Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB2628

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-08-2007
Datum publicatie
30-08-2007
Zaaknummer
03-703591-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van één der tenlastegelegde feiten wegens ontbreken van NFI-rapporten.

Veroordeling ten aanzien van de twee overige tenlastegelgede feiten. Verdachte heeft willens en wetens de aanmerkelijke kans genomen dat -in ieder geval vier- van de door hem verhuurde woonruimten gebruikt zouden worden voor handel in verdovende middelen. Hij ging als professioneel verhuurder bij de verhuur van zijn woningen op zeer onzorgvuldige wijze te werk. Bovendien was hij van de drugshandel vanuit zijn panden op de hoogte nadat hij een waarschuwing hieromtrent had gekregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 269

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703591-05

Datum uitspraak: 29 augustus 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 augustus 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en -plaats verdachte],

wonende te [adres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

[Medeverdachte] en/of een of meer onbekende perso(o)n(en) op of omstreeks 13 februari 2006 in de gemeente Maastricht, althans in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende tenamfetamine en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine en/of metamfetamine (ongeveer 658 tabletten en/of ongeveer 87 gram in poedervorm) en/of hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroine (in totaal ongeveer 639 gram) en/of hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine (in totaal ongeveer 133 gram), zijnde tenamfetamine en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine en/of metamfetamine en/of heroine en/of cocaine (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 13 februari 2006 te Maastricht opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door aan een of meer onbekende perso(o)n(en) een woning gelegen aan de [adres] ter beschikking te stellen onder meer voor de aanwezigheid en/of handel in verdovende middelen;

2.

hij een of meermalen in of omstreeks het tijdvak van 30 september 2004 tot en met 22 februari 2006 te Maastricht, in elk geval het arrondissement Maastricht, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaine en/of amfetamine en/of tenamfetamine en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine en/of metamfetamine, zijnde heroïne, cocaïne, amfetamine, tenamfetamine, MDMA, N-ethyl MDA (=MDEA) en/of metamfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, immers heeft verdachte een woning gelegen aan

- de [adres 1] en/of

- de [adres 2] en/of

- de [adres 3] en/of

- de [adres 4] en/of

- het [adres 5] en/of

- de [adres 6] en/of

- de [adres 7]

aan een of meer (onbekende) perso(o)n(en) verhuurd en/of ter beschikking gesteld;

3.

hij in of omstreeks de periode van 3 december 2003 tot en met 22 februari 2006 in de gemeente(n) Valkenburg aan de Geul en/of Maastricht en/of Heerlen, in elk geval in het arrondissement Maastricht tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) huurovereenkomsten met betrekking tot door

verdachte verhuurde woonruimte - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) (telkens) valselijk:

- een huurovereenkomst ten aanzien van de verhuur van het pand [adres 2] opgemaakt of laten opmaken door personeel van verdachte, op naam van [naam] en/of ondertekend met een handtekening die moet doorgaan voor die van voornoemde [naam], of de daarmee (kennelijk) bedoelde [naam]

- een huurovereenkomst te aanzien van de verhuur van een woning aan het [adres 5] opgemaakt of laten opmaken door personeel van verdachte, op naam van [naam] en/of ondertekend met een handtekening die moet doorgaan voor die van voornoemde [naam]

- een huurovereenkomst ten aanzien van de verhuur van het pand [adres 3] opgemaakt of laten opmaken door personeel van verdachte, op naam van [naam]

- een huurovereenkomst ten aanzien van de verhuur van het pand [adres 4] opgemaakt of laten opmaken door personeel van verdachte, op naam van [naam] en/of ondertekend met een handtekening die moet doorgaan voor die van voornoemde [naam] of de daarmee (kennelijk) bedoelde [naam]

- een huurovereenkomst ten aanzien van de verhuur van een woning aan de [adres 6] opgemaakt of laten opmaken door personeel van verdachte, op naam van [naam]

- een huurovereenkomst ten aanzien van de verhuur van het pand [adres] opgemaakt of laten opmaken door personeel van verdachte, op naam van [naam] en/of ondertekend met een handtekening die moet doorgaan voor de handtekening van voornoemde [naam] of de daarmee (kennelijk) bedoelde [naam],

- een huurovereenkomst ten aanzien van de verhuur van de woning aan het [adres 8] opgemaakt of laten opmaken door personeel van verdachte, op naam van [naam] en/of ondertekend of laten ondertekenen met een handtekening die moet doorgaan voor de handtekening van di[naam]]

