan in het kader van ([Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] positie als vennoot binnen) de Vof en derhalve (eventueel) deel uitmaken van het - inmiddels te vereffenen en te verdelen - vermogen daarvan. Het subsidiaire beroep op onrechtmatige daad stuit af op vergelijkbare bezwaren. Daarnaast kan de rechtbank niet inzien hoe het handelen in strijd met normen die uitdrukkelijk zijn geschreven dan wel in de jurisprudentie zijn ontwikkeld voor contractuele verhoudingen (de artikelen 7:401 en 403 BW, de norm van de redelijk bekwame en redelijk handelende vakgenoot) als zodanig, gegeven het bestaan van een dergelijke contractuele verhouding, kunnen dienen als (exclusieve) onderbouwing van een vordering uit onrechtmatige daad.

5.6 De ‘cessieovereenkomst’ en de vordering in conventie

5.6.1 Onder 5.3.6 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering van [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] jegens [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie], voor zover betrekking hebbend op de nog openstaande facturen, in beginsel toewijsbaar moet worden geacht. Datzelfde heeft de rechtbank geoordeeld onder 5.4.8, in verband met de schulden uit de door [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] aan de Vof verstrekte geldleningen. In verband met de omvang van beide vorderingen is van belang hetgeen de rechtbank hiervoor onder 5.5 heeft overwogen in verband met de ‘cessieovereenkomst’. Dat is het geval omdat [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] op grond van deze ‘overeenkomst’ een geldbedrag van [Naam bouwbedrijf] heeft ontvangen en dat bedrag, zoals reeds is gebleken (onder 5.3.1 en 5.4.1), in mindering heeft gebracht op enkele schulden van de Vof jegens hem.

5.6.2 Zoals bleek onder 5.5.5 is de rechtbank van oordeel dat [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zonder recht of titel het geldbedrag van [Naam bouwbedrijf] heeft geïnd en dat deze gelden in 2005 in de kas van de Vof hadden moeten vloeien. Uit het door [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] gestelde blijkt dat hij bij het bepalen van zijn processuele opstelling rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de ‘cessieovereenkomst’ [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] niet zou binden. In de conclusie van antwoord in reconventie (ongenummerde pagina 6) behoudt [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zich in dit verband het recht voor om zijn eis in conventie te vermeerderen, maar uitsluitend voor het geval de rechtbank [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie]’ vordering in reconventie zou (willen) toewijzen. Onder 5.5 is gebleken dat de vordering in reconventie volledig zal worden afgewezen. Gelet hierop zal de rechtbank in dit vonnis ten gronde beslissen op de vordering in conventie en [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] veroordelen tot betaling van de beide ‘hoofdsommen’ zoals gevorderd (€ 11.540,23 en 15.515,41).

5.7 Conventie: buitengerechtelijke incassokosten

5.7.1 [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft de hoofdelijke veroordeling van [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Hij heeft hiertoe gesteld dat door zijn gemachtigde werkzaamheden zijn verricht die niet hebben gediend ter voorbereiding en ter instructie van de zaak, te weten het meermalen sommeren tot betaling en het voeren van een uitgebreide correspondentie met diverse gemachtigden van [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie].

5.7.2 De rechtbank zal deze - door [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] betwiste - vordering afwijzen, nu [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zijn stellingen op dit punt niet met bescheiden of anderszins deugdelijk heeft onderbouwd.

5.8 Proceskosten

5.8.1 [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie]s vordering jegens [Naam gedaagde sub 2] en [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] zal voor het overgrote deel worden toegewezen. [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] en [Naam gedaagde sub 2] zullen, als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen, hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] gevallen, met dien verstand dat de rechtbank ervan uit zal gaan dat [Naam gedaagde sub 2] uitsluitend aansprakelijk is voor de kosten van de dagvaarding (deurwaarder, één punt volgens het liquidatietarief) en het vast recht. Gelet op het oordeel in de vrijwaringszaak zal [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] ook [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie]s kosten in het vrijwaringsincident dienen te dragen.

5.8.2 [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie]’ vordering in reconventie zal integraal worden afgewezen. [Gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] gevallen.

6. Het geschil in de vrijwaring

6.1 Als gesteld en niet of onvoldoende weersproken staan tussen partijen dezelfde feiten vast als hiervoor weergegeven onder 4.1.

6.2 [Naam eiser in de vrijwaring] heeft - zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – als volgt gesteld.

