Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB2611

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-08-2007
Datum publicatie
30-08-2007
Zaaknummer
113069 - HA ZA 06-801
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet voldaan aan stortingsplicht/volstortingsplicht aandelen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 178
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2007/235
JIN 2007/517
JRV 2007, 676
JOR 2007/235

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 29 augustus 2007

Zaaknummer : 113069 / HA ZA 06-801

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake

mr Ronaldus Antonius Lambertus Maria VAN DOOREN q.q.,

wonende te Maastricht,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Naam B.V.],

gevestigd te [Vestigingsplaats],

eiser,

procureur mr. R.J.M.C. Rosbeek;

tegen:

[Naam gedaagde],

wonende te [Woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. J.H.M. Daniels.

1. Het verloop van de procedure

Eiser, hierna ook “de curator”, heeft gedaagde, [naam gedaagde], gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. [[Gedaagde] heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord. Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Zoals ter comparitie afgesproken, heeft de curator daarna onder overlegging van producties nog een akte genomen. [[Gedaagde] heeft daar onder overlegging van producties bij antwoordakte op gereageerd. Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Bij notariële akte van 24 november 2001 is door [[Gedaagde] de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [De B.V.] opgericht. Blijkens die akte zijn bij die oprichting honderdtachtig (180) gewone aandelen geplaatst, vertegenwoordigende een kapitaal van € 18.000,-. Blijkens die akte nam [[Gedaagde] voor alle aandelen deel in dat kapitaal. Die akte behelst voorts de verklaring dat de aandelen worden volgestort in geld, en de verklaring dat de storting heeft plaatsgevonden zoals blijkt uit de aan de akte te hechten verklaring als bedoeld in de wet, welke storting door de vennootschap wordt aanvaard.

2.2 De “maandrekeninginformatie” over de periode november 2001 betreffende een ten name van [De B.V.] i.o. gevoerde bankrekening - welk informatieoverzicht dateert van 1 december 2001 - vermeldt een op 13 november 2001 verwerkte bijschrijving van € 18.000,- met de omschrijving: “OPRICHTING BV AANDELENKAP.” en vermeldt vervolgens een op 20 november 2001 verwerkte afschrijving van € 18.000,- met omschrijving: “[Naam VOF]”. Dat overzicht vermeldt overigens geen relevante mutaties en vermeldt een debetsaldo per het einde van de maand van € 47,25.

2.3 Bij vonnis van 6 juli 2005 is [De B.V.] failliet verklaard met benoeming van mr van Dooren q.q. tot curator. De curator stelt zich op het standpunt dat [[Gedaagde] niet aan zijn plicht tot storting op het bij oprichting geplaatste aandelenkapitaal heeft voldaan en heeft hem bij brief van 29 mei 2006 gesommeerd om dat binnen 5 dagen alsnog te doen. [[Gedaagde] heeft daar geen gehoor aan gegeven. De rechter-commissaris heeft de curator op 4 juli 2006 gemachtigd om [[Gedaagde] in rechte te betrekken.

2.4 De curator vordert thans bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verklaring voor recht dat [[Gedaagde] niet aan zijn verplichting tot volstorting heeft voldaan, alsmede veroordeling van hem ([[Gedaagde]) tot betaling aan hem (de curator) van een bedrag van € 18.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 3 juni 2006, althans vanaf datum dagvaarding, en voorts tot betaling aan hem (curator) wegens gemaakte buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf datum dagvaarding, een en ander met veroordeling van [[Gedaagde] in de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente over die kosten vanaf twee dagen na betekening van het vonnis.

2.5 [[Gedaagde] heeft die vordering gemotiveerd bestreden.

3. De beoordeling

3.1 De rechtbank begrijpt het verweer van [[Gedaagde] aldus, dat hij stelt aan zijn stortingsplicht te hebben voldaan uit een - zo begrijpt de rechtbank - ten behoeve van hemzelf en/of [De VOF] reeds bestaande kredietfaciliteit bij de Rabobank Heerlen. Die kredietfaciliteit is vervolgens weer gecrediteerd met de van de bankrekening ten name van [De B.V.] i.o. afgeschreven € 18.000,-. Diezelfde kredietfaciliteit - op enig moment uitgebreid met (of tot) € 354.000,- - is vervolgens in zijn geheel aangewend voor de vennootschap, ten bewijze waarvan zijn overgelegd, onder meer, een financieringsvoorstel van de Rabobank d.d. 20 december 2001 aan het adres van [De B.V.] en de jaarstukken van de vennootschap over 2002. In het proces-verbaal van comparitie is als verklaring van [[Gedaagde] opgenomen: “Voor de financiering van dat bedrijf heb ik een kredietovereenkomst moeten sluiten bij de Rabobank. Daar zat ook de € 18.000,- bij. Die financiering heeft de BV gesloten.”

