Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA9101

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-07-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
AWB 07 / 29 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Middels het daartoe strekkende formulier, mede door eiser ondertekend op 7 juli 2006, is verweerder door tussenkomst van [naam + adres bedrijf], verzocht om toestemming te verlenen voor het door eiser verrichten van particuliere beveiligingswerkzaamheden als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna : Wpbr).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2007/1181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07 / 29 WET

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser],

wonende te Weert, eiser,

tegen

de Korpschef van de Politieregio Limburg Zuid,

gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluit: 8 december 2006

Kenmerk: 06LZB04762

Behandeling ter zitting: 29 mei 2007

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 8 december 2006 heeft verweerder een door eiser ingediend bezwaarschrift van 20 november 2006 tegen een door verweerder genomen besluit van 28 oktober 2006 ongegrond verklaard.

Bij brief van 25 december 2006 is tegen eerstgenoemd besluit namens eiser beroep ingesteld door zijn gemachtigde D. Meppelink.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Bij brief van 6 februari 2007 heeft de gemachtigde van eiser op voormeld verweerschrift gereageerd.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 29 mei 2007, alwaar eiser noch zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. C. Starmans, werkzaam bij verweerders korps.

2. Overwegingen

De feiten

Middels het daartoe strekkende formulier, mede door eiser ondertekend op 7 juli 2006, is verweerder door tussenkomst van [naam + adres bedrijf], verzocht om toestemming te verlenen voor het door eiser verrichten van particuliere beveiligingswerkzaamheden als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna : Wpbr).

Op het bijbehorende inlichtingenformulier heeft eiser bij de vraag of er wel eens een proces-verbaal tegen hem is opgemaakt aangegeven dat dit het geval is geweest en hij een schikking met het Openbaar Ministerie is aangegaan.

Uit onderzoek van verweerder is gebleken dat eiser in februari 2006, tijdens werkzaamheden als horecaportier een busje pepperspray heeft ingenomen van een bezoeker van een horecagelegenheid. Eiser heeft dit busje niet ingeleverd bij de plaatselijke politie, terwijl hij wist dat het onder zich hebben van een busje pepperspray strafbaar gesteld is. Tijdens een avondje stappen in Weert op 24 februari 2005 heeft eiser dat busje pepperspray meegenomen en diezelfde avond getracht dit busje pepperspray voor de politie te verbergen in een prullenbak, hetgeen niet is gelukt. Naar aanleiding van dit incident is door de Officier van Justitie te Roermond aan eiser op 9 maart 2006 ter zake overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (bezit/handel overige wapens) een transactievoorstel van € 220,- aangeboden. Deze transactie is door eiser voldaan.

Verweerder heeft eiser bij schrijven van 24 augustus 2006 in kennis gesteld van zijn voornemen de gevraagde toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr te onthouden. Bij dit schrijven is eiser in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze hieromtrent kenbaar te maken, van welke gelegenheid eiser gebruik heeft gemaakt.

Bij primair besluit van 28 oktober 2006 heeft de verweerder de aanvraag om toestemming afgewezen. Bij brief van 20 november 2006 heeft eiser tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt. Bij brief van 24 november 2006 heeft eiser een aanvullend bezwaarschrift ingediend. Van de mogelijkheid ter zake van zijn bezwaren te worden gehoord, heeft eiser gebruik gemaakt.

Het besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser, onder wijziging van de motivering, ongegrond verklaard.

Het beroep

Eiser kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep aan¬ge¬voerd, dat volgens eiser een betaalde transactie niet gelijk is te stellen met een onvoorwaardelijke veroordeling tot een geldboete. Het innemen van de bus pepperspray is gemeld aan de politie Cranendonk. Eiser weet niet waarom niet op deze melding is gereageerd. Eiser heeft de bus pepperspray getoond om escalatie te voorkomen en niet om daarmee te dreigen.