- een huurovereenkomst ten aanzien van de verhuur van de woning aan het de [adres 7] opgemaakt of laten opmaken door personeel van verdachte, op naam van [naam], zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks het tijdvak van 3 december 2003 tot en met 22 februari 2006 in de gemeente Valkenburg aan de Geul, in elk geval in het arrondissement Maastricht,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad (een) valse of vervalste huurovereenkomst(en), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, welke valsheid of vervalsing hierin bestond dat die huurovereenkomst(en) (telkens) vals was/waren en/of voorzien was/ waren van een handtekening welke moest doorgaan voor de handtekening van de in die huurovereenkomst(en) als huurder genoemde perso(o)n(en), terwijl hij wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat dit geschrift (telkens) bestemd was voor zodanig gebruik.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Inleiding

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat verdachte als verhuurder van het pand aan de [adres] is opgetreden. Op 13 februari 2006 heeft de politie gezien hoe een persoon, later bekend als [naam], de woning aan de [adres] heeft verlaten. De politie heeft [naam] korte tijd gevolgd en vervolgens aangehouden. Bij zijn aanhouding werden bij [naam] verdovende middelen aangetroffen, aldus het proces-verbaal van bevindingen (zie p. 854 van de doornummering). In het dossier bevindt zich geen rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (verder: NFI) waaruit blijkt dat de bij [naam] aangetroffen middelen inderdaad verdovende middelen betroffen en zo ja welke.

[Naam] heeft verklaard in het pand 20 gram heroïne te hebben gekocht van een man die hij middels een spiegelconfrontatie heeft herkend. Het betrof [medeverdachte] (zie p. 863, 866 en 896 van de doornummering). Ook [medeverdachte] is vervolgens aangehouden.

Bij een doorzoeking die vervolgens in het pand heeft plaatsgevonden is blijkens het proces-verbaal een hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen (zie p. 872 van de doornummering). Volgens de door de politie uitgevoerde ODV-testen ging het hierbij onder andere om cocaïne, heroïne en MDMA (zie p. 901 van de doornummering). In het dossier bevindt zich voorts een aanvraag voor een onderzoek bij het NFI om de aangetroffen verdovende middelen nogmaals te testen (p. 904 van de doornummering). De testresultaten van het NFI bevinden zich echter niet in het dossier.

Oordeel van de rechtbank

Nu zich in het dossier geen rapporten van het NFI bevinden – noch ten aanzien van de in het pand [adres] aangetroffen middelen, noch ten aanzien van de bij [naam] aangetroffen middelen – is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om aan te nemen dat er door [medeverdachte] vanuit genoemd pand in verdovende middelen werd verhandeld. Het feit dat er wel positieve ODV-testen aanwezig zijn doet hier niet aan af. Een positieve ODV-test geeft immers alleen een indicatie en vormt onvoldoende wettig bewijs omtrent de hoedanigheid van een stof, c.q. een middel.

Ook de verklaring van [naam] dat hij heroïne van [medeverdachte] heeft gekocht is onvoldoende bewijs. Uit het dossier blijkt immers niet dat [naam] reeds eerder heroïne van [medeverdachte] heeft gekocht, noch blijkt dat hij de gekochte stof al had uitgeprobeerd. Hierdoor kan [naam] geen eigen wetenschap hebben omtrent de daadwerkelijk samenstelling van de door hem gekochte stof.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte van feit 1 dient te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

2.

hij meermalen in het tijdvak van 05 maart 2005 tot en met 17 september 2005 te Maastricht, om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaine en/of amfetamine en/of tenamfetamine en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine en/of metamfetamine, zijnde heroïne, cocaïne, amfetamine, tenamfetamine, MDMA, N-ethyl MDA (=MDEA) en/of metamfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen gelegenheid en middelen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, immers heeft verdachte een woning gelegen aan

- de [adres 4] en

- de [adres 6]

aan een of meer (onbekende) personen verhuurd en/of ter beschikking gesteld.

