Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB2601

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-08-2007
Datum publicatie
30-08-2007
Zaaknummer
121742 - KG ZA 07-303
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Zorgkantoor Zuid-Limburg wordt door rechter niet verplicht budget voor zorgaanbieder COTL te verhogen. COTL wordt door de rechter niet toegestaan zorg aan bestaande patienten te staken.

Wetsverwijzingen
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 15
Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering
Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering 3
Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering 8
Wet maatschappelijke ondersteuning
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2008/15
JAAN 2007/106

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 30 augustus 2007

Zaaknummer : 121742 / KG ZA 07-303

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort-gedingvonnis gewezen

inzake

de stichting STICHTING CENTRALE ORGANISATIE THUISVERPLEGING LIMBURG,

zetelende te Schinnen,

eiseres,

procureur mr. G.A.M.F. Spera;

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SINT KRUIS SAMMY B.V.,

gevestigd te Hoensbroek, gemeente Heerlen,

eiseres,

procureur mr. G.A.M.F. Spera;

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CZ ZORGKANTOOR B.V., tevens h.o.d.n. Zorgkantoor Zuid-Limburg,

gevestigd te Tilburg, mede kantoor houdende te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

gedaagde,

procureur mr. P.P.M.I. Paulussen,

advocaat mr. A.J.H.W.M. Versteeg te Amsterdam.

1. Het verloop van de procedure

Eiseressen hebben gedaagde gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 16 augustus 2007, hebben eiseressen gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij hun vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader hebben doen toelichten.

Gedaagde heeft verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Eiseres sub 1 is een zorgaanbieder in de zin van art. 1 lid 1, onderdeel i Wet Algemene Verzekering Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Eiseres sub 1 heeft zelf geen verplegend of verzorgend personeel in dienst, zodat zij zelf niet in staat is om, in materiële zin, zorg te verlenen aan haar cliënten/patiënten. Hiervoor maakt zij gebruik van eiseres sub 2, die wel verplegend en verzorgend personeel in dienst heeft. Eiseres sub 2 heeft in totaal circa 150 personeelsleden in dienst, exclusief alphahulpen. Zij verleent aan circa 390 cliënten/patiënten thuiszorg en huishoudelijke hulp. Eiseres sub 1 wordt hierna aangeduid als “COTL” en eiseres sub 2 als “SKS”.

2.2 Gedaagde is een instelling als bedoeld in artikel 3 lid 2 van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering, hierna ook te noemen: “het Zorgkantoor”. Zijn taak is krachtens artikel 8 lid 1 van het Administratiebesluit om het administratieve contact te bevorderen tussen enerzijds zorgaanbieders en anderzijds het centraal administratiekantoor. Dit centraal administratiekantoor zorgt - kort gezegd - landelijk voor de administratieve afwikkeling en uitvoering van de AWBZ. Dit houdt onder meer in dat het namens de zorgverzekeraars budget verdeelt onder zorgaanbieders, zoals COTL, ter uitvoering van de AWBZ-zorg.

2.3 Ter uitvoering van zijn wettelijke verplichting om overeenkomsten te sluiten met zorgaanbieders uit hoofde waarvan aan verzekerden in de zin van de AWBZ doelmatig en efficiënt zorg wordt verleend van voldoende kwaliteit, is het Zorgkantoor er, met inachtneming van een overheveling van een deel van de AWBZ-zorg naar de Wet maatschappelijke ondersteuning met ingang van 1 januari 2007, toe overgegaan het systeem van zorginkoop te wijzigen en zo heeft het de zorginkoop over 2007 voor het eerst openbaar aanbesteed (met als gunningscriterium de economisch voordeligste aanbieding). Deze procedure is bij brief van 9 oktober 2006 aan onder meer COTL bekend gemaakt. De uitkomst van de gevolgde aanbesteding is dat COTL, die als zorgaanbieder aan de aanbesteding heeft deelgenomen, met (niet meer dan) een “B-status” op de ranglijst is geplaatst, meer in het bijzonder als volgt:

- begeleiding extra: op plaats 10, van 12,

- begeleiding: op plaats 17, van 24,

- persoonlijke verzorging extra: op plaats 14, van 20,

- persoonlijke verzorging: op plaats 18, van 25,

- verpleging AIV: op plaats 4, van 6,

- verpleging extra: op plaats 15, van 19,

- verpleging: op plaats 17, van 24.

