Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BB2065

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-08-2007
Datum publicatie
21-08-2007
Zaaknummer
115133 / FA RK 06-1478
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nadat de Rechtbank de tussenbeschikking van 04-07-2007 (LJN BB 1811) haar bevoegdheid om op het voorliggende verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van het kind van partijen te beslissen gemotiveerd heeft vastgesteld, beslist zij thans, na het inwinnen van nadere gegevens (waaronder de stand van zaken in de bij de Belgische rechter aanhangige procedure) materieel over het voorliggende verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 14 augustus 2007.

Zaaknummer: 115133 / FA RK 06-1478

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[naam vrouw],

verzoekster, verder te noemen: de vrouw,

wonende te [H.],

procureur mr. B.W.A. Muurmans,

en:

[naam man],

wederpartij, verder te noemen: de man,

wonende [M.],

procureur mr. E.J.A. Roeleven.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook een door deze rechtbank tussen partijen gegeven en op 4 juli 2007 uitgesproken beschikking.

1. Verder verloop van de procedure

De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormelde beschikking is overwogen en beslist.

De vrouw heeft een kopie van het rapport van het maatschappelijk onderzoek van 14 mei 2007 overgelegd.

De man heeft op 19 juli 2007 de processtukken met betrekking tot procedures in België en de vrouw heeft op 25 juli 2007 de beschikking van de voorlopige voorzieningen overgelegd.

De vrouw heeft bij faxbericht van 27 juli 2007 een kopie overgelegd van de kennisgeving voor de openbare terechtzitting op 9 november 2007 bij de Vrederechter te [M.].

De zaak is wederom behandeld ter terechtzitting van 30 juli 2007.

2. Verdere beoordeling

Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank een beslissing genomen ten aanzien van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en daarbij is de inhoudelijke beoordeling aangehouden in afwachting van een nader te bepalen mondelinge behandeling.

De vrouw heeft ter zitting gepersisteerd bij haar verzoek.

Het rapport van het maatschappelijk onderzoek van mw. [T.] acht de vrouw onvoldoende onderbouwd. Op basis van een effectiviteittoetsing concludeert de vrouw dat de sociale werkelijkheid aantoont dat het kind fysiek verbonden is aan [H.]. Op woensdagmiddag gaat het kind zelfs vrijwillig in [H.] naar school en in [H.] gaat het kind naar sport en daar heeft hij ook zijn vrienden. Het uitgangspunt: school in België is een fictie en de vraag is of deze fictie moet worden gehandhaafd.

De Nederlandse rechter heeft de voorlopige voorzieningen verwezen naar de Belgische rechter. Nu de bodemprocedure in Nederland aanhangig is gemaakt is artikel 19 Brussel II bis van toepassing en heeft de Belgische rechter geen bevoegdheid meer. De vrouw zal deze onbevoegdheid op 9 november a.s. bepleiten en dat impliceert dat het rapport - dat een uitvloeisel is van de Belgische situatie - ook niet meer het uitgangspunt moet zijn. Er zal een nieuw rapport moeten komen en bovendien moet ook het kind geraadpleegd worden. Het kind is met hart en ziel verbonden aan [H.] en is helemaal geworteld in Nederland.

De man is van mening dat het rapport van het maatschappelijk onderzoek van mw. [T.] volledig is. Er hebben diverse gesprekken plaatsgevonden, zowel met beide ouders als met [naam kind].

De vrouw heeft in augustus 2006 een verzoek ingediend bij de Vredegerecht te [M.].

De vrouw heeft daarbij een beroep gedaan op artikel 8 Brussel II bis. De man is het hiermee eens en hij verwijst naar het perpetuatio fori-beginsel.

Ook als de echtscheidingsprocedure als bodemprocedure hier zal plaatsvinden, dan kunnen alle geschillen betreffende het ouderlijk gezag door de Belgische rechter worden beslist.

De man is dan ook van mening dat het verzoek tot omgang door de Belgische rechter moet worden afgehandeld.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Het hoofdverblijf:

De vrouw heeft verzocht om te bepalen dat [naam kind] zijn hoofdverblijf bij de vrouw zal hebben. Ter onderbouwing stelt de vrouw dat zij bij haar ouders woont. Deze situatie is in het belang van [naam kind] aangezien hij erg gehecht is aan zijn grootouders, die bij de opvoeding altijd een zeer belangrijke rol hebben vervuld.

Uit het verhandelde ter zitting blijkt [naam kind] zowel bij zijn groot¬ouders (mz) in [H.], als ook bij zijn grootouders (VZ) in [S.] verbleef.

