Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB2704

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
03-09-2007
Zaaknummer
03-700063-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van belaging nu het vermeende slachtoffer zelf ook contact heeft gezocht met verdachte en daardoor een voor hem zeer verwarrende situatie is ontstaan.

Verdachte veroordeeld voor een drietal andere feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700063-07

Datum uitspraak: 29 juni 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juni 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [Geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [Adres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 7 december 2006 tot en met 18 februari 2007 in de gemeente Landgraaf, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [Naam slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk voornoemde [Naam slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen ongewenst contact met hem, verdachte, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte

- op 7 december 2006 meermalen, althans eenmaal telefonisch contact gezocht met voornoemde Maas en/of telefonisch medegedeeld dat als hij, verdachte, zijn kind niet kreeg hij, verdachte, voornoemde [Naam slachtoffer] kapot zou maken en/of

- op 10 januari 2007 meermalen telefonisch en/of per email contact gezocht met voornoemde [Naam slachtoffer] en/of

- op 18 februari 2007 meermalen telefonisch contact gezocht met voornoemde [Naam slachtoffer] en/of telefonisch (onder meer) gevraagd wie er op bezoek was en/of waar zij, voornoemde [Naam slachtoffer], geweest was en/of zij, voornoemde [Naam slachtoffer], een nieuwe vriend had en/of waar zijn, verdachtes, zoon [Naam zoon verdachte] was en/of medegedeeld dat hij, verdachte, langskwam en/of

- op 18 februari 2007 meermalen, althans eenmaal (in een personenauto) in de straat van de woning van voornoemde [Naam slachtoffer] op en neer gereden en/of

- op 18 februari 2007 in de directe omgeving van de woning van voornoemde [Naam slachtoffer] in de voor nachtrust bestemde tijd (via het raam) de woonkamer ingekeken en/of (daarbij) geroepen/geschreeuwd wie die mensen in de woning van voornoemde [Naam slachtoffer] waren en wat zij moesten en/of (daarbij) op het raam van de woning van voornoemde [Naam slachtoffer] geklopt;

2.

hij op of omstreeks 29 januari 2007 in de gemeente Landgraaf, althans in het arrondissement Maastricht, [Naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [Naam slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd dat hij haar kapot zou maken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 31 december 2006 in de gemeente Landgraaf, althans in het arrondissement Maastricht opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [Naam slachtoffer]), met zijn tot vuist(en) gebalde hand(en) heeft geslagen tegen het hoofd en/of tegen het lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 29 januari 2007 in de gemeente Landgraaf, althans in het arrondissement Maastricht, toen de aldaar dienstdoende [Naam slachtoffer 2], brigadier van politie dienstdoende bij afdeling Basis Politiezorg, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 285 Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig (met kracht) in een andere richting te bewegen dan die waarin genoemde opsporingsambtenaar verdachte trachtte te geleiden, tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel (verwonding(en) aan zijn knie en/of hand) bekwam.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bijzondere overweging met betrekking tot het bewijs

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte is tenlastegelegd dat hij zich ten opzichte van het slachtoffer [Naam slachtoffer] over de periode van 7 december 2006 tot en met 18 februari 2007 schuldig heeft gemaakt aan belaging. Op 24 november 2006 heeft [Naam slachtoffer] een “Brief aanzegging belaging” aan verdachte doen toekomen, waarin stond dat zij geen contact met verdachte wenste te hebben, dat zij daartoe ook geen enkel initiatief zou nemen en dat alle noodzakelijke contacten met betrekking tot hun kind via de advocaat dienden te verlopen.

In de periode van 7 december 2006 tot en met 18 februari 2007 is er echter meerder malen contact geweest tussen verdachte en [Naam slachtoffer]. Verdachte heeft [Naam slachtoffer] onder andere enkele malen telefonisch lastig gevallen.

Het initiatief voor de contacten is echter niet alleen door verdachte maar ook door [Naam slachtoffer] genomen. Zo heeft [Naam slachtoffer] blijkens haar aangifte op 2 januari 2007 (p. 10 van het dossier) onder andere met verdachte afgesproken oud en nieuw te vieren.

De rechtbank is van oordeel dat de situatie voor verdachte zeer verwarrend moet zijn geweest. Enerzijds heeft [Naam slachtoffer] laten merken dat zij geen contact met verdachte wenste te hebben, maar anderzijds heeft zij dat contact zelf ook opgezocht en heeft zij toegestemd verdachte te ontmoeten. Hierdoor kan het voor verdachte niet voldoende duidelijk zijn geweest dat [Naam slachtoffer] geen contact meer met hem wilde en de afspraken zoals neergelegd in de “Brief aanzegging belaging” nog steeds van kracht waren.

Nu het voor verdachte niet voldoende kenbaar was dat [Naam slachtoffer] geen contact wenste, ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank de vereiste wederrechtelijkheid van het tenlastegelegde. Dit laat onverlet dat verdachte in zijn contacten met [Naam slachtoffer] naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van het betamelijke heeft overschreden. Verdachte dient echter van het onder 1 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

2.

hij op 29 januari 2007 in de gemeente Landgraaf [Naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [Naam slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd dat hij haar kapot zou maken;

3.

hij op 31 december 2006 in de gemeente Landgraaf opzettelijk mishandelend een persoon te weten [Naam slachtoffer], met zijn tot vuisten gebalde handen heeft geslagen tegen het hoofd en tegen het lichaam, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

4.

hij op 29 januari 2007 in de gemeente Landgraaf toen de aldaar dienstdoende [Naam slachtoffer 2], brigadier van politie dienstdoende bij afdeling Basis Politiezorg, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 285 Wetboek van Strafrecht op heterdaad had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig met kracht in een andere richting te bewegen dan die waarin genoemde opsporingsambtenaar verdachte trachtte te geleiden, tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel aan zijn knie en hand bekwam.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 3:

mishandeling;

ten aanzien van feit 4:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft een straf bepleit waarbij verdachte niet in detentie zal hoeven verblijven.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving, de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij de slachtoffers en de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake geweldsdelicten is veroordeeld.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [Naam slachtoffer 2], zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij

[Naam slachtoffer 2] door het hiervoor onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade schade is toegebracht tot het door hem gevorderde bedrag van € 150,- en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 181, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van HONDERDTWINTIG DAGEN;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- beveelt dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot 77 dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer 2], postbus 1230, 6201 BE Maastricht te betalen een bedrag van

€ 150,- (zegge: honderdvijftig euro);

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer 2] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer aan de staat voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle 50 euro van de te betalen hoofdsom van € 150,-, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.A.M. van Uum, voorzitter, mr. W.A.P. Hillen en mr. J.M.E. Kessels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van Haeringen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 29 juni 2007.