Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB2841

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-08-2007
Datum publicatie
04-09-2007
Zaaknummer
03/700430-07; 03/700042-07 (ttzgev), 03/410416-06 (vtvv)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is ingereden op een ander, waar twee verbalisanten naast stonden. Zij moesten opzij springen om niet aangereden te worden. Hier is sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij derden.

In deze zaak is geen sprake van vrijwillige terugtred, nu de personenauto van verdachte tot stilstand is gekomen op de plek waar voorheen de verbalisanten stonden. Het niet ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij hen is derhalve toe te schrijven aan de omstandigheid dat zij tijdig zijn weggesprongen en niet aan de wil of aan handelingen van verdachte.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 24c
Wetboek van Strafrecht 33
Wetboek van Strafrecht 33a
Wetboek van Strafrecht 36b
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 62
Wetboek van Strafrecht 282
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 302
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 177
Wegenverkeerswet 1994 179
Opiumwet
Opiumwet 13a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2007/93

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummers: 03/700430-07; 03/700042-07 (ttzgev), 03/410416-06 (vtvv)

Datum uitspraak: 7 augustus 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juli 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [Geboorteplaats en datum verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - Huis van Bewaring Overmaze te Maastricht.

De bij afzonderlijke dagvaardingen onder bovenvermelde parketnummers aangebrachte zaken zijn ter terechtzitting gevoegd.

De tenlasteleggingen

Aan de verdachte is in de zaak met het parketnummer 03/700430-07 ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 13 juli 2007 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Naam slachtoffer 1] (hoofdagent van politie) en/of [Naam slachtoffer 2] (wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee) van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto op die [Naam slachtoffer 1] en/of op die [Naam slachtoffer 2], welke op een trottoir stond(en), is ingereden en/of is gereden over de plek waar die [Naam slachtoffer 1] en/of die [Naam slachtoffer 2] stond(en), althans zich bevond(en) voordat die/ze wegsprong(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 13 juli 2007 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [Naam slachtoffer 1] (hoofdagent van politie) en/of [Naam slachtoffer 2] (wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee) beiden ambtenaren gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto op die [Naam slachtoffer 1] en/of op die [Naam slachtoffer 2], welke op een trottoir stond(en), is ingereden en/of is gereden over de plek waar die [Naam slachtoffer 1] en/of die [Naam slachtoffer 2] stond(en), althans zich bevond(en) voordat die/ze wegsprong(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 13 juli 2007 in de gemeente Maastricht [Naam slachtoffer 1] (hoofdagent van politie) en/of [Naam slachtoffer 2] (wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto op die [Naam slachtoffer 1] en/of op die [Naam slachtoffer 2], welke op een trottoir stond(en), in te rijden en/of door te rijden over de plek waar die [Naam slachtoffer 1] en/of die [Naam slachtoffer 2] stond(en), althans zich bevond(en) voordat die/ze wegsprong(en);

Aan de verdachte is in de zaak met het parketnummer 03/700042-07 ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2007 tot en met 20 januari 2007 in de gemeente Maastricht meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk [Naam slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met dat opzet die [Naam slachtoffer 3] heeft belet een woning, waar die [Naam slachtoffer 3] en/of verdachte verbleef/ verbleven (gelegen aan de [Adres woning]) te verlaten en/of die [Naam slachtoffer 3] tegen haar wil in een auto heeft gehouden

en/of in de auto heeft (terug)getrokken;

2.

hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2007 tot en met 20 januari 2007 in de gemeente Maastricht meermalen, althans eenmaal,(telkens) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [Naam slachtoffer 3]), aan de haren heeft getrokken en/of heeft geslagen en/of stevig een arm heeft vastgepakt en/of aan een arm heeft getrokken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 20 januari 2007, in de gemeente Maastricht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [C.straat], bij nadering van de kruising althans splitsing van die weg en de weg(en), de [Cr.straat] en/of de [F.straat], met een snelheid van ongever 75 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en/of zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig en/althans op zodanige wijze heeft gereden en/althans zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig heeft geremd,

dat/waardoor hij met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) in botsing althans aanrijding is gekomen met een links van hem in de rijbaan van die weg gelegen middengeleider en/of (vervolgens) die kruising althans splitsing is opgereden en (vervolgens) in botsing althans aanrijding is gekomen met een, op voornoemde kruising althans splitsing tot stilstand gebracht en optische -en geluidssignalen voerend dienstvoertuig van de politie, door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak met het parketnummer 03/700430-07 primair is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak met het parketnummer 03/700042-07 onder 2 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met het parketnummer 03/700430-07 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 13 juli 2007 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [Naam slachtoffer 1] (hoofdagent van politie) en [Naam slachtoffer 2] (wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto op die [Naam slachtoffer 1] en op die [Naam slachtoffer 2], welke op een trottoir stonden, is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met het parketnummer 700042-07 onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 20 januari 2007 in de gemeente Maastricht opzettelijk [Naam slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte met dat opzet die [Naam slachtoffer 3] tegen haar wil in een auto gehouden en in de auto (terug)getrokken;