3.

hij in de periode van 3 december 2003 tot en met 22 februari 2006 in de gemeente(n) Valkenburg aan de Geul en/of Maastricht en/of Heerlen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, een huurovereenkomst met betrekking tot door verdachte verhuurde woonruimte – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk hebben opgemaakt of vervalst, immers hebben verdachte en een of meer van zijn mededaders (telkens) valselijk:

- een huurovereenkomst ten aanzien van de verhuur van het pand [adres] opgemaakt of laten opmaken door personeel van verdachte, op naam van [naam] en/of ondertekend met een handtekening die moet doorgaan voor de handtekening van voornoemde [naam] of de daarmee [naam].

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen

Feit 2

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Standpunt officier van justitie

Door de officier van justitie is aangevoerd dat de feiten en omstandigheden zoals die uit het dossier naar voren komen, mede gelet op hun onderlinge samenhang, voldoende bewijs bieden dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat er legio situaties zijn waarin een verhuurder wordt geconfronteerd met handelingen van de huurder die het daglicht niet kunnen verdragen. Voor een verhuurder is het niet altijd gemakkelijk dit te voorkomen. Daarnaast is voor overtreding van artikel 10 Ow opzet vereist, en wel opzet om het feit te bevorderen of voor te bereiden. Volgens de verdediging is ten aanzien van geen van de in de tenlastelegging genoemde adressen enig bewijs voor het vereiste opzet voorhanden.

Uit de hieronder opgesomde bewijsmiddelen zijn naar het oordeel van de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan:

I.

Op 30 september 2004 heeft een schietincident plaatsgevonden in een woning aan de [adres 1]. In de woning werden verdovende middelen aangetroffen, alsmede attributen, waaruit bleek dat de woning als dealpand werd gebruikt (A1). Naar aanleiding van genoemd incident is verdachte op 1 oktober 2004 als getuige gehoord. Verdachte heeft toen verklaard het pand aan de [adres 1] met ingang van 1 augustus 2004 te hebben verhuurd aan een man genaamd [naam]. Er is geen schriftelijke huurovereenkomst voorhanden en verdachte heeft behalve de naam “[naam]” geen verdere gegevens van de huurder (B1).

II.

Op 14 november 2004 heeft naar alle waarschijnlijkheid een vecht-, c.q. steekpartij plaatsgevonden in een woning aan de [adres 2]. In deze woning werd bloed aangetroffen, alsmede een hoeveelheid verdovende middelen, waaruit bleek dat ook deze de woning als dealpand werd gebruikt (A2). Naar aanleiding van genoemd incident is verdachte op 16 november 2004 als getuige gehoord. Verdachte heeft toen verklaard het pand aan de [adres 2] met ingang van 1 oktober 2004 op verzoek van een man, genaamd [naam], te hebben verhuurd aan een man genaamd [naam]. De huur van november 2004 heeft verdachte persoonlijk opgehaald (B2). Uit de door verdachte bij de politie overgelegde schriftelijke huurovereenkomst en bijgehorende ID-kaart blijkt de naam van [naam] in de overeenkomst te zijn opgenomen als [naam], blijkt geen ingangsdatum op de overeenkomst te zijn ingevuld en blijkt de handtekening onder de huurovereenkomst niet overeen te komen met de handtekening op de bijbehorende ID-kaart (C1). [Naam] heeft verklaard niet te weten waarom de huurovereenkomst op zijn naam is gezet. Hij is niet bij het sluiten van de overeenkomst aanwezig geweest. Hij verklaart nooit in het betreffende pand te zijn geweest en indien zijn handtekening onder de overeenkomst staat, dan is dit een vervalsing, aldus [naam] (D1).

III.

Op 17 januari 2005 werd in het kader van een onderzoek naar de betrokkenheid van enkele Marokkanen bij de handel in verdovende middelen een doorzoeking gehouden in een woning, gelegen aan het [adres 9]. Hierbij werd een hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen, alsmede weegapparatuur, een aanzienlijk geldbedrag, een pistool en CS-gas (A3). Blijkens een NFI-rapport gaat het bij de in de woning aangetroffen verdovende middelen om heroïne, amfetamine, MDMA en cocaïne (E1). Naar aanleiding van dit incident is verdachte op 27 januari 2005 als getuige gehoord. Verdachte heeft toen verklaard het pand [adres 9] met ingang van oktober 2004 te hebben verhuurd aan een man, genaamd [naam]. De huur heeft hij enkele keren contant ontvangen. Meestal van [naam], eenmaal van iemand anders (B3). Uit de door verdachte aan de politie overgelegde kopie van de schriftelijke huurovereenkomst en kopie van het rijbewijs van de huurder blijkt dat de handtekening van de huurder op de overeenkomst niet overeenkomt met de handtekening op het rijbewijs (C2).

