Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB2733

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
03-09-2007
Zaaknummer
03-700563-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sprake van medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Uit de stukken, die zich in het dossier bevinden, is gebleken dat verdachte samen met een ander de aangever heeft geslagen en bedreigd, waardoor aangever zó bang was dat hij niets heeft terug gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700563-06

Datum uitspraak: 1 augustus 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 juli 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [Geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [adres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2006 tot en met 19 oktober 2006 in de gemeente Beek, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [Naam slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) zij verdachte en/of een of meer van haar mededader(s) met dat opzet die [Naam slachtoffer] in een woning, gelegen aan de [V.laan], onder (verbale) bedreiging(en) en/of bedreigingen met een mes, vast gehouden en/of (daarbij) de deur van die woning afgesloten, in elk geval belet dat die [Naam slachtoffer] de woning kon verlaten, en/of die [Naam slachtoffer] meermalen geslagen en/of getrapt en/of de (auto)sleutels van die [Naam slachtoffer] afgenomen;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2006 tot en met 19 oktober 2006, in de gemeente Beek, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Naam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [Naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (hard) heeft geslagen en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2006 tot en met 19 oktober 2006 in de gemeente Beek, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [Naam slachtoffer]) meermalen, althans eenmaal (telkens) heeft/hebben geslagen en/of geschopt, waardoor voornoemde [Naam slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Verbeterde schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering naar het oordeel van de rechtbank niet in zijn verdediging geschaad.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

zij in de periode van 18 oktober 2006 tot en met 19 oktober 2006 in de gemeente Beek, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [Naam slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben zij, verdachte, en haar mededaders met dat opzet die [Naam slachtoffer] in een woning, gelegen aan de [V.laan], onder verbale bedreigingen en bedreigingen met een mes, vastgehouden en belet dat die [Naam slachtoffer] de woning kon verlaten, en die [Naam slachtoffer] meermalen geslagen.

Bijzondere overweging ten aanzien van het bewijs

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat er geen sprake is van een wederrechtelijke vrijheidsberoving, omdat het opzet van verdachte niet was gericht op het vasthouden van het slachtoffer, maar op het uitpraten van een ruzie. Verdachte heeft weliswaar gezegd dat het slachtoffer niet weg mocht gaan, echter het slachtoffer heeft op dat moment moeten begrijpen dat hij niet daadwerkelijk gedwongen werd te blijven, omdat deze woorden vaker werden gezegd als verdachte en het slachtoffer ruzie hadden. De raadsman voert voorts aan dat de verklaring van [D.] omtrent de vrijheidsberoving zeer ongeloofwaardig is.

De raadsman is van mening dat de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen niet de overtuiging kan bekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verdachte dient derhalve van dit feit vrijgesproken te worden.

De rechtbank verwerpt het verweer, nu naar het oordeel van de rechtbank uit het voorliggende dossier afdoende is gebleken dat er sprake was van een wederrechtelijke vrijheidsbeneming. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de samenwerking tussen verdachte en haar mededaders zo nauw en volledig is geweest dat naar het oordeel van de rechtbank medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend bewezen is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Aangever heeft verklaard eerst diverse keren door verdachte en [L.] te zijn geslagen. Voordat hij geslagen werd hebben verdachte en [L.] gezegd dat aangever niet weg mocht gaan. Vervolgens komt [D.] enige tijd later naar de woning. [D.] dreigt een mes te pakken en aangever “de strot” door te snijden. Aangever wordt - wederom - door verdachte en [L.] en nu ook door [D.] geslagen. [D.] heeft vervolgens met een mes in zijn handen dreigend voor aangever gestaan. Aangever is gelet op zijn eigen verklaring meerdere keren door verdachte en de twee voornoemde personen geslagen. Aangever heeft verklaard enorm bang te zijn geweest en daarom niets terug gedaan te hebben.