De man beschikt thans over zelfstandige woonruimte, terwijl de vrouw geen eigen woning heeft en samen met [naam kind] bij haar ouders verblijft.

Uit de rapportage van het maatschappelijk onderzoek blijkt dat de grootouders (mz) zich zeer bepalend opstellen. De onderzoekster betwijfelt of moeder enerzijds voldoende kansen zal krijgen om haar moederrol zelfstandig te kunnen opnemen en anderzijds of moeder en de grootouders (mz) er in zullen slagen om de loyaliteitsgevoelens van [naam kind] tegenover zijn vader een plaats te geven en te respecteren.

De Raad heeft ter zitting verklaard dat er sprake is van een kringetje waarin rondgedraaid wordt, welke situatie geen duidelijkheid schept voor het kind. Het voorstel van de Raad was om het kind bij vader te laten, ouderbegeleiding op te starten en na een half jaar evalueren. De Raad heeft tevens verklaard dat het rapport voldoende zou moeten zijn maar ouders moeten wel ouderbegeleiding opstarten.

Een en ander leidt tot het oordeel van de rechtbank dat het thans niet in het belang van [naam kind] is dat bepaald wordt dat zijn hoofdverblijf bij moeder zal zijn.

Het verzoek van moeder zal derhalve worden afgewezen.

De school:

Uit de verklaringen van de ouders blijkt dat [naam kind] de eerste klas van de school goed heeft doorlopen. Hij kent zijn klas en er zijn geen integratieproblemen.

De stabiliteit die voortvloeit uit de voortzetting van de huidige school weegt naar het oordeel van de rechtbank, zwaarder dan de afstand van huis naar school.

De rechtbank acht derhalve het thans niet in het belang van het kind om weer te wisselen van school en zal het verzoek van de vrouw dienaangaande dan ook afwijzen.

De omgang:

De vrouw heeft verzocht om een omgangsregeling vaststellen tussen de man en [naam kind] eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdag 19.00 uur tot zondag 18.00 uur.

Ter zitting heeft de man gesteld dat een weekendomgang eenmaal per 14 dagen geen logisch verzoek is. De vrouw werkt doordeweeks en de man in het weekend. Het is volgens de man veel logischer om een omgangsregeling vast te stellen waarbij [naam kind] doordeweeks bij de man is en in het weekend bij de vrouw. De huidige omgangsregeling is volgens de man het meest eerlijke voor beide partijen en die moet worden gehandhaafd. Ook de vrouw heeft verklaard dat zij zal zich kunnen vinden in handhaven van de huidige omgangsregeling.

Uit vorenstaande verklaringen van de ouders blijkt dat zij tot overeenstemming zijn gekomen in die zin dat de bestaande regeling, waarbij [naam kind] afwisselend de ene week van vrijdag 15.30 uur tot vrijdag 15.30 uur bij de zijn vader verblijft en de andere week bij zijn moeder, kan worden gehandhaafd en de rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

De rechtbank verwijst naar de opmerking van de raad die met nadruk heeft gewezen op de continue strijd tussen de ouders en de eventuele ernstige gevolgen voor de ontwikkeling van [naam kind]. In het rapport van het maatschappelijk onderzoek is geconsta¬teerd dat ouderbegeleiding noodzakelijk is zodat de ouders op een volwaardige manier met elkaar leren onderhandelen om zo hun pedagogische verantwoordelijkheid met wederzijds respect voor elkaar te kunnen opnemen en waarbij het welzijn van hun zoon primeert.

De rechtbank onderstreept deze noodzaak. De partnerrelatie tussen partijen is beëindigd, maar de ouderrelatie zal blijven voortduren. Het is in het belang van [naam kind] dat partijen hun ouderschap reorganiseren en van de ouders mag, gelet op de verantwoordelijkheid jegens hun kind, ook worden gevraagd om weer tot de goede verstandhouding te komen, zonodig met professionele hulp

3. Beslissing

De rechtbank:

Wijst af de verzoeken van de vrouw tot vaststelling van het hoofdverblijf bij haar en om te bepalen dat de vrouw bevoegd is om [naam kind] onderwijs te laten volgen op de [naam school] te [H.].

Stelt vast dat de man en de vrouw beurtelings om de andere week van vrijdag 15.30 uur tot vrijdag 15.30 uur omgang hebben met der partijen minderjarig kind [naam kind], geboren te [M.] op [geboortedatum].

Verklaart de beschikking ten aanzien van de omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.E.C.M. Dahmen, kinderrechter en in het openbaar uit¬ge¬sproken op 14 augustus 2007 in tegenwoordigheid van M.M.G. Merckelbagh, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat) - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.