3.

hij op 20 januari 2007, in de gemeente Maastricht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [C.straat], bij nadering van de kruising van die weg en de wegen, de [Cr.straat] en de [F.straat], met een snelheid van ongeveer 75 kilometer per uur, zo onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, waardoor hij met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) in botsing is gekomen met een links van hem in de rijbaan van die weg gelegen middengeleider en vervolgens die kruising is opgereden en vervolgens in botsing is gekomen met een, op voornoemde kruising tot stilstand gebracht en optische -en geluidssignalen voerend dienstvoertuig van de politie, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak met het parketnummer 03/700430-07 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak met het parketnummer 03/700042-07 onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bijzondere overwegingen

Ten aanzien van het subsidiair in de zaak met parketnummer 03/700430-07 bewezenverklaarde:

Opzet op zwaar lichamelijk letsel

De raadsman heeft aangevoerd - kort gezegd - dat verdachte niet het opzet heeft gehad om de verbalisanten zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte was er niet op bedacht dat hij, ondanks het remmen, zo ver met zijn personenauto door zou rijden.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Uit de processen-verbaal van politie en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte met zijn auto is ingereden op verbalisanten. Verdachte zelf verklaart dat hij [Naam slachtoffer 4] - volgens hem ‘voor de grap’ - bang wilde maken door op hem in te rijden. [Naam slachtoffer 4] stond aan de rechterkant van zijn, [Naam slachtoffer 4]s, auto. Naast [Naam slachtoffer 4] stonden twee voor verdachte onbekende personen, naar later bleek de twee betrokken verbalisanten. Hierna is verdachte naar de auto van [Naam slachtoffer 4] gereden en heeft hij daarbij wat gas gegeven. Verdachte verklaart dat hij die twee mensen wel heeft zien staan, maar meer met [Naam slachtoffer 4] bezig was. Uit de verklaringen van verbalisanten [Naam slachtoffer 1] en [Naam slachtoffer 2] blijkt dat zij opzij hebben moeten springen teneinde te voorkomen dat zij werden aangereden door verdachte. De rechtbank overweegt dat onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat sprake is van in ieder geval voorwaardelijk opzet aan de zijde van verdachte; hij heeft aldus handelende op de koop toegenomen dat anderen door zijn gedrag zwaar lichamelijk letsel zouden bekomen.

Vrijwillige terugtred

De raadsman van de verdachte heeft tevens een beroep gedaan op ontslag van alle rechtsvervolging vanwege een vrijwillige terugtred als bedoeld in art. 46b van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft hiertoe gesteld dat de verdachte voordat hij de bocht naar rechts nam, alwaar de verbalisanten zich bevonden, reeds is begonnen te remmen en uiteindelijk tot stilstand is gekomen. Hij had verder kunnen rijden, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Het volgende moet worden vooropgesteld. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten (vgl. HR 19 december 2006, LJN AZ2169, NJ 2007, 29).

Op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is het volgende gebleken.

Verdachte is op 13 juli 2007 in de richting van een auto, waar naast/nabij zich drie personen bevonden, gereden. Op de ter terechtzitting getoonde camerabeelden heeft de rechtbank gezien dat weliswaar reeds voordat de auto een bocht naar rechts maakt, de remlichten oplichten, maar niet dat de snelheid van de auto is verminderd. De rechtbank heeft verder waargenomen dat er één persoon, op het moment dat verdachte aan komt rijden, naar links springt.

Uit de stukken is voorts gebleken dat verdachtes personenauto tot stilstand is gekomen op de plek waar de verbalisanten zich eerder bevonden.

Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het inrijden op de verbalisanten zwaar lichamelijk letsel had kunnen opleveren. Dat dit niet is gebeurd, is niet toe te schrijven aan de wil of het handelen van verdachte, maar aan het wegspringen van de verbalisanten. Van vrijwillige terugtred is dan ook geen sprake.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het in de zaak met het parketnummer 03/700430-07 bewezen verklaarde levert op strafbare feiten die moeten worden gekwalificeerd als volgt.

subsidiair:

poging tot zware mishandeling;

Het in de zaak met het parketnummer 03/00042-07 bewezen verklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 1:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;

Feit 3:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het subsidiaire feit in de zaak met parketnummer 03/700430-07 en de feiten onder 1 en 2 van de zaak met parketnummer 03/700042-07 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden. Voor het feit onder 3 in de zaak met parketnummer 03/700042-07 heeft de officier van justitie hechtenis voor de duur van een maand gevorderd.

De raadsman heeft vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 03/700430-07 en van het onder 1 ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 03/700042-07 bepleit.

Ten aanzien van de straf heeft de raadsman gepleit voor een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk staat aan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, met daarnaast een voorwaardelijk deel en een taakstraf.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving.

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake een soortgelijk strafbaar feit (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht) is veroordeeld.

Het beslag

De personenauto

Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, volgens eigen opgave aan de verdachte toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het een voorwerp betreft met betrekking tot welke het in de zaak met parketnummer 03/700430-07 subsidiair bewezenverklaarde is begaan.

De rechtbank heeft bij deze beslissing rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De weed

Bij gelegenheid van het onderzoek naar het misdrijf waarvoor de verdachte is vervolgd, is weed in beslag genomen. Deze weed behoort aan de verdachte toe, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. De weed zal aan het verkeer worden onttrokken.

De vorderingen van de benadeelde partijen

Ter terechtzitting zijn de formulieren, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [Naam slachtoffer 1] en [Naam slachtoffer 2], beiden [adres slachtoffer 1 en 2], zich ter zake van hun vorderingen tot schadevergoeding als benadeelde partijen in het strafproces hebben gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partijen door het hiervoor in de zaak met parketnummer 03/700430-07 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De hoogte van deze immateriële schade wordt door de rechtbank naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van

€ 250,00.

Nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Nu de verdachte onder meer ter zake van het hiervoor in de zaak met parketnummer 03/700430-07 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens de slachtoffers, zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partijen [Naam slachtoffer 1] en [Naam slachtoffer 2] aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De vordering tot tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog van zes maanden ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, aan de verdachte opgelegd bij onherroepelijk vonnis van deze rechtbank d.d. 14 maart 2007, gewezen onder parketnummer 03/410416-06.

De vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte door hetgeen thans bewezen en strafbaar is verklaard zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Bijzondere omstandigheden die aan de gevorderde tenuitvoerlegging in de weg zouden staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 57, 62, 282, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 13a van de Opiumwet.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het in de zaak met het parketnummer 03/700430-07 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het in de zaak met het parketnummer 03/700042-07 onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het in de zaak met het parketnummer 03/700430-07 subsidiair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het in de zaak met het parketnummer 03/700042-07 onder 1 en 3 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak met het parketnummer 03/700430-07 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak met het parketnummer 03/00042-07 onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor in de zaak met parketnummer 03/700430-07 subsidiair en in de zaak met parketnummer 03/700042-07 onder 1 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van NEGEN MAANDEN;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 03/700430-07 subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van VIER MAANDEN;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor onder 3 in de zaak met parketnummer 03/700042-07 bewezenverklaarde tot hechtenis voor de tijd van TWEE WEKEN;

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomene, te weten:

20300136227 2 1 personenauto [XX-XX-XX]

RENAULT safrane 1994 kleur: X

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomene, te weten:

Enci 1 8.50 gram verdovende middelen

Weed

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer 1], [Adres slachtoffer 1], te betalen een bedrag van EUR 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente van 13 juli 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [Naam slachtoffer 1] voor het overige af;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer 1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer aan de staat voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle 50 euro van het te betalen bedrag, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer 2], [Adres slachtoffer 2], te betalen een bedrag van EUR 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente van 13 juli 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [Naam slachtoffer 2] voor het overige af;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer 2] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer aan de staat voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle 50 euro van het te betalen bedrag, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen;

- gelast dat de aan de veroordeelde bij vonnis van deze rechtbank d.d. 14 maart 2007

(03/410416-06) voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van ZES MAANDEN alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. E.H.A.F.M. Krol en mr. M. Senden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Wijckerheld Bisdom, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 augustus 2007.