Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA7725

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
21-06-2007
Zaaknummer
03-700126-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat het geweld in deze zaak is gebruikt met het oogmerk de beroving van het slachtoffer mogelijk te maken.

De groep waartoe verdachte behoorde had het gemeenschappelijk plan iemand “te pakken”. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachten. Er is derhalve sprake van medeplegen. Dat betekent dat alle hiervoor genoemde handelingen aan alle verdachten kunnen worden toegerekend.

Verdachten hebben het slachtoffer mishandeld en ernstig letsel aan het hoofd is toegebracht.

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat schoppen tegen het hoofd van een liggend slachtoffer met de geschoeide voet door meerdere personen een aanmerkelijke kans op het overlijden van dat slachtoffer met zich brengt. Door daartoe toch over te gaan heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou kunnen komen te overlijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700126-07

Datum uitspraak: 19 juni 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 juni 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid – Huis van Bewaring Overmaze te Maastricht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat

hij, verdachte, op of omstreeks 21 februari 2007 in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met voornoemd oogmerk voornoemde [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) tegen diens hoofd heeft/hebben getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging tot doodslag (in vereniging gepleegd) werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het op de openbare weg, de Palemigerboord, in elk geval op een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer] dwingen tot de afgifte van sigaretten en/of een beurs met inhoud en/of een telefoon (GSM), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [naam slachtoffer], in elk geval toebehorende aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte en/of aan zijn, verdachtes, mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) voornoemde [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk (met kracht) tegen diens hoofd en/of romp heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt (afpersing in vereniging gepleegd) en welke voornoemde poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat strafbaar feit (afpersing) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 21 februari 2007 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) tegen diens hoofd heeft/hebben getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 21 februari 2007 in de gemeente Heerlen, op of aan de openbare weg, de Palemigerboord, in elk geval op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van sigaretten en/of een beurs met inhoud en/of een telefoon (GSM), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [naam slachtoffer], in elk geval toebehorende aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte en/of aan zijn, verdachtes, mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) voornoemde [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk (met kracht) tegen diens hoofd en/of romp heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt;

meer meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling met strafoplegging mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 21 februari 2007 in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [naam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk (met kracht) tegen diens hoofd en/of romp heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer meer meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling met strafoplegging mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 21 februari 2007 in de gemeente Heerlen, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Palemigerboord, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of tegen de romp van voornoemde [naam slachtoffer], waarbij hij, verdachte, voornoemde [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) heeft geslagen en/of gestompt, en welk voornoemd gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (te weten een hersenschudding en/of een zwaar gekneusde elleboog en/of een hoofdwond en/of (een) afgebroken tand(en) en/of (een) gekneusde rib(ben)) voor voornoemde [naam slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 21 februari 2007 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) tegen diens hoofd en/of tegen diens romp heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde [naam slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Overweging met betrekking tot de vrijspraak

Primair wordt verdachte verweten dat hij het slachtoffer heeft gepoogd te doden met het oogmerk om hem te beroven.

Hoewel is komen vast te staan dat van het slachtoffer spullen zijn afgepakt is uit de verklaring van verdachte en zijn medeverdachten niet gebleken dat er een oogmerk van beroving bestond, voorafgaand aan de geweldpleging tegen het slachtoffer. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat het geweld is gebruikt met het oogmerk de beroving mogelijk te maken. Verdachte moet daarom van het primair tenlastegelegde vrij gesproken worden.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Op grond van de verklaringen van het slachtoffer en de verdachten staat voor de rechtbank het volgende vast.

Verdachte en zijn mededaders bevonden zich, vijf man sterk, in de bewuste nacht in een bushokje, gelegen aan de openbare weg. Eerder hadden zij met elkaar besproken dat als zij die avond iemand zouden tegenkomen die “dom zou doen”, ze die persoon “klappen” zouden geven. Op grond van de hierover afgelegde verklaringen begrijpt de rechtbank dat de groep feitelijk op zoek was naar een persoon die hen aanleiding zou geven om deze “klappen” te kunnen geven.

Toen het slachtoffer de groep passeerde werd hij door iemand uit die groep aangesproken. Vervolgens ging de groep om het slachtoffer heen staan en vroeg om sigaretten. Het slachtoffer overhandigde toen zijn pakje sigaretten en vervolgde zijn weg. Verdachte [naam verdachte] is daarna achter het slachtoffer aangelopen en heeft hem onverhoeds met een geschoeide voet in het gezicht getrapt. Daarna is het slachtoffer gevallen. Zowel verdachte als in ieder geval twee andere leden van de groep hebben vervolgens het slachtoffer, terwijl hij op de grond lag, getrapt en geslagen. Toen de groep uiteindelijk vertrok en het slachtoffer achterliet, is verdachte [naam verdachte] teruggaan en heeft het op de grond liggende slachtoffer nog eens in het gezicht getrapt.

