Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB2401

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-08-2007
Datum publicatie
28-08-2007
Zaaknummer
118102 / FA RK 07-326
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging voorlopige voorzieningen op grond van gewijzigde omstandigheden.

De ter terechtzitting door de vrouw gedane vermeerdering wordt - na verzet daartegen van de man - afgewezen.

De man heeft de ontvankelijkheid van het verzoek betwist op grond van het bepaalde in artikel 826 lid 1 sub c Rv.

De voorzieningenrechter volgt de man in die visie, voor zover het betreft de eerder bepaalde kinderalimentatie.

Voor zover daardoor een hiaat ontstaat omdat de kinderalimentatie in de bodemprocedure nog niet is vastsgesteld is dat een kwestie die de wetgever dient op te vullen door aanpassing van de wet. De vrouw is -anders dan de man meent- wel ontvankelijk in haar verzoek om aanpassing van de partneralimentatie op grond van de gestelde gewijzigde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2007, 129

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Zaaknummer: 118102 / FA RK 07-326

Wijziging voorlopige voorzieningen in de zaak tussen

verzoekster [naam vrouw]

wonende te [woonplaats]

procureur mr. R.F. Cohen

en

wederpartij [naam man]

wonende te [woonplaats]

procureur mr. J.G.M. Daemen

Gezien het op 12 maart 2007 ingekomen verzoekschrift van de vrouw;

Gezien het verweerschrift van de man;

Gelet op het verhandelde ter zitting met gesloten deuren op 8 augustus 2007, waarvan afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt;

De feiten

Partijen zijn op [datum huwelijk] gehuwd, welk huwelijk is ontbonden op [datum echtscheiding] door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking d.d. [datum inschrijving] in de daartoe bestemde registers.

Uit het huwelijk van partijen zijn twee kinderen geboren, [c. en d.], 10 en 9 jaar oud. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

Bij de echtscheidingsbeschikking is de beslissing op de kinder- en partneralimentatie aangehouden.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen d.d. 12 oktober 2006 is bepaald dat de man met een bedrag van € 125,-- per maand per kind moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

Het verzoek om partneralimentatie vast te stellen is bij genoemde beschikking afgewezen bij gebrek aan draagkracht.

Het verzoek

De vrouw verzoekt wijziging van laatstgenoemde beschikking, omdat zij van mening is dat deze door wijziging van omstandigheden niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

Bij het bepalen van de draagkracht is destijds rekening gehouden met de door de man te betalen hypotheek- en eigenaarlasten van de echtelijke woning. Deze lasten zijn weggevallen doordat de woning verkocht en op 15 maart 2007 aan de koper geleverd is. De draagkracht van de man is hierdoor toegenomen.

De vrouw verzoekt dan ook met wijziging van de beschikking van 12 oktober 2006 de kinderalimentatie vast te stellen op een bedrag van € 400,-- per maand per kind en de partneralimentatie vast te stellen op een bedrag van € 500,-- per maand, een en ander met ingang van 15 maart 2007.

Het verweer

Primair is de man van mening dat de vrouw niet ontvankelijk is in haar verzoeken op grond van het bepaalde in artikel 826 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De voorlopige voorziening betreffende de kinderen heeft haar kracht verloren met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Ditzelfde geldt volgens de man voor de partneralimentatie nu bij de beschikking voorlopige voorzieningen geen partneralimentatie is vastgesteld, zodat de uitzondering van artikel 822 lid 1 sub c Rv niet van toepassing is.

Subsidiair is de man van mening dat hij geen draagkracht heeft de verzochte partneralimentatie te betalen en dat hij voor de kinderen slechts in staat is een bedrag van € 167,50 per maand per kind te betalen.