Als uitvloeisel hiervan is tussen het Zorgkantoor en COTL op 19 april 2007 een overeenkomst op basis van artikel 15 AWBZ gesloten (bestaande uit een deel I en een deel II), en waren resp. zijn op 1 maart 2007 en 15 juli 2007 zogenaamde productieafspraken gemaakt met daaraan verbonden de toekenning van een budget voor 2007 van € 937.352,-, te besteden volgens een bepaalde specificatie, welk budget bij gunningsbesluit van 22 februari 2007 definitief voor COTL was vastgesteld. Dit budget is aanzienlijk lager dan het bedrag dat in 2006 aan COTL werd toegekend.

2.4 In de optiek van COTL en SKS is - bij lineaire extrapolatie op basis van een gelijkblijvend productieniveau - het budget dat over 2007 aan COTL is toegekend ruimschoots onvoldoende om de door COTL en SKS aan hun cliënten/patiënten aangeboden zorg te dekken. Volgens COTL en SKS is er over de periode januari tot en met juni 2007 reeds een tekort van

€ 252.336,-, exclusief rente en kosten. Zij menen over de periode januari tot en met mei 2007 van het Zorgkantoor te vorderen te hebben een bedrag van € 231.510,-. Onlangs hebben COTL en SKS met toestemming van het Zorgkantoor een stop voor nieuwe cliënten/patiënten afgekondigd.

2.5 Het Zorgkantoor is, na overleg tussen partijen op dat punt, niet bereid de overproductie - dat wil zeggen: de extra productie bovenop het beschikbare budget - te vergoeden, en wenst verder dat COTL en SKS de eenmaal op zich genomen zorg continueren.

2.6 Stellende dat dit standpunt van het Zorgkantoor rechtens niet houdbaar - onder meer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar - is, hebben COTL en SKS gevorderd dat het de voorzieningenrechter moge behagen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

- het Zorgkantoor te veroordelen om binnen vierentwintig uur nadat in dezen vonnis is gewezen, aan COTL te voldoen een bedrag ad € 231.510,- (zegge: tweehonderdeen-endertigduizendvijfhonderdentien euro), althans een voorschot van

€ 200.000,- (zegge: tweehonderdduizend euro), althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorschot, ter zake achterstallige betalingen over de periode januari 2007 tot en met mei 2007 van door de COTL en SKS daadwerkelijk verleende zorg; en

- het Zorgkantoor te veroordelen om vanaf juni 2007 maandelijks op de gebruikelijke tijdstippen doch maximaal zes weken na afloop van de kalendermaand waarop de betalingen betrekking hebben, te voldoen aan COTL een vergoeding voor daadwerkelijk verleende zorg door COTL en SKS op basis van door hen aan te leveren cijfers, waarbij het Zorgkantoor tevens verplicht is om vanaf juni 2007 elke maand uiterlijk op de vijftiende kalenderdag van die maand een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorschot te voldoen op die bewuste maandelijkse betalingen aan COTL;

subsidiair

- het Zorgkantoor te veroordelen om binnen vierentwintig uur nadat in dezen vonnis is gewezen, aan SKS te voldoen een bedrag ad € 231.510,- (zegge: tweehonderdeen-endertigduizendvijfonderdentien euro), althans een voorschot van

€ 200.000,- (zegge: tweehonderdduizend euro), althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorschot, ter zake het door het Zorgkantoor ten onrechte genoten voordeel respectievelijk de ongerechtvaardigde verrijking door het Zorgkantoor van door SKS daadwerkelijk verleende zorg zonder dat hiertegenover een afdoende financiële vergoeding stond of staat; en