IV.

Op 2 maart 2005 werd in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Frankrijk in een woning gelegen aan de [adres 3] een onderzoek ingesteld. In deze woning werd een hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen, alsmede een stroomstootwapen (A4). Blijkens een NFI-rapport bevatten de in de woning aangetroffen verdovende middelen cocaïne en heroïne (E2). Naar aanleiding van deze vondst is verdachte op 5 maart 2005 als getuige gehoord. Blijkens het proces-verbaal is verdachte hierbij ook de cautie gegeven. Verdachte heeft tijdens dit verhoor verklaard het pand aan de [adres 3] met ingang van 1 maart 2004 te hebben verhuurd aan [naam] (B4). Uit de door verdachte aan de politie overgelegde schriftelijke huurovereenkomst blijkt dat deze noch door verdachte, noch door [naam] is ondertekend (C3).

Uit het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 december 2005, blijkt dat verdachte tijdens bovengenoemd verhoor op 5 maart 2005 werd gewezen op het feit dat het slordig was huurovereenkomsten niet correct of niet volledig in te vullen. Aan verdachte werd het advies gegeven de huur op zijn bankrekening te laten overschrijven, zodat controle achteraf mogelijk zou zijn en hij geloofwaardiger zou overkomen (F1).

V.

Op 5 september 2005 werd in het kader van een onderzoek een doorzoeking gehouden in een woning gelegen aan de [adres 4]. In deze woning werden onder andere aangetroffen verdovende middelen, CS-gas en een vuurwapen (A5). Blijkens een NFI-rapport bevatten de in de woning aangetroffen verdovende middelen cocaïne, heroïne en MDMA (E3). Naar aanleiding van deze vondst is verdachte op 14 september 2005 verhoord. Verdachte heeft tijdens dit verhoor verklaard het pand aan de [adres 4] met ingang van 1 januari 2005 te hebben verhuurd aan [naam]. Hij ging iedere maand naar het pand om de huur op te halen (B5). Uit de door verdachte aan de politie overgelegde kopie van de schriftelijke huurovereenkomst en de bijbehorende kopie van het rijbewijs van de huurder blijkt dat het rijbewijs is uitgegeven op naam van [naam], geboren te [geboorteplaats]. De handtekening van de huurder komt niet overeen met de handtekening op het bijbehorende rijbewijs (C4).

VI.

Op 17 september 2005 werd in het kader van een onderzoek een doorzoeking gehouden in een woning gelegen aan de [adres 6]. In deze woning werden onder andere verdovende middelen aangetroffen (A6). Blijkens een NFI-rapport ging het bij deze middelen om cocaïne, heroïne en amfetamine (E4). Naar aanleiding van deze vondst is verdachte op 28 september 2005 verhoord. Verdachte heeft tijdens dit verhoor verklaard het pand aan de [adres 10] te verhuren aan [naam]. De huur werd volgens verdachte contant betaald, soms door [naam], soms door iemand anders die hij wel eens samen met [naam] had gezien (B6). Uit de door verdachte aan de politie overgelegde kopie van de schriftelijke huurovereenkomst blijkt dat deze noch door de verhuurder, noch door de huurder is ondertekend (C5). [Naam] heeft verklaard de woning niet te huren. Hij is daar nooit geweest. Zijn paspoort is hij op school kwijt geraakt. Een paar weken later werd het gevonden en door de politie aan hem geretourneerd (D2).

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is het met de verdediging eens dat voor overtreding van artikel 10a Ow opzet is vereist. Aan het vereiste van opzet is echter ook voldaan indien sprake is van voorwaardelijk opzet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte in de onderhavige zaak willens en wetens de aanmerkelijke kans genomen dat de door hem verhuurde woonruimten aan de [adres 4] en aan de [adres 6] gebruikt zouden worden voor de handel in verdovende middelen. Hierdoor heeft verdachte zich ten aanzien van deze twee adressen schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 10a Ow, zoals onder feit 2 ten laste gelegd. De rechtbank stoelt dit oordeel op het volgende.