6.2.1 [Naam gedaagde in de vrijwaring] heeft met [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] overeenkomsten van geldlening gesloten. De Vof wordt door deze overeenkomsten niet gebonden en [Naam eiser in de vrijwaring] is ter zake niet hoofdelijk aansprakelijk. Zou de rechtbank anders oordelen, in die zin dat [Naam eiser in de vrijwaring] jegens [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] hoofdelijk aansprakelijk wordt geacht voor de geldleningen, dan heeft te gelden dat deze overeenkomsten vernietigbaar zijn op grond van misbruik van omstandigheden door [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] en [Naam gedaagde in de vrijwaring] jegens [Naam eiser in de vrijwaring]. Voorts heeft dan te gelden dat [Naam gedaagde in de vrijwaring] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [Naam eiser in de vrijwaring], als medevennoot in de Vof. [Naam gedaagde in de vrijwaring] heeft dan immers ten opzichte van [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] de indruk gewekt [Naam eiser in de vrijwaring] te mogen vertegenwoordigen, dit in strijd met de tussen hen overeengekomen financiële bevoegdheidsgrens (zoals mede blijkend uit de inschrijving in het handelsregister). Daarnaast is het aangaan van substantiële geldleningen als de onderhavige nauwelijks te zien als daad van beheer in de zin van artikel 7A:1676 BW, zeker nu zij zijn aangegaan met de boekhouder van de Vof die uit dien hoofde een speciale verantwoordelijkheid heeft jegens de Vof.

6.2.2 [Naam gedaagde in de vrijwaring] heeft met [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] voorts een ‘cessieovereenkomst’ gesloten, kort nadat duidelijk was geworden dat de samenwerking in het kader van de Vof zou worden beëindigd. Deze overeenkomst is niet rechtsgeldig tot stand gekomen. Zou de rechtbank anders oordelen, in die zin dat de rechtsgeldigheid van de ‘cessieovereenkomst’ in rechte komt vast te staan en dat de betalingen door [Naam bouwbedrijf] op basis van een geldige titel zijn gedaan, dan heeft opnieuw te gelden dat deze overeenkomst vernietigbaar is op grond van misbruik van omstandigheden en voorts dat [Naam gedaagde in de vrijwaring] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [Naam eiser in de vrijwaring], als medevennoot in de Vof. [Naam eiser in de vrijwaring] houdt [Naam gedaagde in de vrijwaring] dan aansprakelijk voor de van deze tekortkoming het gevolg zijnde schade, te weten de helft van € 15.889,74 (zijnde

€ 7.944,87). Normaal gesproken zou de betaling door [Naam bouwbedrijf] immers hebben plaatsgevonden op het rekeningnummer van de Vof, waarna partijen tot verdeling daarvan hadden kunnen overgaan.

6.2.3 [Naam eiser in de vrijwaring] veronderstelt dat hij de facto wordt geconfronteerd met twee eisende partijen, in die zin dat [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] een veroordelend vonnis in de hoofdzaak uitsluitend zal tenuitvoerleggen jegens [Naam eiser in de vrijwaring]. [Naam eiser in de vrijwaring] heeft daarom belang bij een veroordeling van [Naam gedaagde in de vrijwaring] tot betaling aan [Naam eiser in de vrijwaring] van hetgeen deze in de hoofdzaak aan [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zal moeten betalen.

6.3 [Naam eiser in de vrijwaring] vordert op grond van het voorgaande dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- [Naam gedaagde in de vrijwaring] zal veroordelen tot betaling aan [Naam eiser in de vrijwaring] van al hetgeen [Naam eiser in de vrijwaring] krachtens het in de door [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] onder rolnummer 108377/HA ZA 06-148 gevoerde procedure te wijzen vonnis, aan [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] verschuldigd zal zijn (althans in verband met de tussen [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] en [Naam gedaagde in de vrijwaring] tot stand gekomen geldleningsovereenkomsten), inclusief eventueel door [Naam eiser in de vrijwaring] verschuldigde proceskosten in de hoofdzaak, zulks alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;

- zal verklaren voor recht dat [Naam gedaagde in de vrijwaring] jegens [Naam eiser in de vrijwaring] aansprakelijk is voor de door [Naam eiser in de vrijwaring] geleden schade die is voortgekomen uit de tussen [Naam gedaagde in de vrijwaring] en [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] tot stand gekomen cessieovereenkomst en [Naam gedaagde in de vrijwaring] te veroordelen tot betaling aan [Naam eiser in de vrijwaring] van een bedrag van € 7.944,87 te vermeerderen met de wettelijke rente sedert de datum van de dagvaarding;

- [Naam gedaagde in de vrijwaring] zal veroordelen in de proceskosten.

