Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB2336

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
27-08-2007
Zaaknummer
03-700590-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld voor het plegen van een reeks brandstichtingen.

Hoewel hij bij het plegen van twee van de bewezenverklaarde feiten reeds meerderjarig was, heeft de rechtbank, gezien de persoonlijkheid van verdachte ook ten aanzien van deze feiten recht gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht.

Zowel de psycholoog als de psychiater die verdachte hebben onderzocht hebben geconcludeerd dat het tenlastegelegdfe slechts in verminderde mate aan hem kan worden toegerekend en zij adviseren het opleggen van een PIJ-maatregel.

De rechtbank legt aan verdachte onder meer de PIJ-maatregel op, nu zij van oordeel is dat verdachte een behandeling dient te ondergaan, zodat zijn persoonlijkheid zich zo gunstig mogelijk zal kunnen ontwikkelen en nu de algemene veiligheid van goederen dit eist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700590-06

Datum uitspraak: 22 augustus 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 30 januari 2007, 27 maart 2007, 19 juni 2007 en 17 augustus 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en geboorteplaats verdachte],

wonende te [adres verdachte] ,

thans gedetineerd in de J.J.I. “Het Keerpunt” te Cadier en Keer.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij, verdachte, op of omstreeks 9 juni 2006 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een gymzaal "Corneliuslaan", immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader, toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met zich in voornoemde gymzaak bevindende mat, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemde gymzaal geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die gymzaal en/of zich in voornoemde gymzaal bevindend(e) goed(eren), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

2.

hij, verdachte, op of omstreeks 20 maart 2006 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een tuinhuis, behorende bij de woning [A-straat], immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader, toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met voornoemd tuinhuis, in elk geval met (een) goed(eren) welk(e) zich op zeer korte afstand van voornoemd tuinhuis bevond(en), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemd tuinhuis geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voor voornoemd tuinhuis en/of zich in voornoemd tuinhuis bevindend(e) goed(eren), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

3.

hij, verdachte, op of omstreeks 27 augustus 2006 in de gemeente Heerlen opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een personenauto, merk Nissan, type Micra, gekentekend [11-22-33], immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een zich onder voornoemde personenauto bevindend stoffen pop/beest, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemde personenauto geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voor voornoemde personenauto en/of voor zich in voornoemde personenauto bevindend(e) goed(eren), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

4.

hij, verdachte, op of omstreeks 13 september 2006 in de gemeente Heerlen opzettelijk brand heeft gesticht aan een houten schutting behorende bij de woning [N-straat], immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met papier, welk papier op zeer korte afstand van/tegen voornoemde schutting lag, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemde schutting geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer zich in de directe nabijheid van voornoemde schutting bevindend(e) goed(eren) en/of voor voornoemde schutting, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

5.

hij, verdachte, op of omstreeks 3 april 2006 in de gemeente Heerlen opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een personenauto, merk Ford, type Escort Clipper, gekentekend [22-33-44], immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een zich onder voornoemde personenauto bevindend(e) luier(s) en/of papier, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemde personenauto geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voor voornoemde personenauto en/of voor zich in voornoemde personenauto bevindend(e) goed(eren), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

6.

hij, verdachte, op of omstreeks 8 augustus 2005 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht aan een tuinhuisje behorende bij de woning [H-weg], immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met zich in voornoemd tuinhuisje bevindend (plastic) zeil, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemd tuinhuisje geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer zich in voornoemd tuinhuisje bevindend(e) goed(eren) en/of voor voornoemd tuinhuisje, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

7.

hij, verdachte, op of omstreeks 22 september 2006 in de gemeente Heerlen opzettelijk brand heeft gesticht aan een caravan, merk Roller, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met kleding, in elk geval met (een) stoffen voorwerp(en), welke kleding, in elk geval welk(e) stoffen voorwerp(en) onder voornoemde caravan lagen, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemde caravan geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer zich in voornoemde caravan bevindend(e) goed(eren) en/of voor voornoemde caravan, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

8.

hij, verdachte, op of omstreeks 20 maart 2006 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht aan een houten schutting behorende bij de woning [M-straat], immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met voornoemde houten schutting, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemde schutting geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer zich in de directe nabijheid van voornoemde schutting bevindend(e) goed(eren) en/of voor voornoemde schutting, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

De verbeterde schrijffouten

Tengevolge van een kennelijke schrijffouten staat in de dagvaarding

-in de regels 2 en 3 van het onder 6 ten laste gelegde vermeld brand heeft gesticht aan een tuinhuisje in plaats van brand heeft gesticht in een tuinhuisje;

-in regel 5 van het onder 6 ten laste gelegde “met zich” in plaats van “met een zich”.

