Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA9004

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
06-07-2007
Zaaknummer
115124 - HA ZA 06-1104
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ex-echtgenote vordert 20 jaar na datum verdeling van pensioen op grond van Boon / Van Loon arrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 412
PJ 2007, 119
EB 2007, 88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 4 juli 2007

Zaaknummer : 115124 / HA ZA 06-1104

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake

[Naam eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. B.W.A. Muurmans;

tegen:

[Naam gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. S.L.G.M. Roebroek.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen [De vrouw], heeft gedaagde, hierna te noemen [De man], gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. [De man] heeft daarna geantwoord in conventie en een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld. [De vrouw] heeft daarop een akte in conventie genomen en tevens geantwoord in reconventie, een en ander met overlegging van producties.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest van 25 november 1964 tot en met 5 augustus 1982. De tot de gemeenschap behorende goederen zijn verdeeld. Partijen hebben evenwel nimmer afspraken gemaakt over de verdeling van pensioenrechten. [De man] heeft op 10 oktober 2006 de vijfenzestigjarige leeftijd bereikt en ontvangt sedert die datum pensioen dat mede is opgebouwd in de periode voor de echtscheiding van partijen. De vrouw vordert thans dat de man op straffe van dwangsommen inlichtingen verstrekt over tijdens het huwelijk opgebouwde nabestaanden pensioenrechten en ouderdomspensioenrechten en voorts dat de man aan de vrouw maandelijks betaalt het deel van zijn ouderdomspensioen naar rato van de tijd vóór de echtscheiding. De vrouw heeft tijdens het huwelijk enige inkomsten gehad, maar het daarover opgebouwde pensioen is door partijen tijdens het huwelijk afgekocht.

2.2 De man voert de volgende weren tegen de vordering.

a. De tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst met betrekking tot de verdeling van de

gemeenschappelijke goederen is tot stand gekomen voordat het arrest van de Hoge Raad inzake Boon /

Van Loon (HR 27 november 1981, NJ 1982, 503) gewezen werd. In die verdeling zijn partijen uitgegaan van

de hoofdregel als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 1959, BNB 1959, 355.

b. Als toch moet worden uitgegaan van de in Boon / Van Loon gegeven rechtsregel, dan rustte op de vrouw de

rechtsplicht om dit recht tegenover de man geldend te maken en is, doordat zij dit heeft nagelaten, dat recht

verjaard.

c. Door zolang te wachten met het instellen van een vordering tot verdeling van de pensioenrechten, is de man

benadeeld in de zin dat hij geen vervangende pensioenvoorziening heeft afgesloten; de vrouw heeft haar

recht op verdeling derhalve verwerkt.

d. het toedelen van pensioenaanspraken van de man aan de vrouw komt in strijd met de redelijkheid en

billijkheid. Zij heeft geen extra pensioen nodig.

3. De beoordeling

3.1 In het op 27 november 1981 gewezen zogenaamde Boon / Van Loon arrest is de Hoge Raad teruggekomen op zijn rechtsopvatting dat pensioenrechten verknocht zijn aan de persoon die ze heeft opgebouwd. Dat betekent dat deze rechten in vóór 27 november 1981 ontbonden huwelijksgemeenschappen niet voor verdeling in aanmerking kwamen en daarna, tot invoering van de Wet verevening pensioenrechten op 1 mei 1995, wel. Nu de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap van partijen na de datum van 27 november 1981 is ontbonden, staat daarmee vast dat de pensioenrechten van de man onderdeel uitmaakten van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen en door de ontbinding van die gemeenschap vanaf dat moment voor verdeling in aanmerking komen. Het feit dat partijen deze rechten wellicht aanvankelijk niet in hun verdeling hebben betrokken (de vrouw betwist dat er al vóór de echtscheiding is verdeeld), heeft niet tot gevolg dat verdeling daarvan niet alsnog verlangd kan worden. Aldus uitdrukkelijk art. 3:179 lid 2 BW dat bepaalt: “De omstandigheid dat bij een verdeling een of meer goederen zijn overgeslagen, heeft alleen ten gevolge dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd”.