De beoordeling

De ontvankelijkheid en de vermeerdering van het verzoek

Naar aanleiding van het primaire verweer van de man heeft de vrouw, voor het geval zij niet ontvankelijk is in haar verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie, haar verzoek tot partneralimentatie vermeerderd met een bedrag van € 800,-- per maand tot een bedrag van € 1300,-- per maand. De vrouw is namelijk van mening dat het verzoek om partneralimentatie in ieder geval wel ontvankelijk is, nu het verzoek om partneralimentatie te bepalen wel gedaan was, maar wegens gebrek aan draagkracht afgewezen is.

De man is van mening dat een afwijzende beslissing inzake partneralimentatie niet een beslissing is als bedoeld in artikel 826 lid 1 sub c Rv, zodat de vrouw ook in dat verzoek niet ontvankelijk is. Deze bepaling voorziet namelijk in een hiaat dat zou ontstaan als in de bodemprocedure nog geen partneralimentatie zou zijn vastgesteld en bij voorlopige voorziening wel alimentatie is vastgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet ontvankelijk is in haar wijzigingsverzoek betreffende de kinderalimentatie. Die voorlopige voorziening is immers krachtens artikel 826 lid 1 Rv geëindigd met ingang van [datum echtscheiding], welke beëindiging ligt vóór het tijdstip met ingang waarvan wijziging gevraagd wordt. Het hiaat dat hierdoor kan ontstaan indien zoals in casu de kinderalimentatie in de bodemprocedure nog niet is vastgesteld, dient de wetgever op te vullen door een wetswijziging.

Anders ligt het naar het oordeel van de rechtbank met het verzoek tot wijziging van de beschikking van 12 oktober 2006 ten aanzien van de partneralimentatie. De in die beschikking gegeven beslissing tot afwijzing van het verzoek wegens het ontbreken van draagkracht is wel degelijk een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 826 lid 1 sub c Rv. Immers in feite heeft de rechtbank het bedrag aan partneralimentatie als bedoeld in artikel 822 lid 1 sub e Rv als voorlopige voorziening op nihil gesteld wegens gebrek aan draagkracht. De vrouw is dan ook ontvankelijk in haar verzoek voor zover het de partneralimentatie betreft.

De vrouw heeft het alimentatieverzoek mondeling ter zitting vermeerderd van € 500,-- per maand tot € 1300,--- per maand. De man heeft zich tegen deze vermeerdering verzet, nu deze eerst ter zitting gedaan is en hij zich hierop niet heeft kunnen voorbereiden.

De rechtbank zal deze vermeerdering niet toestaan wegens strijd met een goede procesorde. De man heeft zich hierop niet kunnen voorbereiden, terwijl hij ook niet behoefde te verwachten dat ter zitting opeens gesteld zou worden dat de behoefte van de vrouw met € 800,-- is gestegen.

De man heeft overigens niet weersproken dat het wegvallen van de hypothecaire lasten van de echtelijke woning een relevante wijziging van omstandigheden is, zodat de rechtbank de draagkracht van de man opnieuw zal beoordelen. Daarbij zal rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de man feitelijk nog steeds € 125,-- per maand per kind aan de vrouw betaalt en zich ook bereid verklaard heeft dat te blijven doen.

De draagkracht

De man heeft bij zijn verweerschrift een bruto draagkrachtberekening met toelichting overgelegd.

Voor wat betreft de berekening van het netto besteedbare inkomen per maand heeft de vrouw als enige opgemerkt dat de man, die samenwoont met een verdienende partner, ten onrechte niet de helft van het eigenwoningforfait heeft opgenomen, maar het hele bedrag. De man heeft zich gerefereerd.

De rechtbank is van oordeel dat met de helft van het woningforfait rekening gehouden moet worden en becijfert het besteedbare inkomen per maand op € 2.657,-- netto.

De man heeft vier kinderen uit verschillende relaties, te weten [a.b.c. en d.] Wat de werkelijke behoefte van [a. en b.] aan een onderhoudsbijdrage is, is gesteld noch gebleken. Voor [a.], met wie de man verder geen contact heeft, betaalt de man circa € 68,-- per maand. Over [b.] heeft de man co-ouderschap. Met [[c. en d.], voor wie de man thans € 125,-- per maand per kind betaalt, heeft de man omgang.