De rechtbank herstelt deze fouten, aangezien dit mogelijk is zonder dat de verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3, 5 en 8 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 9 juni 2006 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, opzettelijk brand heeft gesticht in een gymzaal "Corneliuslaan", immers heeft hij toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een zich in voornoemde gymzaal bevindende mat, ten gevolge waarvan voornoemde gymzaal is verbrand terwijl daarvan gemeen gevaar voor die gymzaal en zich in voornoemde gymzaal bevindende goederen te duchten was;

2.

hij op 20 maart 2006 in de gemeente Heerlen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een tuinhuis, behorende bij de woning [A-straat], immers heeft hij toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met goederen welke zich op zeer korte afstand van voornoemd tuinhuis bevonden, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd tuinhuis en zich in voornoemd tuinhuis bevindende goederen te duchten was;

4.

hij op 13 september 2006 in de gemeente Heerlen opzettelijk brand heeft gesticht aan een houten schutting behorende bij de woning [N-straat], immers heeft hij toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met papier, welk papier tegen voornoemde schutting lag, ten gevolge waarvan voornoemde schutting gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in de directe nabijheid van voornoemde schutting bevindende goederen en voor voornoemde schutting te duchten was;

6.

hij op 8 augustus 2005 in de gemeente Heerlen opzettelijk brand heeft gesticht in een tuinhuisje behorende bij de woning [H-weg], immers heeft hij toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een zich in voornoemd tuinhuisje bevindend plastic zeil, ten gevolge waarvan voornoemd tuinhuisje is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in voornoemd tuinhuisje bevindende goederen en voor voornoemd tuinhuisje te duchten was;

7.

hij op of omstreeks 22 september 2006 in de gemeente Heerlen opzettelijk brand heeft gesticht aan een caravan, merk Roller, immers heeft hij toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met kleding, welke kleding onder voornoemde caravan lag, ten gevolge waarvan voornoemde caravan is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in voornoemde caravan bevindende goederen en voor voornoemde caravan te duchten was.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 4, 6 en 7 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het onder 1, 2, 4, 6 en 7 bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke, ieder voor zich, moeten worden gekwalificeerd als

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van verdachte is door de psychiater [K. ] en de psycholoog [S. ], beiden als vast gerechtelijk deskundige verbonden aan het Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek, een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte ingesteld. Van dat onderzoek hebben genoemde psychiater en psycholoog een rapport gemaakt, gedateerd op 18 juli 2007. Dit rapport vermeldt -zakelijk weergegeven- als conclusie van de beide gedragsdeskundigen dat het ten laste gelegde, indien bewezen, aan de verdachte slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

Het toe te passen recht

De verdachte heeft de onder 4 en 7 bewezen verklaarde feiten gepleegd terwijl hij inmiddels meerderjarig was. De rechtbank vindt in de persoonlijkheid van de dader ook ten aanzien van deze feiten grond recht te doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 tot en met 7 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van één jaar, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, en gelasten dat de verdachte zal worden geplaatst in een inrichting voor jeugdigen. Ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

De raadsman heeft de rechtbank gevraagd de verdachte vrij te spreken van het onder 3, 7 en 8 ten laste gelegde. Daarnaast heeft hij -kort gezegd- benadrukt dat de verdachte voorkeur heeft voor een forensische behandeling en dat een jeugddetentie van 10 maanden gezien het blanco strafblad van verdachte en diens verminderde toerekeningsvatbaarheid in zijn visie voldoende is.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf en maatregelen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

-de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

-de omstandigheid dat de verdachte nog niet eerder terzake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld;

-de verminderde toerekenbaarheid van de verdachte;

-de mate waarin het bewezenverklaarde schade teweeg heeft gebracht.

Bij de bepaling van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het door de voornoemde gedragsdeskundigen [K.] en [S.] omtrent de persoon van de verdachte uitgebrachte rapport en in het bijzonder op de conclusie en het advies daarin opgenomen onder meer inhoudende:

“Betrokkene is een (....) man met een ontwikkelingsachterstand op basis van een stoornis in de hechting, affectieve en pedagogische verwaarlozing (….).

