Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB2552

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-08-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
121551 / KG ZA 07-285
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aan de bij kort gedingvonnis van 4 juli 2007 voorlopig vastgestelde omgangsregeling heeft de moeder twee keer niet meegewerkt.

Zij verbeurt per keer 150,-- euro aan dwangsommen. De vader vordert in kort geding van onderhavige zaak de dwangsommen fors te verhogen en de dwangmiddelen uit te breiden via de sterke arm van politie en gijzeling.

Vordering wordt als prematuur afgewezen. De stelling dat verdere medewerking aan het laten plaatsvinden van omgang uitgesloten is, mag niet snel aangenomen worden. Hoe vaker een dwangsom wordt verbeurd, hoe groter de prikkel zal zijn om alsnog na te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 29 augustus 2007

Zaaknummer : 121551 / KG ZA 07-285

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[naam man],

wonende te [woonplaats],

eiser bij exploot van dagvaarding van 18 juli 2007,

procureur mr. R.M.H.H. Tuinstra;

tegen:

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

In persoon zonder procureur verschenen.

1. Het verloop van de procedure

Eiser, hierna te noemen: de vader, heeft gedaagde, hierna te noemen: de moeder, gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 15 augustus 2007, heeft de procureur van de vader gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna hij zijn vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft doen toelichten.

De moeder heeft mondeling verweer gevoerd.

Partijen hebben daarna in tweede termijn op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben in dat kader ook samengewoond. In februari 2006 is aan de relatie van partijen een einde gekomen.

2.2. Uit de relatie van partijen is op [geboortedatum kind] een kind geboren. Dit kind geheten: [namen kind], is door de vader erkend. Moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over [roepnaam kind] uit.

2.3. Na de beëindiging van de relatie en de samenwoning van partijen heeft er veelvuldig contact tussen vader en [roepnaam kind] plaatsgevonden.

2.4. Medio februari 2007 heeft moeder het contact tussen vader en [roepnaam kind] stopgezet.

2.5. Bij brief van 11 mei 2007 heeft moeder via haar toenmalige raadsvrouw laten weten dat zij niet meer wenst mee te werken aan omgang tussen vader en [roepnaam kind] in welke vorm dan ook, omdat moeder vermoedt dat er sprake is van seksueel misbruik door vader van [roepnaam kind].

Moeder heeft op 25 april 2007 aangifte gedaan van incest. Op 16 februari 2007 heeft moeder een aantal kledingstukken van [roepnaam kind] aan de politie in Sittard overhandigd, waarna die kleding in beslag is genomen. Verder is moeder met [roepnaam kind] naar Bureau Jeugdzorg (BJZ) gegaan.

BJZ heeft moeder in april 2007 voor geïndiceerde zorg verwezen naar CLAS.

2.6. Op 6 juni 2007 heeft vader bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend, hetwelk er toe strekt te bepalen dat partijen voortaan gezamenlijk het ouderlijk gezag over [roepnaam kind] zullen uitoefenen en een omgangsregeling vast te stellen tussen vader en [roepnaam kind] volgens het in dat verzoekschrift opgenomen schema. Het verzoek van vader is geregistreerd onder zaaknummer 120184. Voor de behandeling van dit verzoek zijn partijen opgeroepen ter terechtzitting van 10 oktober 2007. Tot op heden heeft de moeder nog geen verweerschrift ingediend.

2.7 De vader heeft moeder op 20 juni 2007 gedagvaard in kort geding en in die onder zaaknummer 120137 aangebrachte zaak gevorderd dat de voorzieningenrechter zal bepalen dat, zolang in de bodemprocedure geen omgangsregeling is vastgesteld, vader en [roepnaam kind] omgang met elkaar zullen hebben elke zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur.

2.8 Bij vonnis van 4 juli 2007 heeft de voorzieningenrechter beslist dat, zolang in de bodemprocedure met zaaknummer 120184 nog geen beslissing door de rechter omtrent de omgang is gegeven, vader elke zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur omgang met [roepnaam kind] zal hebben. Daarbij is tevens bepaald dat moeder een dwangsom van € 150,-- zal verbeuren voor iedere zaterdag, dat zij na betekening van dit vonnis weigert aan voormelde omgangsregeling haar medewerking te verlenen, dit met een maximum aan eventueel te verbeuren dwangsommen van € 3.000,--.

Dit vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is op 5 juli 2007 in persoon aan moeder betekend.

2.9 Vader had op zaterdag 7 en 14 juli 2007 omgang willen hebben met [roepnaam kind]. Die omgang heeft op beide zaterdagen niet plaatsgevonden.