Voor de berekening van de draagkracht heeft de man betoogd dat zijn beschikbare draagkrachtruimte gelijkelijk over de vier kinderen moet worden verdeeld overeenkomstig het arrest van HR, NJ 1992,178. Er resteert dan geen draagkracht meer voor partneralimentatie.

Bij de berekening van de draagkracht is de man verder voor wat betreft [b.] uitgegaan van de alleenstaande norm en heeft hij als last omgangskosten met [b.], bestaande uit een dagvergoeding en reiskosten, opgenomen.

De vrouw is van mening dat de omgangskosten met [b.] niet in de draagkrachtberekening thuishoren. Bovendien stelt zij dat slechts met de werkelijk voor [a.] betaalde alimentatie rekening gehouden kan worden.

Over [b.] heeft de man co-ouderschap en daarmee zal rekening gehouden moeten worden. De rechtbank acht het het meest zuiver en aan de bestaande situatie het meeste recht doen, te meer nu de behoefte van [b.] gesteld noch gebleken is, om voor de man van de co-ouderschapnorm uit te gaan, zijnde de alleenstaande norm vermeerderd met de helft van het verschil tussen deze norm en de alleenstaande oudernorm. Van de draagkrachtruimte is dan een percentage van 52,5 % beschikbaar voor alimentatie.

De rechtbank is het niet met de man eens dat zijn beschikbare draagkrachtruimte gelijkelijk over de vier kinderen verdeeld moet worden. Dat is volgens de Hoge Raad slechts het geval als de draagkracht niet voldoende is om aan de onderhoudsverplichtingen jegens de kinderen volledig te voldoen. Deze situatie doet zich hier niet voor, zoals hierna zal blijken. Bovendien is in dit geding niet de kinderalimentatie, maar de partneralimentatie aan de orde.

Uitgaande van de co-ouderschapnorm ad € 997,-- inclusief vakantiegeld, te verminderen met de gemiddelde basishuur ad € 200,-- en rekening houdend met de overigens niet betwiste posten ter zaken hypotheekrente, premie leven, forfait overige eigenaarslasten, premie ziektekosten, omgangskosten met [[c. en d.] ad € 125,-- en verwervingskosten becijfert de rechtbank het draagkrachtloos inkomen op € 1.837,-- per maand.

Aan draagkrachtruimte resteert dan € 820,-- per maand, waarvan beschikbaar is voor alimentatie € 431,-- (52,5%). Voor [a. c. en d.] wordt in totaal € 318,-- per maand aan alimentatie betaald. Rekening houdend met het voordeel buitengewone uitgaven kinderen ad € 72,-- voor de twee jongste kinderen, resteert dan voor partneralimentatie € 185,--, dat gebruteerd € 318,-- per maand oplevert.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de man, rekening houdend met het co-ouderschap over [b.] en de voor [a. c. en d.] te betalen onderhoudsbijdragen, in staat is om in het levensonderhoud van de vrouw bij te dragen met een bedrag van € 318,-- per maand en zij zal aldus beslissen.

Gelet op de datum waarop het verzoekschrift aan de man is toegezonden zal de rechtbank de ingangsdatum bepalen op 15 juli 2007.

Beslissing

De rechtbank:

Verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar wijzigingsverzoek, voor zover het de kinderalimentatie betreft;

Wijzigt de beschikking d.d. 12 oktober 2006, voor zover daarbij het verzoek tot partneralimentatie werd afgewezen en

Bepaalt het bedrag, dat de man voor het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 15 juli 2007 dient te betalen op € 318,-- per maand, de nog niet verschenen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

Ontzegt het meer of anders verzochte;

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Hazen, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking staat voor partijen geen hogere voorziening open.