[L.] heeft verklaard dat hij aangever heeft geslagen en dat hij heeft gezegd dat aangever niet weg mocht gaan. Verder heeft [L.] verklaard dat verdachte en [D.] aangever meerdere klappen hebben gegeven en dat [D.] tegen aangever gezegd heeft diens “strot” door te zullen snijden.

[D.] heeft verklaard dat aangever werd geslagen door verdachte en [L.]. [D.] bekent aangever meerdere klappen gegeven te hebben. Aangever zag er bang uit en toen hij zei dat hij weg wilde mocht hij niet weggaan van verdachte en [L.]. [D.] heeft bekend gedreigd te hebben een mes te pakken.

Tenslotte heeft verdachte zelf verklaard dat aangever niet weg mocht, omdat zij de waarheid boven tafel wilde hebben. Ook heeft zij verklaard dat de [L.] tegen aangever heeft gezegd dat hij niet weg zou komen, zolang de waarheid niet boven tafel was. Zij heeft bekend aangever klappen te hebben gegeven en heeft verklaard dat ook [L.] en [D.] het slachtoffer hebben geslagen.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als volgt:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de verdachte is door drs. S. Labrijn, GZ-psycholoog, een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte ingesteld en van dat onderzoek heeft genoemde psycholoog een rapport gedateerd 30 april 2007 opgemaakt, welk rapport vermeldt als conclusie dat zij als verminderd toerekeningsvatbaar dient worden beschouwd.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot

- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht,

- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen overeenkomstig de door de Reclassering Nederland te stellen richtlijnen en

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis.

De raadsman heeft vrijspraak ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit. Voorts verzoekt de raadsman de rechtbank in de strafmaat rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, het feit dat zij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en het feit dat zij tot nu toe in het kader van de geschorste voorlopige hechtenis heeft meegewerkt met de reclassering.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving en de omstandigheid dat verdachte een grove inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer door hem samen met haar mededaders enige tijd van zijn vrijheid te beroven, te mishandelen en te bedreigen.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting heeft [Naam slachtoffer], [adres slachtoffer], zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding, onder opgave van de inhoud daarvan en van de gronden waarop deze berust, als benadeelde partij in het strafproces gevoegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij [Naam slachtoffer], voor zover deze vordering betrekking heeft op een vergoeding ter zake materiële schade, niet van zodanig eenvoudige aard dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent, reden waarom zij zal bepalen dat deze benadeelde partij in haar vordering in zoverre niet-ontvankelijk is en die vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Voor het overige is de vordering van de benadeelde partij wel van zodanig eenvoudige aard gebleken dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer] door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht tot een bedrag van € 1.000,- en nu aan de verdachte ter zake van dat feit straffen zullen worden opgelegd, zal deze vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Nu de verdachte ter zake van het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en zij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer, zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij [Naam slachtoffer] aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 146 DAGEN;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- beveelt dat van de bovengenoemde opgelegde gevangenisstraf een gedeelte, namelijk 90 dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit dan wel de volgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen overeenkomstig de door de Reclassering Nederland, Regio Limburg, Unit Maastricht, gevestigd te 6224 LA Maastricht, Heerderweg 25, te stellen richtlijnen zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ook als deze richtlijnen inhouden het volgen van een cursus agressieregulatie en het meewerken aan controle op het middelengebruik;

- geeft opdracht aan genoemde instelling aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 200 uren;

- beveelt dat indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast;

- heft op de geschorste voorlopige hechtenis met ingang van heden;

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer], [adres slachtoffer], te betalen een bedrag van € 1.000,- (duizend euro), terzake de post immateriële schadevergoeding;

- bepaalt dat de benadeelde partij [Naam slachtoffer] terzake de post materiële schadevergoeding in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer] in het kader van deze procedure gemaakt, begroot op nihil, alsmede in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken;

- legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer aan de staat voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle 50 euro van het te betalen bedrag, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.E. Kramer, voorzitter, mr. J.H. Klifman en mr. I.M. Etman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van Haeringen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 1 augustus 2007.