Met betrekking tot het gebruikte geweld hebben de verdachten verschillende verklaringen afgelegd.

Verdachte [naam verdachte] heeft verklaard dat hij één keer naar het hoofd van de verdachte heeft getrapt en daarbij gezien heeft dat daarna de mond van het slachtoffer onder het bloed zat. Verdachte [naam medeverdachte 1] zegt het slachtoffer alleen in de buik geschopt te hebben en hem geslagen te hebben. Verdachte [naam medeverdachte 1] stelt één klap gegeven te hebben.

Het slachtoffer heeft verklaard dat hij door de verdachten voornamelijk aan zijn hoofd werd geraakt. Toen de groep wegging kwam één persoon terug die hem een enorme schop in zijn gezicht heeft gegeven. Getuige (K.H.) heeft verklaard dat hij gezien heeft dat het slachtoffer door de verdachten werd getrapt en dat ze hem schopten waar ze hem raken konden. Deze getuige heeft ook verklaard dat verdachte [naam verdachte] nog eens is terug gegaan en het slachtoffer een trap na heeft gegeven.

Het slachtoffer is na afloop opgevangen door een buurtbewoner. Toen de politie daar arriveerde constateerden de verbalisanten dat het slachtoffer op een stoel zat en door de buurtbewoner overeind moest worden gehouden. Het slachtoffer was erg duizelig en dreigde steeds van de stoel te vallen.

Het letsel van het slachtoffer bleek uiteindelijk te bestaan uit een hersenschudding, een wond boven het rechter oog, gebroken tanden, een mogelijke scheur in een kaakkom, een zwelling van de rechter gelaatshelft, een gekneusde elleboog en een gekneusde rib.

Op grond van deze verklaringen en bevindingen - in samenhang bezien - komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachten het slachtoffer hebben mishandeld en ernstig letsel aan het hoofd is toegebracht.

Nu de groep waartoe verdachte behoorde het gemeenschappelijk plan had iemand “te pakken” acht de rechtbank een en ander het gevolg van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachten. Er is derhalve sprake van medeplegen. Dat betekent dat alle hiervoor genoemde handelingen aan alle verdachten kunnen worden toegerekend.

Tenslotte acht de rechtbank het een feit van algemene bekendheid dat schoppen tegen het hoofd van een liggend slachtoffer met de geschoeide voet door meerdere personen een aanmerkelijke kans op het overlijden van dat slachtoffer met zich brengt. Door daartoe toch over te gaan heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou kunnen komen te overlijden. Daarmee staat volgens de rechtbank bij verdachte opzet op de dood van het slachtoffer in voorwaardelijke zin vast.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat hetgeen aan verdachte subsidiair tenlaste is gelegd, te weten poging doodslag, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 21 februari 2007 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [naam slachtoffer] meermalen tegen diens hoofd en/of tegen diens romp heeft getrapt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder subsidiair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

Overweging met betrekking tot de kwalificatie

Door de raadsvrouwe is nog betoogd dat er sprake is geweest van vrijwillige terugtred. Het niet intreden van de dood is immers het gevolg van de wil van verdachte en zijn mededaders om te stoppen met het slaan en schoppen van het slachtoffer, aldus de raadsvrouwe.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte en zijn mededaders hebben voldoende handelingen verricht die hadden kunnen leiden tot de dood van het slachtoffer. Dat zulks niet is gebeurd is het gevolg van de conditie en het gestel van het slachtoffer, die kennelijk tegen deze klappen opgewassen was, maar was niet afhankelijk van de wil van de verdachte en zijn mededaders. Van een vrijwillige terugtred is dus geen sprake geweest.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als volgt:

medeplegen van poging tot doodslag.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het feit onder primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsvrouwe heeft vrijspraak voor het primaire, subsidiaire en meer subsidiaire bepleit. Met betrekking tot de strafoplegging dient volgens de raadsvrouwe rekening te worden gehouden met het feit dat verdachte zeer eerlijk over zijn aandeel in het feit is geweest en verdachte doordat hij als enige van de verdachten nog in voorlopige hechtenis verblijft, tot nu toe zwaarder is bestraft dan zijn medeverdachten. Voorts dienen volgens de raadsvrouwe het feit dat verdachte niet het initiatief tot het feit heeft genomen, zijn leeftijd en de geringe recidivekans meegewogen te worden. De raadsvrouwe stelt voor een gevangenisstraf van twaalf maanden op te leggen, waarvan drie maanden onvoorwaardelijk. Het restant dient dan voor een gedeelte van zes maanden te worden tenuitvoergelegd in de vorm van elektronisch toezicht en voor een gedeelte van 3 maanden te worden omgezet in een werkstraf.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij stelt de raadsvrouwe dat verdachte de schade wil vergoeden.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