- het Zorgkantoor te veroordelen om vanaf juni 2007 maandelijks op de gebruikelijke tijdstippen doch maximaal zes weken na afloop van de kalendermaand waarop de betalingen betrekking hebben, te voldoen aan SKS een vergoeding voor het door het Zorgkantoor ten onrechte genoten voordeel respectievelijk de ongerechtvaardigde verrijking door het Zorgkantoor van door SKS daadwerkelijk verleende zorg zonder dat hiertegenover een afdoende financiële vergoeding stond of staat, zulks op basis van door haar aan te leveren cijfers, waarbij het Zorgkantoor tevens verplicht is om vanaf juni 2007 elke maand uiterlijk op de vijftiende kalenderdag van die maand een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorschot te voldoen op die bewuste maandelijkse betalingen aan SKS;

meer subsidiair

- te bepalen dat de extra zorg aan cliënten/patiënt die door COTL en SKS wordt geleverd bovenop het aan haar toegekende budget en welke zorg volgens het Zorgkantoor niet voor vergoeding in aanmerking komt en derhalve ten laste van het eigen vermogen van COTL en SKS dient te komen (de overproductie), niet kan worden aangemerkt als een aanspraak op zorg zoals bedoeld in hoofdstuk III AWBZ, zodat COTL krachtens haar overeenkomst met het Zorgkantoor niet verplicht is om zonder een (aanvullende) overeenkomst alsmede een hier tegenover staande extra vergoeding die zorg in de vorm van overproductie te verlenen; en

- het Zorgkantoor te veroordelen om binnen achtenveertig uur nadat in dezen vonnis is gewezen te gehengen en te gedogen dat COTL en SKS, na een daartoe strekkende schriftelijke mededeling aan het Zorgkantoor en aan de betreffende cliënten/patiënten van COTL, bevoegd zijn om de zorg aan voormelde cliënten/patiënten onmiddellijk, althans met inachtneming van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, te beëindigen op het moment dat het beschikbare budget voor het verlenen van zorg per specifiek product is uitgeput, respectievelijk bevoegd zijn om de genoemde zorg nog slechts te verlenen tegen betaling door de betreffende cliënt/patiënt dan wel diens zorgverzekeraar; en

- het Zorgkantoor te verbieden om jegens COTL en SKS, althans jegens COTL, althans jegens SKS, sanctiemaatregelen dan wel rechtsmaatregelen te treffen met als oogmerk te bewerkstelligen dat COTL en SKS dan wel COTL dan wel SKS alsnog zorg verlenen/ verleent aan cliënten/patiënten van COTL zonder dat hiertegenover budget dan wel een toereikende financiële vergoeding anderszins staat, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- per overtreding alsmede op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of een gedeelte daarvan dat de overtreding blijft voortduren; en

- het Zorgkantoor te verbieden om jegens COTL en SKS, althans jegens COTL, althans jegens SKS, sanctiemaatregelen dan wel rechtsmaatregelen te treffen met als oogmerk te bewerkstelligen dat COTL en SKS dan wel COTL dan wel SKS alsnog gehouden zijn/is om te voldoen aan de landelijke normen voor tijdige zorgverlening ter bestrijding van wachtlijsten, welke normen zijn overgelegd als productie 11, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- per overtreding alsmede op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of een gedeelte daarvan dat de overtreding blijft voortduren;

in alle gevallen

- het Zorgkantoor te veroordelen om binnen vierentwintig uur nadat in dezen vonnis is gewezen, aan COTL en SKS te voldoen een bedrag ad € 198.199,- (zegge: honderdachten-negentigduizendhonderdnegenennegentig euro), ter zake de daadwerkelijk door COTL en SKS geleverde zorg in de periode van 1 januari 2007 tot en met 22 februari 2007, althans aan COTL en SKS te voldoen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag ter zake de daadwerkelijk door COTL en SKS geleverde zorg in de periode van 1 januari 2007 tot en met 22 februari 2007 met hieraan verbonden de voorwaarde dat laatstgenoemd bedrag niet ten laste mag komen van het aan COTL en SKS, althans COTL, verstrekte budget voor 2007 voor de verlening van zorg; en

- het Zorgkantoor te veroordelen in de kosten van het geding, gevallen aan de zijde van COTL en SKS.

2.7 Het Zorgkantoor heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer wordt - voor zover van belang - hierna ingegaan.