Gelet op de bovenomschreven feiten en omstandigheden staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte ten tijde van zijn verhoor op 5 maart 2005 in ieder geval vier panden (te weten: [adres 1], [adres 2], [adres 9] en [adres 3]) verhuurde, van waaruit handel in verdovende middelen heeft plaatsgevonden. Uit het dossier valt niet op te maken of de politie verdachte bij de betreffende verhoren expliciet heeft verteld dat in de panden verdovende middelen waren aangetroffen. Gelet op het feit dat verdachte echter na ieder incident ten aanzien van alle vier de panden is gehoord en gelet op de waarschuwing die op 5 maart 2005 aan verdachte is gegeven, mag worden geconcludeerd dat verdachte hier in ieder geval na 5 maart 2005 van op de hoogte was. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij zeer kort nadat in zijn pand door de politie een inval was gedaan bekend was met hetgeen zich in het betreffende pand precies had afgespeeld.

De rechtbank is het met de verdediging eens dat het enkele feit dat iemand een pand verhuurt van waaruit verdovende middelen worden verhandeld, niet zonder meer met zich brengt dat de verhuurder zich schuldig maakt aan voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

Uit het dossier blijkt echter dat dit bij verdachte anders was. Verdachte ging bij de verhuur van zijn woningen op zeer onzorgvuldige wijze te werk. In één geval was in het geheel geen huurovereenkomst aanwezig en ontbrak nagenoeg iedere informatie over de huurder. Verder waren diverse overeenkomsten niet ondertekend en de overeenkomsten die wel ondertekend waren bleken voorzien van een handtekening die niet overeenkomt met de handtekening op het ID-bewijs van de beweerdelijke huurder.

Verdachte heeft dienaangaande ter zitting verklaard dat [B.V.] 30 tot 35 panden verhuurt. Zo mogelijk aan bedrijven, maar als dit niet lukt dan verhuurt hij ook aan particulieren. De meeste woningen worden gemeubileerd verhuurd. Bij het afsluiten van huurovereenkomsten met particulieren vraagt verdachte bewust geen andere gegevens dan een ID-bewijs van zijn huurders. Een loonstrookje vindt hij te persoonlijk. Ook vraagt hij nooit om een arbeidsovereenkomst. Soms worden huren contant geïnd, omdat zijn huurders met enige regelmaat niet in het bezit zijn van een sofinummer en om die reden niet in het bezit zijn van een (Nederlandse) bankrekening, aldus verdachte. De huur van de woningen ligt meestal boven de € 1000,- per maand. Verdachte heeft verklaard niet gezien of gemerkt te hebben dat de huurovereenkomsten niet, of valselijk, zijn ondertekend. Dat hij dit niet heeft gezien is niet bewust gebeurd, maar kwam door onoplettendheid.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op het aantal woningen dat hij verhuurt, kan worden aangemerkt als een professionele verhuurder. Van een professionele verhuurder mag naar het oordeel van de rechtbank worden verwacht dat hij, alvorens een huurovereenkomst aan te gaan, meer informatie van zijn huurders verlangt dan alleen een kopie van een ID-bewijs en dat hij de huren, zeker gelet op de hoogte hiervan, via een officiële bankrekening laat overboeken. Daarnaast mag van verdachte worden verwacht dat hij aan de hand van de handtekeningen van zijn huurders zorgvuldig(er) hun identiteit controleert. Nu verdachte dit alles heeft nagelaten heeft hij naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens het risico gelopen te verhuren aan niet bonafide huurders.

Daarnaast was het verdachte in ieder geval na zijn 4e verhoor bij de politie op 5 maart 2005 duidelijk dat het risico dat hij aan drugshandelaren zou verhuren verre van denkbeeldig was. Op die datum bleek immers dat in een periode van amper zes maanden tijd in vier van de 30 tot 35 woningen van verdachte zaken zijn aangetroffen waaruit bleek dat vanuit de betreffende woning werd gehandeld in verdovende middelen.

Dit laatste brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat verdachte – door ook na 5 maart 2005 op onzorgvuldige wijze nieuwe huurovereenkomsten af te sluiten voor panden met een huur van € 1250,00 of meer per maand - vanaf die datum niet alleen willens en wetens het risico van niet bonafide huurders heeft genomen, maar tevens - gelet op de eerdere ervaring – de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze huurders zich bezig zouden houden met de handel in verdovende middelen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte zich ten aanzien van de adressen [adres 1], [adres 2], [adres 9] en [adres 3] aan het onder feit 2 ten laste gelegde schuldig heeft gemaakt.