Het betreft een zeer ernstig feit. Zonder enige reden wordt een jonge man die ‘s avonds naar huis terugkeert na op stap te zijn geweest, ernstig mishandeld. Uit de verklaringen van de verdachten blijkt dat zij er plezier aan beleefden om iemand te pakken te nemen waarbij het er niet toe deed wie dat zou zijn. De wijze waarop verdachten te werk zijn gegaan had zeer wel tot de dood van het slachtoffer kunnen leiden.

Verdachte heeft daarbij nog in het bijzonder de rol gehad dat hij als eerste geweld tegen het slachtoffer heeft gebruikt waarmee hij naar de overtuiging van de rechtbank de mishandelingen in gang heeft gezet. Ook heeft hij in ieder geval tot twee maal toe het slachtoffer in het gezicht geschopt waarmee het zeer aannemelijk is dat hij op z’n minst een deel van het geconstateerde letsel daadwerkelijk heeft veroorzaakt.

Het is juist dit soort gedrag dat enorm bijdraagt tot de algemene gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Een willekeurige persoon wordt het slachtoffer van zinloos geweld wat nog maar eens duidelijk maakt dat zulks in principe iedereen kan overkomen. De burger kan zich hiertegen niet wapenen en dat maakt bang. Daarmee strekken de gevolgen van deze daad zich veel verder uit dan alleen tot het slachtoffer.

Voor het slachtoffer zelf zijn de gevolgen natuurlijk nog veel ernstiger. Afgezien van de angst en pijn op het moment van de mishandeling zelf moet hij leven met de gevoelens van onmacht, woede en vernedering die daarna zijn bovengekomen. Hierover heeft het slachtoffer in zijn slachtofferverklaring een duidelijke verklaring afgelegd. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gevoelens vele jaren nodig hebben om te slijten en bij sommige slachtoffers zelfs nooit meer helemaal weg gaan. De inbreuk die de verdachten hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer gaat dan ook dieper en veel verder dan in eerste oogopslag lijkt. Dat vraagt om een serieuze reactie naar de verdachte toe.

Anderzijds wordt de hoogte van een straf niet alleen bepaald door de ernst van het feit maar ook door de persoon van de dader. Wat dit laatste aspect betreft heeft de rechtbank gelet op het navolgende.

Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit 18 jaar. Een leeftijd waarop verdachte zeer wel kan beseffen wat goed en fout is maar ook een leeftijd waarop de gevolgen van dit feit voor het slachtoffer nog niet in volle omvang tot de verdachte doordringen. Het is ook een leeftijd die zeer bepalend is voor de toekomst van verdachte. Een opleiding volgen of drie jaar achter tralies doorbrengen, zoals de officier van justitie wil, is juist in deze levensfase zeer beslissend voor wat verdachte de rest van zijn leven kan en zal gaan doen.

Verdachte heeft een blanco strafblad en staat volgens de reclasseringsrapportage in zijn omgeving niet als gewelddadig te boek. Dit feit is voor zijn omgeving, en voor hem zelf, dan ook als een volslagen verrassing gekomen. Verdachte zegt zich te schamen voor wat hij heeft gedaan en heeft jegens het slachtoffer spijt betuigd. Tenslotte betitelt de reclassering het recidiverisico als laag. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat hier geen sprake is van een ingeslepen patroon bij verdachte maar van een, zij het ernstig, incident. De rechtbank heeft tenslotte de overtuiging dat verdachte reeds voldoende doordrongen is van het foute van zijn handelen. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het vanuit het oogpunt van specifieke preventie niet nodig dat verdachte een langere gevangenisstraf ondergaat dan de periode die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft verbleven.

Strafoplegging dient echter niet alleen preventie maar heeft wel degelijk ook het doel leed toe te voegen. Gelet op de hiervoor geschetste ernst van het feit vindt de rechtbank dat aan dit doel van het opleggen van een straf door de tot nu toe ondergane voorlopige hechtenis nog niet op voldoende wijze is tegemoet gekomen.