3. De beoordeling

3.1 Het bezwaar van COTL en SKS tegen toelating van de door het Zorgkantoor overgelegde stukken en de op voorhand toegezonden en door zijn advocaat opgestelde “memorie” wordt verworpen. Weliswaar heeft het Zorgkantoor zijn producties rijkelijk laat en in strijd met het daaromtrent bepaalde in het door de rechtbank uitgevaardigde procesreglement ingediend, maar de voorzieningenrechter vermag niet in te zien dat COTL en SKS hierdoor onredelijk in hun belangen - waaronder begrepen het beginsel van hoor en wederhoor - zijn getroffen. Immers zijn zij er genoegzaam in geslaagd de betreffende producties, die overigens goeddeels een openbaar karakter dragen en voor het overige bij COTL en SKS bekend waren, bij hun betoog te betrekken. Dat laatste geldt ook voor de door het Zorgkantoor overgelegde memorie, waarbij de voorzieningenrechter overweegt dat geen rechtsregel zich ertegen verzet om een dergelijk processtuk op voorhand in te dienen.

3.2 Centraal in deze, naar voldoende aannemelijk is, spoedeisende zaak, staat, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, de overeenkomst die COTL en het Zorgkantoor op 19 april 2007 met elkander hebben gesloten, en dat als uitvloeisel van de door het Zorgkantoor in het kader van de zorginkoop 2007 gevolgde aanbestedingsprocedure. Tussen partijen is niet in debat dat COTL in die aanbestedingsprocedure, waarin zij heeft meegedongen, geen hoge ogen had gegooid. De plaats die COTL uiteindelijk op de ranglijst innam, en tegen welke rangschikking door COTL op geen enkel moment is geprotesteerd, bracht mee dat zij volgens de criteria van het aanbestedingsdocument niet dan wel uiterst beperkt voor aanvullende productieafspraken voor 2007 in aanmerking kwam (wel had zij recht op het zogenaamde garantiebudget, dat gold voor zorgaanbieders die in 2006 al een overeenkomst met het Zorgkantoor hadden). De betreffende, door de Nederlandse Zorgautoriteit goedgekeurde, productieafspraken, waarvan onderdeel uitmaakte het daarbij behorende budget, zijn op 1 maart 2007 respectievelijk 15 juli 2007 tussen het Zorgkantoor en COTL tot stand gekomen. Aldus vormt het in deze zaak ter discussie staande budget niets meer of anders dan een onderdeel van hetgeen waartoe partijen zich jegens elkander hebben verbonden, en een dergelijke betrokkenheid past rechtens geen vrijblijvendheid, maar daarvoor heeft - een enkel geval daargelaten - te gelden: pacta sunt servanda. Tegen deze achtergrond is niet zonder belang wat in deel II van de tussen partijen op 19 april 2007 gesloten overeenkomst nauwkeurig is bepaald. In artikel 1 lid 1 valt te lezen, voor zover van belang:

“De zorgaanbieder verbindt zich om, met inachtneming van zijn toelating en hetgeen tussen partijen is overeengekomen aan productieafspraken, zorg te verlenen aan de verzekerde die daarop als zodanig aanspraak kan maken. De zorgaanbieder houdt zich hierbij aan de verwijzing of het geldige indicatiebesluit met de daarin vastgelegde aard en omvang van de zorg. (…)”

In lid 4 staat, voor zover van belang:

“(…) De hoeveelheid van de te leveren zorg alsmede de te hanteren tarieven worden nader omschreven in de produktieafspraken tussen zorgkantoor en zorgaanbieder. (…)”

En ten slotte in artikel 5 leden 2 en 4:

“De betaling geschiedt overeenkomstig de gemaakte afspraken over productie en met in achtneming van de CTG beleidsregels en het Administratiebesluit Bijzondere Ziekte-kostenverzekeringen.

(…)

Herschikking binnen de productieafspraak kan slechts plaatsvinden na overleg met en goedkeuring van het zorgkantoor.”