6.4 [Naam gedaagde in de vrijwaring] voert verweer, waarop - voor zover van belang - hierna nader zal worden ingegaan.

7. De beoordeling in de vrijwaring

7.1 De rechtbank zal hierna allereerst ingaan op [Naam eiser in de vrijwaring]’ vrijwaringsvordering (7.2) en daarna op de vordering in verband met de ‘cessieovereenkomst’ (7.3).

7.2 De vrijwaringsvordering

7.2.1 In het kader van de vrijwaringsvordering maakt [Naam eiser in de vrijwaring] aanspraak op veroordeling van [Naam gedaagde in de vrijwaring] tot betaling van hetgeen [Naam eiser in de vrijwaring] in de hoofdzaak aan [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] verschuldigd zal zijn. De vordering luidt - in elk geval primair - algemeen. Subsidiair spitst [Naam eiser in de vrijwaring] de vordering toe op de financiële gevolgen van de overeenkomsten van geldlening. De toelichting op de vordering heeft uitsluitend betrekking op deze laatste overeenkomsten en niet ook op de financiële gevolgen van de vordering in de hoofdzaak in verband met de openstaande facturen. De rechtbank leidt daaruit af dat [Naam eiser in de vrijwaring], ondanks de in eerste instantie ruimer geformuleerde vordering, de vrijwaringsvordering uitsluitend betrekking wil laten hebben op de financiële gevolgen van de geldleningen (en daarnaast op proceskosten en wettelijke rente) en zal dienovereenkomstig overwegen en beslissen.

7.2.2 Zoals onder 5.3 is gebleken is de rechtbank van oordeel dat de Vof jegens [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] is gebonden aan alle door [Naam gedaagde in de vrijwaring] met [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] gesloten geldleningen. Dat geldt voor de eerste overeenkomst, die achteraf door [Naam eiser in de vrijwaring] is bekrachtigd. Dat geldt voor de andere overeenkomsten, nu [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie], mede gelet op het motief om de geldleningen aan te gaan (acute betalingsproblemen van de Vof, ontstaan in het reguliere bedrijf), aan de inschrijving in het handelsregister het vertrouwen heeft ontleend en mocht ontlenen dat [Naam gedaagde in de vrijwaring] ter zake bevoegd was. Dat betekent dat [Naam eiser in de vrijwaring] als (gewezen) vennoot jegens [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] hoofdelijk aansprakelijk is voor alle uit de geldleningen voortvloeiende aanspraken jegens de Vof.

7.2.3 Dit oordeel is rechtstreeks relevant voor de onderhavige vrijwaring, omdat het de vraag doet rijzen of [Naam eiser in de vrijwaring] - zoals gesteld en gevorderd - de gevolgen van deze aansprakelijkheid kan afwentelen op [Naam gedaagde in de vrijwaring].

7.2.4 De rechtbank gaat in dit verband voorbij aan de stelling van [Naam eiser in de vrijwaring] dat de geldleningen vernietigbaar zijn op grond van misbruik van omstandigheden. De rechtbank verwijst in dit verband naar haar overwegingen onder 5.4.7, die hier van overeenkomstige toepassing zijn. Het beroep op het bepaalde in artikel 7A:1676 BW faalt eveneens. Gelet op het al eerder aangegeven motief om de leningen aan te gaan (acute betalingsproblemen van de Vof, ontstaan in het reguliere bedrijf) is er geen reden om aan te nemen dat het aangaan van de leningen zich niet verdroeg met het doel van de Vof. Dat de leningen werden verstrekt door de boekhouder van de Vof doet daaraan niet af.

7.2.5 Aldus resteert [Naam eiser in de vrijwaring]’ stelling dat [Naam gedaagde in de vrijwaring] is tekortgeschoten in het kader van de vennootschapsovereenkomst, omdat hij de onderling overeengekomen bevoegdheidsbeperking vanaf fl 5.000,- heeft genegeerd door ten opzichte van [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] de indruk te wekken [Naam eiser in de vrijwaring] te mogen vertegenwoordigen bij het aangaan van de geldleningen tot een hoger bedrag. [Naam eiser in de vrijwaring] stelt in dit verband in de dagvaarding niet vooraf op de hoogte te zijn geweest van de geldleningen en de desbetreffende overeenkomsten ook niet achteraf te hebben bekrachtigd.