Ten aanzien van de adressen [adres 4] en de [adres 10], acht de rechtbank het onder feit 2 ten laste gelegde wel bewezen.

Ten aanzien van het [adres 7] dient verdachte te worden vrijgesproken, aangezien in het dossier geen bewijs voorhanden is dat in deze woning in verdovende middelen is gehandeld.

A.

1. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal relaterende het onderzoek naar de relatie tussen de verdachte en het adres [adres 1] van 24 april 2006 (p. 516 t/m 519 doornummering).

2. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal relaterende het onderzoek naar de relatie tussen de verdachte en het adres [adres 2] van 24 april 2006 (p. 529 t/m 532 doornummering).

3. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal relaterende het onderzoek naar de relatie tussen de verdachte en het adres [adres 9] van 24 april 2006 (p. 562 t/m 564 doornummering).

4. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal relaterende het onderzoek naar de relatie tussen de verdachte en het adres [adres 3] van 24 april 2006 (p. 576 t/m 579 doornummering).

5. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal relaterende het onderzoek naar de relatie tussen de verdachte en het adres [adres 4] van 24 april 2006 (p. 602 t/m 607 doornummering).

6. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal relaterende het onderzoek naar de relatie tussen de verdachte en het adres [adres 6] van 24 april 2006 (p. 674 t/m 677 doornummering).

7. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal relaterende het onderzoek naar de relatie tussen de verdachte en het adres [adres 7] van 24 april 2006 (p. 990 t/m 992 doornummering).

B.

1. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed en ambtsgelofte ondertekende proces-verbaal van verhoor van verdachte (toen nog als getuige) d.d. 4 oktober 2004 (p. 520 t/m 522 doornummering).

2. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal van verhoor van verdachte (toen nog als getuige) d.d.16 november 2004 (p. 533 t/m 535 doornummering).

3. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal van verhoor van verdachte (toen nog als getuige) d.d. 27 januari 2005 (p. 567 t/m 569 doornummering).

4. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal van verhoor van verdachte (toen nog als getuige) d.d. 5 maart 2005 (p. 582 en 583 doornummering).

5. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d.14 september 2005 (p. 610 en 611 doornummering).

6. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtsbelofte ondertekende proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 28 september 2005 (p. 678 en 679 doornummering).

C.

1. Kopie van de schriftelijke huurovereenkomst tussen verdachte en [naam] (p. 539 t/m 542 doornummering).

2. Kopie van de schriftelijke huurovereenkomst tussen verdachte en [naam] (p. 570 t/m 572 doornummering).

3. Kopie van de schriftelijke huurovereenkomst tussen verdachte en [naam] (p. 589 en 590 doornummering).

4. Kopie van de schriftelijke huurovereenkomst tussen verdachte en [naam] (p. 612 t/m 614 doornummering).

5. Kopie van de schriftelijke huurovereenkomst tussen verdachte en [naam] (680 t/m 683 doornummering).

D.

1. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed en ambtsgelofte ondertekende proces-verbaal van verhoor van [naam] d.d. 17 november 2004 (p. 536 en 537 doornummering).

2. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal van verhoor van [naam] d.d. 23 november 2005 (p. 683 en 684 doornummering).

E.

1. De processen-verbaal Kennisgeving van inbeslagname, het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen en het deskundigenrapport van het NFI, opgemaakt op 4 februari 2005 (p. 168 t/m 188 BOB-dossier).

2. Het proces-verbaal doorzoeken woning, het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen en het deskundigenrapport van het NFI, opgemaakt op 21 maart 2005 (p. 142 t/m 154 BOB-dossier).

3. Het proces-verbaal doorzoeken woning, het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen en het deskundigenrapport van het NFI, opgemaakt op 27 september 2005 (p. 229 t/m 238 BOB-dossier).

4. Het proces-verbaal betreden en doorzoeken woning, het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen en het deskundigenrapport van het NFI, opgemaakt op 1 november 2005 (p. 257 t/m 268 BOB-dossier).

F.

1. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed en ambtsgelofte ondertekende proces-verbaal van bevindingen 7 december 2005 (p. 592 en 593 doornummering).