3.2 De man stelt dat op de vrouw de rechtsplicht rustte om de verdeling te vorderen alsmede dat het recht om verdeling te vorderen aan verjaring onderhevig is. Deze stellingen zijn onjuist. Artikel 3:178 BW bepaalt dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling kan vorderen van een gemeenschappelijk goed. Deze bepaling, die krachtens art. 3:189 lid 2 BW ook op een ontbonden huwelijksgemeenschap van toepassing is, impliceert dat er geen plicht is om verdeling te vorderen, ook niet als de aard van de gemeenschap daarvoor (inmiddels) aanleiding geeft. Dit is in overeenstemming met de vrijheid van partijen om binnen wettelijke grenzen hun rechtsbetrekking naar eigen inzicht te regelen.

3.3 De man voert aan dat doordat de vrouw de verdeling niet eerder heeft gevorderd, hij is benadeeld. Had de vrouw de verdeling namelijk wel eerder verlangd dan had hij een aanvullende pensioenverzekering kunnen afsluiten. Deze argumentatie miskent dat het ook de man vrijstond om de verdeling van het pensioenrecht te verlangen. De man gaat er kennelijk, maar ten onrechte vanuit dat hij er niet op hoefde te rekenen dat de vrouw alsnog de verdeling zou verlangen. De aanname dat een deelgenoot in een gemeenschap afstand doet van zijn aandeel, is doorgaans slechts gerechtvaardigd als uit het handelen van die deelgenoot redelijkerwijs is af te leiden dat zij haar aandeel prijsgeeft. De enkele omstandigheid dat de deelgenoot de gemeenschap laat voortduren, dus niet de verdeling verlangd, is daarvoor, behoudens bijzondere niet gestelde omstandigheden, onvoldoende. De man heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaraan hij de verwachting mocht ontlenen dat de vrouw afstand van haar aandeel heeft gedaan, althans haar aandeel niet meer zou opvragen. Het beroep op rechtsverwerking is derhalve vergeefs voorgesteld.

3.4 De man heeft aangeboden om te bewijzen dat de vrouw welgesteld is en de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengt dat de vordering van de vrouw niet zal worden toegekend. Het bewijsaanbod wordt gepasseerd omdat de aanspraak van de vrouw op haar aandeel in het gemeenschappelijk opgebouwd pensioen onafhankelijk is van haar vermogenstoestand. Ter onderbouwing van het beroep op redelijkheid en billijkheid verwijst de man ten onrechte naar de wederzijdse verzorgingsgedachte als basis voor verdeling van de pensioenrechten. In tussen 27 november 1981 (datum uitspraak Boon / Van Loon arrest) en 1 mei 1995 (datum inwerkingtreding Wet verevening pensioenrechten bij scheiding) ontbonden huwelijken berust de gemeenschappelijkheid van pensioen op de grondslag dat dit door de man ingebrachte vermogensbestanddeel “viel” in de indertijd tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen.

3.5 Het voorgaande voert tot de slotsom dat de vordering toewijsbaar is. Hoewel [De man] tijdens de comparitie reeds pensioengegevens aan [De vrouw] heeft verstrekt, zal de daarop betrekking hebbende vordering worden toegewezen voor zover resterende gegevens noodzakelijk zijn. Aangezien de vordering voortvloeit uit het gewezen huwelijk van partijen, zullen de proceskosten tussen partijen gecompenseerd worden.

4. De beslissing

De rechtbank:

gebiedt [De man] om binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, schriftelijke inlichtingen te verstrekken omtrent de nabestaanden-pensioenrechten en ouderdomspensioenrechten welke zijn opgebouwd in de periode van 25 november 1964 tot 5 augustus 1982, een en ander op verbeurte van een dwangsom van 250,00 euro voor iedere dag dat [De man] na deze termijn in gebreke blijft om de vereiste inlichtingen te verstrekken;

bepaalt dat [De man] aan [De vrouw] maandelijks bij vooruitbetaling moet voldoen het pro-rato deel van het ouderdomspensioen dat [De man] ontvangt van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, danwel enig ander pensioenfonds en wel pro-rato over de periode tot 5 augustus 1982;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

DH