7.2.6 Zoals eerder bleek (onder 5.4.3) heeft [Naam eiser in de vrijwaring] dit standpunt deels herzien tijdens de comparitie na antwoord. Gelet op het dáár ingenomen standpunt kan [Naam eiser in de vrijwaring] geen beroep doen op de onbevoegdheid van [Naam gedaagde in de vrijwaring] met betrekking tot de geldlening van 18 maart 2003. Het beroep op onbevoegdheid faalt eveneens ten aanzien van de geldleningen van 21 augustus 2003 en 14 april 2004 (de rechtbank ziet ook in dit kader geen reden om de geldleningen als één geheel te zien en verwijst in dit verband naar hetgeen zij heeft overwogen onder 5.4.4). Uitsluitend de geldlening van 27 augustus 2004

(€ 3.926,33) is derhalve problematisch in het licht van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [Naam gedaagde in de vrijwaring].

7.2.7 [Naam gedaagde in de vrijwaring] heeft verweer gevoerd, stellende (onder meer) dat hij er na de ziekmelding van [Naam eiser in de vrijwaring] alleen voor stond en dat [Naam eiser in de vrijwaring] zich enige tijd lang op het standpunt stelde niet in staat te zijn om over de Vof te spreken. Daarnaast heeft [Naam gedaagde in de vrijwaring] gesteld dat de oorspronkelijke grens van fl 5.000,- vanaf het eerste begin door beide vennoten zonder verder bezwaar niet in acht is genomen. [Naam gedaagde in de vrijwaring] heeft in dit verband verwezen naar een achttal concrete transacties, deels door [Naam eiser in de vrijwaring], deels door [Naam gedaagde in de vrijwaring] ‘alleen’ verricht. Al deze stellingen zijn door [Naam eiser in de vrijwaring] niet weersproken. De rechtbank is gelet op het door [Naam gedaagde in de vrijwaring] gestelde van oordeel dat moet worden aangenomen dat [Naam gedaagde in de vrijwaring] in augustus 2004 bevoegd was om zonder instemming vooraf van [Naam eiser in de vrijwaring] de geldlening tot het bedrag van € 3.926,33 aan te gaan.

7.2.8 Dit betekent dat de rechtbank geen termen aanwezig acht om [Naam gedaagde in de vrijwaring] te veroordelen tot betaling aan [Naam eiser in de vrijwaring] van het bedrag dat [Naam eiser in de vrijwaring] in verband met de geldleningen aan [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zal dienen te betalen. De rechtbank wijst erop dat voor zover [Naam eiser in de vrijwaring] meer dan de helft van de schuld van de Vof zou voldoen aan [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie], hij voor het meerdere in beginsel regres heeft op [Naam gedaagde in de vrijwaring].

7.3 De vordering in verband met de ‘cessieovereenkomst’

7.3.1 Onder 5.5.2 heeft de rechtbank in de hoofdzaak geoordeeld dat [Naam gedaagde in de vrijwaring] niet bevoegd was om de Vof en [Naam eiser in de vrijwaring] aan de ‘cessieovereenkomst’ te binden. Dat oordeel geldt ook in de onderhavige vrijwaring. Het verlenen van een stil pandrecht op vorderingen van de Vof (de benaming ‘cessieovereenkomst’ is een kennelijke vergissing) is een daad van beschikking, waartoe, behoudens andersluidende afspraken waarvan in verband met de Vof niet is gebleken, alleen de vennoten gezamenlijk bevoegd zijn. Dat artikel 17 WvK de individuele vennoot in het externe verkeer een ruimere vertegenwoordigingsbevoegdheid toekent doet daaraan niet af. [Naam gedaagde in de vrijwaring] heeft erkend dat hij niet vooraf met [Naam eiser in de vrijwaring] heeft gesproken over de ‘cessieovereenkomst’. Zijn onbevoegdheid - in de interne verhouding tussen de vennoten - staat daarmee in beginsel vaststaat. De eerdere oordelen van de rechtbank, dat het beroep op de ziekmelding van [Naam eiser in de vrijwaring] niet opgaat in verband met de ‘cessieovereenkomst’ uit april 2005 en dat [Naam eiser in de vrijwaring] deze overeenkomst niet achteraf heeft bekrachtigd, zijn hier evenzeer van toepassing. Een en ander betekent dat (ook) in de onderhavige vrijwaringzaak heeft te gelden dat de ‘cessieovereenkomst’ de Vof en [Naam eiser in de vrijwaring] niet bindt en dat [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] in 2005 zonder recht of titel gelden toekomend aan de Vof heeft ontvangen.