Hij functioneert op zwakbegaafd niveau en er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling die bestaat uit een persoonlijkheid met afhankelijke, vermijdende en antisociale trekken. Betrokkene functioneert niet leeftijdsadequaat, zijn persoonlijkheid is nog niet uitgerijpt (….). Er is sprake van een duidelijk verband tussen enerzijds betrokkenes ziekelijke stoornis -zwakbegaafdheid- en zijn gebrekkige ontwikkeling -wat als een zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis kan worden omschreven- en anderzijds de ten laste gelegde feiten. De brandstichtingen hangen samen met momenten van verlating en verlies van een structurerend kader, waardoor onlustgevoelens optreden. Betrokkene heeft op grond van bovenbeschreven problematiek beperkte vermogens om deze onlustgevoelens in goede banen te leiden en is als kind al bekend met brandstichten als aandachtvragend gedrag. Wij achten betrokkene dan ook verminderd toerekeningsvatbaar voor de ten laste gelegde feiten, die alle eenzelfde dynamiek volgden. (….)

Betrokkene verkeert verder in een instabiele omgeving. Er zijn problemen in het arbeidsverleden geweest en er is sprake van een psychische stoornis en problemen in de kindertijd, naast een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. In klinisch opzicht (….) is er een gebrek aan zelfinzicht en een negatieve gedachtestroom, vooral als hij alleen is. Betrokkene kan impulsief reageren, hoewel hij in zijn uitageergedrag niet gericht is op mensen. De verstevigende contextuele factoren (….) zijn gering: hij kan niet zelfstandig functioneren en het planmatig werken laat te wensen over, zodat plannen zullen falen. Hij is onderhevig aan allerlei destabiliserende factoren in de thuissituatie en er is een beperkte beschikbaarheid van persoonlijke steun in combinatie met een hoog niveau van ervaren stress. Het recidiverisico voor feiten als hem thans ten laste gelegd wordt dan ook als hoog ingeschat en behandeling is noodzakelijk.

(….) Gelet op het feit dat betrokkene niet leeftijdadequaat functioneert worden vanuit gedragskundig oogpunt gronden gezien voor het toepassen van het minderjarig strafrecht ten aanzien van de feiten die hij op volwassen leeftijd pleegde, indien bewezen.

Wij adviseren Uw College dan ook betrokkene een PIJ-maatregel op te leggen en te laten behandelen in een klinische omgeving die is afgestemd op zowel de psychische en intellectuele beperkingen (….) waarbij kan worden toegewerkt naar een beschermde woonvoorziening.”

Gezien de -hiervoor weergegeven- inhoud van voormeld rapport en het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de algemene veiligheid van goederen eist, en het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van zijn persoon vraagt, dat de verdachte zal worden behandeld.

Gezien de inhoud van vorenbedoelde rapport en het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen, acht de rechtbank termen aanwezig voormeld advies op te volgen.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 77c, 77i, 77s, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

De vorderingen van de benadeelde partijen

Ter terechtzitting zijn de formulieren, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [naam benadeelde partij 1] en [naam benadeelde partij 2] zich ter zake van hun respectieve vorderingen tot schadevergoeding als benadeelde partijen in het strafproces hebben gevoegd.

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte ten aanzien van het onder 3 respectievelijk het onder 5 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken, kunnen de beide benadeelde partijen genoemd niet in hun vorderingen worden ontvangen.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

-verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 3, 5 en 8 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

-verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2, 4, 6 en 7 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

-verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 4, 6 en 7 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

-verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

-veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van negen maanden;

-beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

-heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

-legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

-verstaat dat deze maatregel geldt voor de tijd van twee jaar;

-gelast de teruggave aan de veroordeelde van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven GSM Samsung D900;

-verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1], [adres benadeelde partij 1], in haar vordering niet-ontvankelijk;

-veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

-verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2], [adres benadeelde partij 2], in haar vordering niet-ontvankelijk;

-veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. P.E.C.M. Dahmen, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. A.C.A. Schreinemakers en mr. I.S. Peskens, rechters, in tegenwoordigheid van J.Th.G. Coenders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 22 augustus 2007, zijnde mr. I.S. Peskens buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700590-06

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 22 augustus 2007 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en geboorteplaats verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in de J.J.I. “Het Keerpunt” te Cadier en Keer.

Tegenwoordig:

mr. Van Leeuwen, rechter,

mr. officier van justitie,

dhr. Coenders, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis bij vervroeging uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Hoensbroek.