Welnu, in het licht van het feit dat bij de uitleg van een schriftelijk contract van beslissende betekenis zijn de omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, maakt wat hier is neergeslagen, tegen de achtergrond van het wettelijk systeem op het stuk van de kostenbeheersing in de zorg, eens te meer duidelijk dat de opvatting van COTL en SKS niet juist is. Die opvatting komt immers hierop neer dat overproductie in 2007 - dat wil zeggen extra productie bovenop de initiële productieafspraken en het daaraan verbonden budget - op verzoek van de zorgaanbieder door het Zorgkantoor vergoed zou dienen te worden, maar dit laat zich met voormelde bepalingen volstrekt niet verenigen. De gemaakte productieafspraken zijn, met andere woorden, tussen partijen bindend, in dier voege dat zorgaanbieders het met een eenmaal toegekend budget moeten doen, behoudens verhoging na goedkeuring door het Zorgkantoor.

3.3 De vraag die zich vervolgens aandient, is of COTL er dan vóór het sluiten van de genoemde overeenkomst van mocht uitgaan dat overproductie over 2007 zou worden vergoed. Grofweg ziet dit op het eerste kwartaal van 2007. COTL verwijst in dat verband met name naar het schrijven van 12 januari 2007 van het Zorgkantoor, waaraan zij stelt het vertrouwen te hebben ontleend dat overproductie in 2007 voor vergoeding in aanmerking zou komen.

3.4 Het reeds op 9 oktober 2006 aan - onder meer - COTL bekend gemaakte aanbestedingsdocument met betrekking tot de zorginkoop 2007 had COTL tot voorzichtigheid moeten manen, waar het gaat om het (onverdroten voortgaan met het) aanbieden van zorg aan cliënten/patiënten die zich nieuw tot haar wendden. COTL had zich er rekenschap van dienen te geven dat zij in 2007, de nieuwe systematiek van budget-verdeling indachtig, in een onverhoopt geval buiten de boot zou vallen. Ongewis was of haar een budget ter beschikking zou staan, dat het niveau van voorgaande jaren zou halen of daarbij zelfs maar in de buurt zou komen. Uit het aanbestedingsdocument is immers af te leiden dat een zorgaanbieder, afhankelijk van zijn status, voor 2007 wist wat zijn garantiebudget zou zijn, terwijl hij daarboven, afhankelijk van zijn plaats op de ranglijst, mogelijk nog een extra aanspraak zou kunnen ontlenen aan de middelen uit de regionale contracteerruimte die volgens de ranglijst verdeeld zouden worden, met inachtneming van het maximum dat in het aanbestedingsdocument was vastgesteld (pag. 48 t/m 50). Er is geen enkele aanwijzing, dat ook productie boven het toe te kennen budget door het Zorgkantoor vergoed zou (moeten) worden. Ook aan de brief van 12 januari 2007 van het Zorgkantoor aan COTL kan zulks niet worden ontleend. Het besluit van de staatssecretaris waarnaar hierin wordt verwezen, daarop neerkomende dat overproductie zou worden vergoed, heeft, zoals het Zorgkantoor met juistheid heeft gesteld, betrekking op het jaar 2006. Dat moet voor COTL als bekende in de markt, gelet op het, zoals het Zorgkantoor nader heeft toegelicht, op 20 december 2006 in de Tweede Kamer op dat punt aan de orde geweest zijnde debat, genoegzaam bekend zijn geweest. Het standpunt van COTL staat bovendien haaks op wat in het aanbestedingsdocument ter zake is neergeslagen en ook kan uit het schrijven van 13 november 2006 van de Nederlandse Zorgautoriteit aan - onder meer - COTL, zoals door het Zorgkantoor overgelegd, worden opgemaakt dat overproductie in 2007 niet gehonoreerd zou worden, waar staat te lezen:

“(...) Overschrijding van de contracteerruimte wordt niet gehonoreerd. (...)”