G. De verklaring van verdachte, gedaan ter zitting, voor zover hierboven weergegeven.

Feit 3

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt

Standpunt van de officier van justitie

Door de officier van justitie is betoogd dat het dossier voldoende bewijs biedt voor bewezenverklaring van het onder 3 primair ten laste gelegde valsheid in geschrifte.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat het niet verboden is huurovereenkomsten op te maken op de naam van een persoon waarvan duidelijk is dat deze persoon het betreffende pand niet zelf zal gaan bewonen. Daarnaast is voor valsheid in geschrift vereist dat het geschrift dient om tot enig bewijs te dienen. Voor zover de overeenkomsten niet door beide partijen zijn ondertekend strekken zij niet tot bewijs en is ten aanzien van deze overeenkomsten geen sprake van valsheid in geschrift, aldus de verdediging. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte alleen valsheid in geschrift kan worden verweten, indien hij wist dat de ondertekening vals was.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is het met de verdediging eens dat voor valsheid in geschrift in de zin van artikel 225 Sr is vereist dat het moet gaan om een (vals) geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen. Daarvan is in de onderhavige zaak naar het oordeel van de rechtbank alleen sprake bij die overeenkomsten waar op de plaats waar de huurder dient te ondertekenen een handtekening is geplaatst. De overeenkomsten waar op die plaats geen handtekening is geplaatst kunnen niet tot enig bewijs dienen. Uit het dossier is komen vast te staan dat de huurovereenkomsten voor de woningen aan de [adres 3], de [adres 6 en adres 7] op de betreffende plaats geen handtekening bevatten (zie resp. p. 589 en 590 doornummering, p. 680 t/m 683 doornummering en p. 1004 doornummering). Ten aanzien van deze drie adressen kan verdachte derhalve geen valsheid in geschrift worden tegen geworpen.

Voorts vereist artikel 225 Sr opzet op het valselijk opmaken of vervalsen. Van een dergelijk opzet kan naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval slechts sprake zijn indien de verdachte de overeenkomst zelf valselijk heeft ondertekend, dan wel bij de ondertekening aanwezig was, terwijl hij op dat moment wist, of had moeten weten dat de ondertekening vals was. Uit het dossier is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat verdachte aanwezig was bij de ondertekening van de huurovereenkomsten voor de woningen aan de [adres 2], het [adres 9] en de [adres 4]. Ook ten aanzien van deze adressen kan verdachte derhalve geen valsheid in geschrift worden tegen geworpen.

Verdachte is naar eigen zeggen aanwezig geweest bij de ondertekening van het contract betreffende het pand [adres 9]. De handtekening van de huurder onder dit contract komt overeen met de handtekening op de ID-kaart. De rechtbank gaat er daarom van uit dat verdachte niet heeft kunnen concluderen of dit een valse handtekening is. De verklaring van de huurder [naam] dat hij verdachte heeft meegedeeld dat hij het contract voor een ander op zijn naam wilde stellen, wordt niet ondersteund door ander bewijs. De rechtbank acht feit 3 derhalve ook met betrekking tot dit pand niet bewezen.

Ten aanzien van het resterende [adres] overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de hieronder opgesomde bewijsmiddelen zijn naar het oordeel van de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan:

I.

Verdachte is directeur van [M] B.V. (A1). [M] B.V. is op haar beurt directrice van F. [B.V.] (A2). Verdachte beschouwt zichzelf als directeur van F. [B.V.]. Het bedrijf bestaat uit twee personen, verdachte en een administratief medewerkster en houdt zich bezig met de huur van verhuur van woonruimten (A3). De huurovereenkomsten worden soms opgesteld door verdachte zelf (B1). Soms op aangeven van verdachte door zijn zoon [naam] (B2) of door de administratief medewerkster [naam] (B3).

II.