7.3.2 [Naam eiser in de vrijwaring]’ vorderingen in verband met de ‘cessieovereenkomst’ luiden algemeen. Gelet op de onderbouwing van de vorderingen (zoals verkort weergegeven onder 6.2.2) hebben zij echter uitsluitend betrekking op de situatie dat de Vof en daarmee [Naam eiser in de vrijwaring] door de ‘cessieovereenkomst’ worden gebonden. Kennelijk wil [Naam eiser in de vrijwaring] alleen in dat geval zijn schade op [Naam gedaagde in de vrijwaring] verhalen. Dat ligt voor de hand, omdat op het eerste oog niet valt in te zien hoe [Naam eiser in de vrijwaring] schade kan ondervinden van het sluiten van de ‘cessieovereenkomst’ in de situatie dat deze de Vof en hemzelf niet bindt. De rechtbank zal er daarom van uitgaan dat [Naam eiser in de vrijwaring] zijn vordering inderdaad aldus ‘beperkt’ heeft bedoeld. Daarvan uitgaande zal de rechtbank de vorderingen verder buiten beschouwing laten. Hiervoor is immers gebleken dat de rechtbank van oordeel is dat de ‘cessieovereenkomst’ de Vof en [Naam eiser in de vrijwaring] níet bindt. De rechtbank wijst erop dat zij de vordering ‘ruim opgevat’ had dienen af te wijzen, nu [Naam eiser in de vrijwaring] niet heeft gesteld dat hij schade heeft geleden of nog zal leiden als gevolg van [Naam gedaagde in de vrijwaring]s optreden in het geval de Vof en hijzelf door de ‘cessieovereenkomst’ niet worden gebonden, terwijl deze schade de rechtbank ook verder niet is gebleken.

7.4 Een en ander betekent dat van toewijzing van het gevorderde in de vrijwaring geen sprake kan zijn. [Naam eiser in de vrijwaring] zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [Naam gedaagde in de vrijwaring] gevallen.

8. De uitspraak

De rechtbank:

In de hoofdzaak

In conventie

8.1 veroordeelt [Naam gedaagde sub 2] en [Naam gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie], gezamenlijk doch ook ieder hoofdelijk, om aan [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 11.540,23, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 10 februari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

8.2 veroordeelt [Naam gedaagde sub 2] en [Naam gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie], gezamenlijk doch ook ieder hoofdelijk, om aan [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 15.515,41, te vermeerderen met de contractuele rente over de verschuldigde hoofdsom met ingang van 1 september 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;

8.3 veroordeelt [Naam gedaagde sub 2] en [Naam gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie], gezamenlijk doch ook ieder hoofdelijk, om aan [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] te betalen de volgende proceskosten:

- dagvaarding EUR 169,74

- vast recht 620,00

- salaris procureur 1.447,50 (2,5 punten × tarief EUR 579,00)

totaal EUR 2.237,24,

met dien verstand dat [Naam gedaagde sub 2] aan salaris procureur maximaal dient te betalen EUR 579,00,

8.4 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

8.5 wijst af het meer of anders gevorderde,

In reconventie

8.6 wijst af het gevorderde,

8.7 veroordeelt [Naam gedaagde in conventie sub 1, eiser in reconventie] om aan [Naam eiser in conventie, gedaagde in reconventie] te betalen de volgende proceskosten:

- salaris procureur 868,50 (1,5 punten × tarief EUR 579,00)

totaal EUR 868,50,

In de vrijwaring

8.8 wijst af het gevorderde,

8.7 veroordeelt [Eiser in de vrijwaring] om aan [Naam gedaagde in de vrijwaring] te betalen de volgende proceskosten:

- vast recht 620,00

- salaris procureur 1.158,00 (2 punten × tarief EUR 579,00)

totaal EUR 1.178,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Beurskens, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.