Het vertrouwen van COTL, indien dit naar aanleiding van voormeld schrijven van het Zorgkantoor is opgekomen, verdient bij deze stand van zaken geen bescherming. Ten laatste had COTL zich op of omstreeks 22 februari 2007, de datum waarop het meergenoemde gunningsbesluit aan haar is kenbaar gemaakt, moeten realiseren dat haar budget over 2007 verhoudingsgewijs bescheiden uitviel. Dat zij zelfs tóen, zoals toch tussen partijen in confesso is, geen (krachtige) maatregelen is gaan nemen teneinde de instroom van nieuwe cliënten/patiënten in te dammen, dient volledig op haar eigen conto te worden geschreven. Daarbij dient niet onvermeld te blijven, dat COTL - anders dan zij ingang wil doen vinden - bevoegd moet worden geacht om cliënten/patiënten die voor zorg bij haar aankloppen, in omstandigheden waarin het budget voor die zorg dreigt op te drogen, naar een ander te verwijzen. Immers valt in de overeenkomst van 19 april 2007 te lezen (artikel 1 lid 8):

“De zorgaanbieder kan zorg weigeren of beëindigen indien er redenen bestaan op grond waarvan de zorgverlening in redelijkheid niet van de zorgaanbieder kan worden verlangd. Van de voorgenomen weigering of beëindiging doet de zorgaanbieder tijdig schriftelijk en met redenen omkleed, mededeling aan de verzekerde en het zorgkantoor. De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat de reeds aangevangen zorgverlening wordt voortgezet of overgedragen totdat er een definitieve oplossing gevonden is. De zorgaanbieder handelt volgens het meest recente vastgestelde protocol stopzetten/weigeren zorg.”

3.5 Niet kan aldus gezegd worden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien het Zorgkantoor zich niet bereid toont de overproductie van COTL te vergoeden, noch ware in te zien dat het Zorgkantoor aldus jegens SKS ongerechtvaardigd is verrijkt of ten onrechte voordeel heeft genoten, zodat de primaire en subsidiaire vorderingen dienen te worden afgewezen.

3.6 Vervolgens komt aan de orde de door COTL en SKS opgeworpen vraag of zij, ter beperking van verdere financiële gevolgen, de zorg aan bestaande cliënten/patiënten voortijdig mogen afbreken, waartegen het Zorgkantoor zich heeft gekant. Richtinggevend hiervoor is andermaal artikel 1 lid 8 van de overeenkomst welke COTL en het Zorgkantoor op 19 april 2007 hebben gesloten, zoals hierboven geciteerd. “(R)eeds aangevangen” zorg-verlening mag niet worden afgebroken, en dient gecontinueerd te worden, ofwel door de zorgaanbieder zelf, ofwel door een andere zorgaanbieder via overdracht van de betreffende cliënt/patiënt. Indien dit laatste om wat voor reden dan ook niet wel mogelijk is, zoals door COTL en SKS is uitgedragen, blijft, in het licht van de op zorgaanbieders rustende zorg-plicht, niets anders over dan dat zij de zorg zelf verlenen. Dat is daarom niet onredelijk, omdat verstandig anticiperend beleid van een zorgaanbieder de instroom van nieuwe cliënten/patiënten kan doen verminderen, en het derhalve onjuist is, zoals van de zijde van COTL en SKS is betoogd, dat zij zich ten gevolge van de nieuwe, aan de marktwerking onderhevige, systematiek van zorginkoop en budgetverdeling - wat men daar in abstracto ook van moge vinden - in een onmogelijke spagaat zouden bevinden. Alles zeer veel korter geformuleerd: regeren is vooruitzien! Het staat het Zorgkantoor vrij de geëigende maatregelen te treffen, mochten COTL en SKS besluiten anders te handelen.

3.7 Het vorenoverwogene leidt ertoe dat ook de overige voorzieningen geweigerd dienen te worden, waarbij heeft te gelden dat de meer subsidiaire vordering onder het eerste gedachtestreepje reeds faalt omdat zij neerkomt op een verklaring voor recht, die in kort geding niet gegeven kan worden.

3.8 Omdat COTL en SKS in het ongelijk worden gesteld, zullen zij in de proceskosten worden veroordeeld.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

weigert de gevraagde voorzieningen;

veroordeelt COTL en SKS in de proceskosten tot aan dit vonnis gerezen en aan de zijde van het Zorgkantoor begroot op

€ 251,- aan vast recht en € 816,- voor salaris procureur;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bergmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

RQ