De woning aan de [adres] heeft verdachte volgens eigen zeggen verhuurd aan een vrouw genaamd [naam] of [naam] (A4, p. 162). Uit de door verdachte aan de politie overgelegde huurovereenkomst blijkt dat deze op naam staat van “[naam]”. De handtekeningen op de overeenkomst en de ID-kaart komen bij een eerste vergelijking vrijwel overeen (C1). Blijkens het proces-verbaal van verhoor van [naam] blijkt zij [naam] te heten en in [plaats] te wonen. [Naam] heeft verklaard dat de betreffende huurovereenkomst niet door haar is ondertekend. De handtekening onder het contract lijkt wel op die van haar, maar ze weet zeker dit contract niet zelf te hebben ondertekend. Ze is nog nooit in Maastricht geweest. Ze is al enige keren beroofd van haar ID-papieren (D1). Bij een doorzoeking van het kantoor van verdachte heeft de politie in een prullenmand vijf kapot gescheurde formulieren “huurovereenkomst woonruimte” aangetroffen, allen met als [naam] vermeldt: [naam] (D2). Twee van deze huurovereenkomsten waren ondertekend met [naam] (D3, p. 731 en 738 doornummering). De derde overeenkomst was drie maal ondertekend met de naam [naam] (D3, p. 733 doornummering). De vierde overeenkomst was een maal ondertekend met [naam], waarbij tevens zeven maal de letter “D” en zeven maal de letter “z”, alsmede nogmaals de naam [naam] was geschreven (D3, p. 735 doornummering). De vijfde overeenkomst was vier maal ondertekend met de naam [naam] D3, p. 737 doornummering).

A.

1. Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (p. 40 t/m 42 doornummering.

2. Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (p. 43 t/m 45 doornummering).

3. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 22 februari 2005 (p.142 t/m 154 doornummering).

4. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 februari 2005 (p.155 t/m 176 doornummering).

B.

1. De verklaring van verdachte, gedaan ter zitting, voor zover hierboven weergegeven.

2. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal van verhoor van getuige [naam] d.d. 3 maart 2006 (p. 52 t/m 54 doornummering).

3. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal van verhoor van getuige [naam] d.d. 2 maart 2006 (p. 55 t/m 58 doornummering).

C.

1. Kopie van de schriftelijke huurovereenkomst tussen [naam] en [naam] (p. 712 t/m 14 doornummering).

D.

1. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam] van 15 maart 2006 (p. 707 t/m 711 doornummering).

2. Het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal relaterende het onderzoek naar de relatie tussen de verdachte en het adres [adres] van 24 april 2006 (p. 696 t/m 702 doornummering).

3. Bijlagen E t/m I, behorende bij het in wettelijke vorm opgemaakte en op ambtseed ondertekende proces-verbaal relaterende het onderzoek naar de relatie tussen de verdachte en het adres [adres] van 24 april 2006 (p. 729 t/m 738 doornummering).

Oordeel van de rechtbank

Gelet op de bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte ten aanzien van de woning aan de [adres] valsheid in geschrifte heeft gepleegd. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De diverse letters en namen op de vijf kapot gescheurde huurovereenkomsten op naam van [naam] kunnen als niets anders worden beschouwd dan als proefletters en proefhandtekeningen, ten einde de handtekening van [naam] zo goed mogelijk te kunnen namaken. Nu [naam] tevens heeft verklaard dat de handtekening onder de huurovereenkomst voor de [adres] niet de hare is, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat dit contract valselijk is ondertekend. Gelet op het feit dat het verdachte was die de valse overeenkomst aan de politie heeft getoond en gelet op het feit dat de oefenovereenkomsten zijn gevonden in het kantoor van verdachte, staat naar het oordeel van de rechtbank tevens vast dat het verdachte is geweest die de valse handtekening heeft geplaatst, dan wel heeft laten plaatsen.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

feit 2:

om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet (oud), voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid of middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;

feit 3 primair:

medeplegen van valsheid in geschrift.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde onder 1, 2 en 3 primair zal worden veroordeeld tot

- een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle hem tenlastegelegde feiten.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door de verdachte en diens raadsman ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft hierbij ten nadele van verdachte meegewogen dat verdachte een professionele verhuurder is, op wiens handelingen de maatschappij moet kunnen vertrouwen. Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte nog niet eerder terzake van een strafbaar feit is veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van het bewezenverklaarde geen sprake van een voortgezette handeling zoals door de raadsman is betoogd, nu niet aannemelijk is geworden dat sprake is van één ongeoorloofd wilsbesluit.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 10a (oud) van de Opiumwet.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van ZES maanden;

- beveelt dat de opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

- veroordeelt de verdachte tevens tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van HONDERDTACHTIG uren;

- verstaat dat deze taakstraf moet zijn voltooid binnen een jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden;

- beveelt dat indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van NEGENTIG dagen zal worden toegepast;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uren per dag.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.E. Kramer, voorzitter, mr. F.A.G.M. Vluggen en

mr. J.M.E. Kessels, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 29 augustus 2007.