Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB2701

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
03-09-2007
Zaaknummer
03-700174-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft diverse van elkaar afwijkende verklaringen afgelegd ten aanzien van diverse zaken. Steeds als zij daarop gewezen werd, paste zij haar verklaring aan.

Op basis van de in het dossier aanwezige stukken en uit hetgeen ter terechtzitting is gebleken, concludeert de rechtbank dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700174-07

Datum uitspraak: 29 juni 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juni 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen de volgende verdachte, volgens het paspoort zijnde:

[Naam verdachte volgens paspoort],

geboren te [Geboorteplaats en datum verdachte volgens paspoort],

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost – Huis van Bewaring Ter Peel te Evertsoord,

gedagvaard als:

[Naam verdachte]

geboren te [Geboorteplaats en datum verdachte],

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost – Huis van Bewaring Ter Peel te Evertsoord.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 17 maart 2007 in de gemeente Vaals, althans in het arrondissement Maastricht, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid (te weten (ongeveer) 15,1 gram) van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

zij in of omstreeks de periode van 17 maart 2007 tot en met 18 maart 2007 in de gemeente Vaals opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 176 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of (ongeveer) 1,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

zij op of omstreeks 17 maart 2007 in de gemeente Vaals opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) (Belgische) Verblijfskaart van een onderdaan van een lid-staat der E.E.G., - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat zij, verdachte, zich middels deze kaart identificeerde of kon identificeren en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat het document volledig was voorzien van een plastic folie (in tegenstelling tot de originele Verblijfskaarten) en/of de keerzijde was voorzien van twee door middel van een printtechniek nagemaakte autorisatiezegels.

Bijzondere overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft ter zitting, samengevat en voor zover relevant, aangevoerd dat het enkele feit dat verdachte de sleutels van het pand, waar de verdovende middelen zijn aangetroffen, in haar bezit heeft niets zegt over de vraag of zij ook aldaar verblijft. De raadsman betwist tevens dat verdachte wetenschap heeft gehad van het feit dat in de betreffende woning verdovende middelen aanwezig waren. Hiervan is geen sprake. Verdachte is alleen op 12 maart 2007 in de woning gezien. De verdovende middelen kunnen ook nadat verdachte in de woning kwam aldaar zijn gelegd, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting diverse van elkaar afwijkende verklaringen afgelegd, zulks onder meer met betrekking tot haar personalia, haar aanwezigheid in Vaals, de bij haar aangetroffen sleutels die bleken te passen op zowel de centrale toegangsdeur van het appartementencomplex [X] als op de toegangsdeur van het genoemde appartement, alsmede over haar aanwezigheid in het appartement.

Telkens wanneer zij werd geconfronteerd met een onjuistheid in een door haar afgelegde verklaring, paste zij haar verklaring aan.

Vast staat dat verdachte reeds op 12 maart 2007 door een opsporingsambtenaar is gezien, terwijl zij contact had met een drugsverslaafde vrouw en zij vervolgens met deze vrouw naar het adres [X] is gegaan, terwijl laatstgenoemde vrouw na ongeveer 5 minuten weer naar buiten kwam. Ter terechtzitting heeft verdachte erkend dat zij op de dag van haar aanhouding (17 maart 2007) verdovende middelen heeft overhandigd aan een vrouw. De verdovende middelen die bij genoemde vrouw zijn aangetroffen, zijn op een soortgelijke wijze verpakt als de verdovende middelen die in de woning zijn aangetroffen. De sleutels die bij verdachte zijn aangetroffen passen op zowel de centrale toegangsdeur als de toegangsdeur van het appartement. Uit het dossier blijkt bovendien (zie o.m. foto’s pag. 130 alsmede proces-verbaal van bevindingen pag. 132) dat, anders dan verdachte in eerste instantie ter zitting vertelt, zij in de woning is geweest, terwijl zij aldaar op redelijk intieme wijze op de bank lag met een man met een Noord-Afrikaans uiterlijk.

Het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigt de conclusie dat verdachte niet alleen over de betreffende woning kon beschikken, maar aldaar ook (meerdere malen) is geweest. De stelling van de raadsman dat verdachte alleen op 12 maart 2007 in de woning is geweest en dat de verdovende middelen ook daarna in de woning kunnen zijn gelegd, is naar het oordeel van de rechtbank onhoudbaar, temeer nu verdachte ter zitting heeft verklaard ook op de dag van haar aanhouding, 17 maart 2007, in het appartement te zijn geweest.

De rechtbank concludeert uit het vorenstaande dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde verdovende middelen aanwezig heeft gehad, immers de verdovende middelen bevonden zich in de machtssfeer van verdachte.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

zij op 17 maart 2007 in de gemeente Vaals opzettelijk heeft verkocht 15,1 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

zij in de periode van 17 maart 2007 tot en met 18 maart 2007 in de gemeente Vaals opzettelijk aanwezig heeft gehad 176 gram heroïne en 1,7 gram cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

zij op 17 maart 2007 in de gemeente Vaals opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalste Belgische Verblijfskaart van een onderdaan van een lid-staat der E.E.G., - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat zij, verdachte, zich middels deze kaart kon identificeren en bestaande die vervalsing hierin dat het document volledig was voorzien van een plastic folie in tegenstelling tot de originele Verblijfskaarten en de keerzijde was voorzien van twee door middel van een printtechniek nagemaakte autorisatiezegels.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijk gebruik maken van het vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde bepleit. Ten aanzien van het onder 1 en 3 tenlastegelegde stelt de raadsman een gevangenisstraf voor die niet veel langer is dan de tijd door verdachte in voorarrest doorgebracht.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving en de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Het beslag

De in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voor wat betreft het hierna te noemen nummer 37 een voorwerp betreft dat tot het begaan van de strafbare feiten (overtreding van de Opiumwet) is bestemd en dat het voor wat betreft de nummers 34, 35 en 36 de opbrengst betreft van de handel in hard drugs.

Het voorwerp op de beslaglijst onder nummer 38 genoemd, zal worden teruggegeven aan de rechthebbende.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen is gegrond op de artikelen 33, 33a, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van NEGEN MAANDEN;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomene, te weten:

2007038737 34, geld Nederlands, € 125,-;

2007038737 35, geld Nederlands, € 6,92;

2007038737 36, geld Nederlands, € 3,-;

2007038737 37, 1 zwarte weegschaal van het merk TANITA, type 1479v;

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van het inbeslaggenomene, te weten:

2007038737 38, 1 zilverkleurig fototoestel van het merk JENOPTIC Jdc 3.1Lcd.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. W.A.P. Hillen, voorzitter, mr. M.A.M. van Uum en mr. J.M.E. Kessels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van Haeringen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 29 juni 2007.