Het verweer

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De beoordeling

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Wettelijk kader

In artikel 7, eerste lid, van de Wpbr is bepaald dat een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend geen personen te werk stelt die belast zullen worden met de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de Minister van Justitie.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wpbr stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid, geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef van het politiekorps in de regio waar de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd.

In artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr is bepaald dat de toestemming, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt onthouden indien de betreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

Ter uitvoering van de Wpbr heeft de minister criteria voor het bepalen van bekwaamheid en betrouwbaarheid, zoals bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr neergelegd in de circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de circulaire).

Ingevolge paragraaf 2.1 ‘Betrouwbaarheid’ van de circulaire wordt de toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr onthouden, voor zover hier van belang, indien:

a.de betrokkene binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens een misdrijf waarbij een geldboete is opgelegd, of

b.(…), of

c.op grond van andere omtrent betrokkene relevante feiten kan worden aangenomen dat deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is voor een beveiligingsorganisatie of recherchebureau werkzaamheden te verrichten of deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

In de circulaire wordt verder bepaald dat het bij de toetsing van het hiervoor onder c bepaalde het er om gaat dat de tewerkstelling van de betrokkene de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet mag schaden. Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven de rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.

Ook tegen betrokkene opgemaakte processen-verbaal of (dag)rapporten kunnen ertoe leiden dat betrokkene niet voldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of recherchebureau te werken, aldus de circulaire.

De rechtbank merkt op dat het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr in samenhang bezien met het bepaalde in paragraaf 2.1, aanhef en onder c van de circulaire. De rechtbank dient derhalve te beoordelen of verweerder in alle redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn beslissing om toestemming te onthouden.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: ABRvS) komt aan verweerder bij de beoordeling of eiser voldoende betrouwbaar is beoordelingsvrijheid toe en is de invulling die in paragraaf 2.1, onder c van de circulaire aan

de term ‘betrouwbaarheid’ wordt gegeven, niet kennelijk onredelijk of onjuist.

Gelet op het proces-verbaal dat op 24 februari 2006 is opgemaakt is eiser bij een incident betrokken geweest met drie allochtone mannen. Aangezien eiser zich bedreigd voelde heeft hij deze mannen met de pepperspray proberen af te schrikken. Toen de politie arriveerde heeft hij deze spray trachten te verbergen door die te verstoppen. Voorts blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie dat eiser een transactie heeft voldaan in verband met verboden wapenbezit.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit verboden wapenbezit in redelijkheid als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde heeft kunnen aanmerken.

Eisers grief, dat een betaalde transactie niet gelijk is te stellen met een onvoorwaardelijke veroordeling tot een geldboete, slaagt niet. Verweerder heeft zich dienaangaande terecht op het standpunt gesteld dat onderhavige zaak een bestuursrechtelijke beoordeling betreft, waarbij verweerder niet is gehouden aan het strafrechterlijke toetsingskader.

Gezien de aard van het werk van een particuliere beveiligingsfunctionaris moet een (toekomstige) werkgever blindelings kunnen vertrouwen op zijn personeel en kan een bepaalde voorbeeldfunctie van dit personeel niet worden ontkend.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemd voorval in combinatie met het zich zonder toestemming toe-eigenen van een wapen en het voorhanden hebben hiervan tijdens het bezoeken van een horecagelegenheid en het nadien voor de politie verbergen van dat wapen een toereikende grond vormen voor het standpunt van verweerder dat eiser niet voldoet aan de krachtens de Wpbr voor beveiligingsfunctionarissen gestelde betrouwbaarheids- en geschiktheidseisen.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken, dat het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat het beroep van eiser voor ongegrond moet worden gehouden. Hetgeen overigens door of namens eiser is aangevoerd heeft niet tot een ander oordeel geleid.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E.V.L. Heuts in tegenwoordigheid van mr. A.G.P.M. Zweipfenning

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2007

door mr. Heuts voornoemd in tegenwoordigheid van mr. M.A.C. Heyltjes, griffier.

w.g. M. Heyltjes w.g. Heuts

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 2 juli 2007

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onver¬wijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.