3.2 Vooropgesteld wordt, dat voor een geldige storting op het bij oprichting geplaatste aandelenkapitaal als bedoel in art. 2:178 lid 2 BW is vereist, dat het kapitaal van buiten de vennootschap staande bronnen afkomstig is. Het mag dus niet zo zijn, dat de vennootschap haar oprichtingskapitaal geheel of gedeeltelijk zelf moet financieren. (conclusie A-G mr Huydecoper onder HR 11 juli 2003, NJ 2003, 630). Wie zaken doet met een kapitaalvennootschap moet er op kunnen vertrouwen, dat de krachtens art. 2:178 lid 2 BW voorgeschreven kapitaalstorting daadwerkelijk ter beschikking van de vennoootschap heeft gestaan. In het geval van [De B.V.] is daarvan geen sprake. De eigen stellingen van [Gedaagde] komen immers hierop neer, dat de vennootschap de € 18.000,- heeft geleend. Tegenover de beschikking over dat bedrag - wat daar ook van zij - stond een vordering van de Rabobank ter hoogte van datzelfde bedrag uit hoofde van een overeenkomst tot geldlening en/of krediet in rekening-courant. Van een rechtsgeldige volstorting is reeds volgens de eigen stellingen van [Gedaagde] dus geen sprake.

3.3 De rechtbank houdt het er - los van het voorgaande - bovendien voor, dat [Gedaagde] de op de bankrekening ten name van [De B.V.] i.o. bijgeschreven € 18.000,- helemaal niet de bestemming heeft willen geven van storting op het bij oprichting geplaatste aandelenkapitaal. Dat leidt zij af uit de mutaties van die bankrekening, zoals daarvan blijkt uit de door de curator bij dagvaarding overgelegde bankafschriften. Uit die afschriften kan niet anders worden geconcludeerd, dan dat de bij- en afschrijving als één samenhangende transactie moet worden gezien, waarbij de valutadatum van de afschrijving zelfs een eerdere is dan die van de bijschrijving. Deze gang van zaken hield - zoals uit de voorlaatste alinea van de 1e bladzijde van de conclusie van antwoord wordt opgemaakt - kennelijk verband met de over de € 18.000,- verschuldigde debetrente ten laste van de ten behoeve van [Gedaagde] en/of [naam VOF] bestaande kredietfaciliteit.

3.4 Ook de vaststelling dat [Gedaagde] met de bijschrijving ad € 18.000,- niet heeft bedoeld om aan zijn stortingsplicht te voldoen, leidt de rechtbank tot het oordeel dat niet rechtsgeldig op de geplaatste aandelen is gestort. Het oordeel dat niet rechtsgeldig is gestort, betekent vervolgens dat de stelling dat de afschrijving (onttrekking) niet door de vennootschap is bekrachtigd - wat daar ook van zij - als niet ter zake doende geen bespreking behoeft.

3.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom, dat de vorderingen van de curator die er toe strekken dat [Gedaagde] de aandelen alsnog zal volstorten toewijsbaar zijn, zulks vermeerderd met - als verder niet zelfstandig bestreden - rente en kosten. Als de volledig in het ongelijk gestelde partij dient [Gedaagde] tevens te worden veroordeeld in de kosten van het geding.

4. De beslissing

De rechtbank:

verklaart voor recht dat [Gedaagde] niet aan zijn verplichting tot volstorting van het bij oprichting van [De B.V.] geplaatste aandelenkapitaal heeft voldaan;

veroordeelt [Gedaagde] tot betaling van € 18.600,-, vermeerderd met de wettelijke rente over € 18.000,- vanaf 3 juni 2006 en over € 600,- vanaf 15 augustus 2006, telkens tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [Gedaagde] in de proceskosten tot op heden begroot op € 84,87 kosten dagvaarding, € 410,- vast recht en € 1.130,- voor salaris procureur, te vermeerderen met wettelijke rente over deze kosten vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis;

verklaart dit vonnis - met uitzondering van de verklaring voor recht - uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Arnold, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

AS