2.10 Stellende dat de moeder de op 4 juli 2007 door de voorzieningenrechter gewezen uitspraak negeert en zich aan het verbeuren van dwangsommen niets gelegen laat liggen, vordert de vader op grond van het vorenstaande om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad moeder te bevelen om ten behoeve van de bij vonnis in kort geding van 4 juli 2007 onder zaaknummer KG 120137 vastgestelde omgangsregeling, [roepnaam kind] aan de man af te geven elke zaterdagochtend om 10.00 uur op het adres [adres], met machtiging aan de man de afgifte van [roepnaam kind] aan hem (op voormeld adres) of op enige andere locatie waar de vrouw op dat moment zal verblijven) indien noodzakelijk te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie, en met bepaling dat de bij gebreke daarvan door de vrouw te verbeuren dwangsom na betekening van dit vonnis, in afwijking van het eerder gewezen vonnis van 4 juli 2007, zal worden bepaald op € 500,-- per keer met een maximum van € 2.000,--, alsmede dat aan de man verlof zal worden verleend om, als voormeld maximum is bereikt en er nog steeds geen omgang plaatsvindt, dit vonnis en het vonnis van 4 juli 2007 – voor elke verdere overtreding - bij lijfsdwang ten uitvoer te leggen, voor een periode van ten hoogste 24 uur per overtreding, een en ander met veroordeling van de moeder in de proceskosten.

2.11 De moeder heeft mondeling verweer gevoerd.

3. De beoordeling

3.1 De voorzieningenrechter heeft aan het begin van de behandeling moeder gevraagd of zij hoger beroep heeft (doen) in(ge)stel(d)len tegen het op 4 juli 2007 gewezen vonnis.

De moeder heeft die vraag bevestigend beantwoord.

De procureur van de vader heeft die vraag ontkennend beantwoord en gesteld dat hijzelf noch zijn kantoor tot dusverre had vernomen dat tegen die beslissing hoger beroep was ingesteld.

Bij faxbrief van 17 augustus 2007 deelt de procureur van de vader mede dat hem na de terechtzitting was gebleken dat op 17 juli 2007 een appeldagvaarding aan de vader was uitgebracht en dat de zaak in hoger beroep op die datum ook bij het hof was aangebracht.

3.2 Naast hetgeen hierboven onder 2 als vaststaande feiten is aangenomen, heeft de vader nog aangevoerd dat hij, nadat het vonnis van 4 juli 2007 aan de moeder was betekend, zijn raadsman de raadsvrouwe van de moeder per faxbrief heeft medegedeeld dat hij [roepnaam kind] op zaterdag 7 juli 2007 om 10.00 uur aan de woning van de moeder zou ophalen. Hij heeft zich die dag tevergeefs naar de woning van moeder begeven om [roepnaam kind] op te halen. Moeder was niet thuis ofwel niet bereid om de deur te openen. Een sms-bericht heeft moeder toen ook onbeantwoord gelaten.

De man stelt dat hij van een en ander melding heeft gemaakt bij de politie en dat de politie daarvan een mutatie heeft opgemaakt.

De advocaat van de vader heeft de raadsvrouwe van de moeder om uitleg gevraagd. Na herhaald verzoek heeft de raadsvrouwe van de moeder bij fax van 12 juli 2007 laten weten dat de moeder, volgens vader, de dwangsommen zal voldoen en dat zij niet zal meewerken aan de omgang.

Op zaterdagmorgen 12 juli 2007 heeft de vader zich weer begeven naar de woning van moeder en nadat hij om 10.00 uur had aangebeld gebeurde er niets. De vader heeft ook hiervan melding gemaakt bij de politie en ook nu is er weer een mutatiebericht opgemaakt.

3.3 De vader komt op grond van die twee vergeefse pogingen om omgang met [roepnaam kind] te hebben tot de conclusie dat de moeder de uitspraak van de voorzieningenrechter negeert en dat het verbeuren van dwangsommen haar niet deert. Dit terwijl de voorzieningenrechter in het vonnis van 4 juli 2007 heeft onderkend dat het omgang hebben van [roepnaam kind] met zijn vader, gezien de hechte en intensieve band die er in het jongste verleden is geweest, in het belang is van [roepnaam kind]. In dat licht bezien, is de vader van mening dat nu het belang van [roepnaam kind] moet prevaleren de moeder niet, gezien de bestaande dwangsom en haar mededeling dat zij de dwangsommen wel zal betalen, gedurende 20 weken lang de omgang kan frustreren. Dit klemt zeer volgens de vader nu voorlopig is uitgemaakt dat hij omgang kan hebben en de moeder sedert medio februari 2007 niet toelaat dat de vader omgang met zijn zoon heeft en daarmee aangeeft dat de opgelegde dwangsommen onvoldoende prikkel geven om het vonnis na te komen.

De vader heeft, toen hij bij de politie melding heeft gemaakt van de feiten dat er op 7 en 14 juli 2007 geen omgang heeft plaatsgevonden, van de politie te horen gekregen dat, wanneer blijkt dat de omgang alleen met de hulp van de sterke arm te realiseren is, een agent van politie in burgerkleding [roepnaam kind] bij de moeder zal ophalen om met name [roepnaam kind] niet al te zeer te verontrusten.