Echter, gelet op de gevolgen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur voor de toekomst van verdachte acht de rechtbank, onder de hiervoor geschetste omstandigheden aan de zijde van de verdachte, een dergelijke straf geen passende sanctie.

Wel acht de rechtbank het op z’n plaats om aan verdachte een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, op te leggen van de maximale omvang.

Voorts ziet de rechtbank aanleiding om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen om verdachte gedurende de proeftijd van twee jaar nog eens extra te behoeden voor het plegen van strafbare feiten. Aan de hiervoor genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank, naast de gebruikelijke algemene voorwaarde, de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte een aanzienlijk geldbedrag zal storten in het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Deze sanctie treft niet alleen de verdachte maar komt ook daadwerkelijk ten goede aan slachtoffers van geweldsmisdrijven.

Op grond van de informatie die de rechtbank uit het reclasseringsrapport heeft verkregen overweegt zij dat verdachte, hoewel nog jong, een dergelijk geldbedrag op z’n minst zal kunnen financieren zodat er van voldoende draagkracht sprake is. Het feit dat deze financiële verplichting wellicht vervolgens nog geruime tijd op verdachte zal drukken en hem met zijn daad zal blijven confronteren acht de rechtbank een niet onwenselijke bijkomstigheid in het kader van de bestraffing.

De vordering benadeelde partij

Ter terechtzitting is tevens het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [naam slachtoffer] zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

De vordering van de benadeelde partij is, voor zover die hierna zal worden toegewezen, van zodanig eenvoudige aard gebleken dat deze zich in zoverre voor behandeling in dit strafgeding leent.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het hiervoor onder subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 136,55 (zegge: eenhonderdzesendertig 55/100 euro), en nu aan verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Voort is ter terechtzitting gebleken dat benadeelde partij [naam slachtoffer] naast de op het voegingsformulier aangegeven materiële schade ter hoogte van € 136,55, tevens aanspraak wenst te maken op een vergoeding ter hoogte van € 743,23 (zegge: zevenhonderddrieënveertig 23/100 euro aan immateriële schade), welk bedrag door benadeelde partij is onderbouwd in het schadeonderbouwingsformulier.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht en nu aan verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal de rechtbank ambtshalve ook dit bedrag van € 743,23 toewijzen, nu deze haar redelijk en ex aequo et bono billijk voorkomt.

De rechtbank zal het totale schadebedrag derhalve vaststellen op een bedrag van € 880,23 (zegge: achthonderdtachtig 23/100 euro).

Nu verdachte ter zake van het hiervoor bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer [naam slachtoffer], zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij, aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

-verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

-verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

-verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

-verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

-veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot gevangenisstraf voor de duur van NEGEN MAANDEN;

-beveelt dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot ZES maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit dan wel de volgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

-stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd een bedrag van € 3000,- (zegge: drieduizend euro) zal storten op rekening van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, en ten bewijze daarvan het daarop betrekking hebbende betalingsbewijs onmiddellijk na die storting zal toezenden aan de officier van justitie, postbus 1987, 6201 BZ Maastricht, onder vermelding van parketnummer 03/700126-07;

-beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht op bovengenoemde gevangenisstraf;

-veroordeelt de verdachte tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 240 UREN;

-beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 DAGEN zal worden toegepast;

-beveelt dat het restant van de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, die overblijft na de aftrek toegepast bij bovengenoemde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, bij de uitvoering van het werkstrafgedeelte van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uren per dag;

-veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer], [adres slachtoffer] te betalen een bedrag van

€ 880,23 (ACHTHONDERDTACHTIG 23/100 EURO;

-veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

-legt aan verdachte hoofdelijk de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer], [adres slachtoffer] te betalen een bedrag van

€ 880,23 (ACHTHONDERDTACHTIG 23/100 EURO), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 17 dagen;

-verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

-bepaalt dat, indien verdachte aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] voormeld bedrag ad. € 880,23, heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

-bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag ad. € 880,23, heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] komt te vervallen;

-heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. Th.A.J.M. Provaas en mr. J.M.E. Kessels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van Haeringen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 19 juni 2007.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700126-07

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 19 juni 2007 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid – Huis van Bewaring Overmaze te Maastricht.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouwe mr. J.H.J. Köhlen, advocate te Maastricht.