3.4 De moeder stelt daar tegenover dat zij niet anders kan dan [roepnaam kind], die nu drie jaren oud is, op zijn woord geloven en dat zij ook nu nog steeds gelooft dat de vader [roepnaam kind] onoirbare handelingen heeft laten verrichten tijdens de laatste omgang in februari. De moeder stelt verder dat zij niet aannemelijk acht dat een kind van drie jaren in staat is zulke verhalen te verzinnen.

Het feit dat de politie zegt dat er te weinig bewijs voorhanden is om het onderzoek door te zetten, maakt volgens de moeder niet dat zij de verklaringen van [roepnaam kind] zonder meer ter zijde kan schuiven. Haar moedergevoel geeft aan dat zij [roepnaam kind] moet beschermen, ondanks het feit dat zij er zich van bewust is dat ook de vader van [roepnaam kind] houdt en dit ook andersom het geval is. Wanneer zij hetgeen [roepnaam kind] haar heeft medegedeeld relateert aan de heel heftige dingen zij zelf met de vader heeft meegemaakt in de jaren dat zij met de vader heeft samengeleefd, kan zij nu en onder de nu voorliggende omstandigheden niet anders dan [roepnaam kind] beschermen tegen zijn vader.

In het verlengde daarvan stelt de moeder dat nu haar gevoel haar zegt dat het in het laatste contact fout is gegaan zij, ondanks het feit dat de opgelegde dwangsommen enorm pijnlijk zijn en mede door dit alles haar leven geheel overhoop gehaald wordt, niet anders kan handelen en te werk gaan als ze heeft gedaan.

3.5 In het kort geding dat op 20 juni 2007 tussen partijen heeft plaatsgevonden is beslist dat de vader omgang met [roepnaam kind] kan hebben. In het vonnis van 4 juli 2007 van die zaak is gemotiveerd aangegeven dat die omgang in het belang van [roepnaam kind] is. Dit staat thans niet ter discussie. De feiten en omstandigheden zijn niet anders dan zes weken geleden.

3.6 De vader heeft onweersproken gesteld dat hij, nadat het vonnis van 4 juli 2007 op 5 juli 2005 in persoon aan de vrouw was betekend, op zaterdag 7 juli en zaterdag 14 juli tweemaal tevergeefs bij de vrouw aan de deur is geweest om op die dagen, zoals was bepaald in het vonnis van 4 juli 2007 omgang met [roepnaam kind] te hebben.

De vader heeft, nadat de moeder volgens hem te kennen had gegeven de omgang niet te laten plaatsvinden en daaraan had toegevoegd de dwangsommen wel aan hem te zullen overmaken, de gevolgtrekking gemaakt dat de vrouw aldus, gezien de hoogte van de vastgestelde dwangsom, 20 weken lang de omgang zou frustreren. Op grond daarvan vordert hij in dit geding tenuitvoerlegging met behulp van de sterke arm, alsmede een forse aanpassing van de opgelegde dwangsom en vervolgens, wanneer de moeder dan nog weigert, - kort gezegd -lijfsdwang toe te passen om de moeder te dwingen mee te werken aan de voorlopig vastgestelde omgang.

Op grond van dat standpunt van de vader is voorshands oordelend aannemelijk dat hij er vanuit gaat dat de moeder, nu zij reeds twee keer heeft geweigerd de omgang te laten plaatsvinden, hoe dan ook zal weigeren om gevolg te geven aan de beslissing van 4 juli 2007.

3.7 Dat die medewerking geheel is uitgesloten mag echter naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mede in verband met de dwangsomveroordeling, niet spoedig worden aangenomen, temeer nu de moeder ter terechtzitting heeft laten doorschemeren dat wanneer (een aantal malen) omgang onder toezicht zou kunnen plaatshebben zij van gedachte zou veranderen en de moeder ter zitting tevens uitdrukkelijk heeft aangegeven dat het verbeuren van dwangsommen heel pijnlijk voor haar is.

Dit laatste acht de voorzieningenrechter aannemelijk, gezien het inkomen dat op de aan de moeder verstrekte toevoeging is vermeld (door haar voormalige raadsvrouwe).

3.8 De voorzieningenrechter merkt daarnaast op dat bij het geven van een dwangsombeslissing en het stellen van een maximum aan te verbeuren dwangsommen de mogelijkheid onder ogen is gezien dat niet onmiddellijk aan de tenuitvoerlegging van een vonnis medewerking wordt verleend. Echter hoe vaker een dwangsom wordt verbeurd, des te groter de prikkel zal zijn om alsnog uitvoering te geven aan het vonnis. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de vorderingen van de vader tot verhoging van de dwangsom en tot gijzeling prematuur zijn en reeds om die reden dienen te worden afgewezen.

Ook de vordering om de vader te machtigen de afgifte van [roepnaam kind] te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie zal de voorzieningenrechter afwijzen, nu zij een dergelijke tenuitvoerlegging zeker op dit moment en in het kader van een voorlopige voorziening niet in het belang van [roepnaam kind] vindt.

3.9 De kosten van dit geding zullen gezien de relatie die partijen met elkaar hebben gehad, worden gecompenseerd, zoals in het dictum zal worden bepaald.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de gevorderde voorzieningen af;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hazen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

LD/