Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA6881

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-06-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
AWB 06 / 2560 AW GIF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanstelling in vaste dienst.

In het ambtenarenreglement voor de burgerambtenaren bij defensie (Bard) is naar analogie van de zgn. Flexwet een bepaling opgenomen over de maximale aanstellingsduur in tijdelijke dienst (voor bepaalde tijd). In de Flexwet ontstaat die verplichting pas bij een tijdelijk dienstverband van méér dan drie jaren. In het Bard is echter bepaald dat een aanstelling in vaste dienst (voor onbepaalde tijd) plaatsvindt als meerdere aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd in een periode van drie jaren of langer. Nu eiseres een ambtelijke aanstelling van exact drie jaren in tijdelijke dienst heeft gehad moet dan ook aansluitend een aanstelling voor onbepaalde tijd worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06 / 2560 AW GIF

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiseres],

wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen

de Staatssecretaris van Defensie (de Plaatsvervangend Commandant van de Landstijdkrachten),

gevestigd te Den Haag, verweerder.

Datum bestreden besluit: 9 november 2006

Kenmerk: 2006017781

Behandeling ter zitting: 30 mei 2007

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 9 november 2006 heeft verweerder, voor deze de Plaatsvervangend Commandant Landstrijdkrachten, het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 8 juni 2006 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres op 20 december 2006 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 30 mei 2007, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. T.G.J. Horlings. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mw.mr. M.C.E. Spruit.

2. Overwegingen

De feiten

Eiseres is van 26 mei tot 20 juni 2003 via Randstad Uitzendbureau werkzaam geweest als keukenhulp bij het [onderdeel].

Van 15 augustus 2003 tot 15 augustus 2004 is zij aangesteld bij het Ministerie van Defensie in de functie van Food Service Worker bij het [onderdeel] met als standplaats [plaats]. Deze aanstelling vond plaats in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd op basis van artikel 7, vijfde lid, van het Burgerlijk Ambtenarenreglement defensie (Bard).

Deze aanstelling is op gelijke voorwaarden aansluitend verlengd tot 15 augustus 2005 en vervolgens weer tot 15 augustus 2006.

Bij brief van 8 juni 2006 is eiseres meegedeeld dat het dienstverband op grond van artikel 115, eerste lid, van het Bard met ingang van 15 augustus 2006 van rechtswege zal eindigen. Tegen dit besluit is namens eiseres op 18 juli 2006 bezwaar gemaakt.

Eiseres heeft afgezien van de mogelijkheid om over het bezwaar te worden gehoord.

Het besluit

Verweerder heeft bij het nu bestreden besluit van 9 november 2006 het bezwaar ongegrond verklaard onder handhaving van het besluit van 8 juni 2006.

Verweerder overweegt hiertoe dat de uitzendperiode voorafgaand aan de ambtelijke aanstelling in tijdelijke dienst niet meetelt voor het bepalen van het aantal aanstellingen in de zin van artikel 7, lid 8, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard). Het dienstverband heeft daarmee de drie jaren niet overschreden.

Verder is vanwege de geldende vacaturestop voor burgerpersoneel een aanstelling niet mogelijk, de door eiseres vervulde functie is niet opnieuw bezet.

Het beroep

Eiseres is het ook met dit besluit niet eens en heeft hiertegen beroep doen instellen bij de rechtbank. Zij is van oordeel dat er een aanstelling voor onbepaalde tijd is ontstaan.

Gevorderd wordt een gegrondverklaring van het beroep met vernietiging van het bestreden besluit. Eiseres vordert verder een proceskostenveroordeling van verweerder.

De beoordeling

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht, dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Ingevolge artikel 115, eerste lid, van het Bard wordt aan de ambtenaar in tijdelijke dienst die blijkens zijn akte van aanstelling is aangesteld voor een vast bepaalde tijd of voor een proeftijd, tenzij het tegendeel blijkt, geacht eervol ontslag te zijn verleend zodra die tijd is verstreken. Bij voortduring van het dienstverband na het verstrijken van de vast bepaalde tijd of de - eventueel ingevolge artikel 7, tweede lid onder a verlengde - proeftijd, wordt de ambtenaar geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangesteld.

Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van het Bard kan een aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd voor de duur van ten hoogste drie jaren plaatsvinden.

Ingevolge artikel 7, achtste lid, van het Bard wordt een aanstelling in tijdelijke dienst omgezet in een aanstelling in vaste dienst, indien meerdere aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar opvolgen in een periode van 3 jaren of langer en met tussenpozen van niet langer dan 3 maanden dan wel indien meer dan 3 aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar opvolgen met tussenpozen van niet langer dan 3 maanden.

Verweerder heeft aangevoerd dat de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (de Flexwet), waarop eiseres zich beroept, een wijzigingswet is, waarbij het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten zijn gewijzigd. Deze wet geldt op zichzelf niet voor ambtelijke rechtsverhoudingen.

Door deze wet is in artikel 7:668a, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek de bepaling opgenomen dat elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten bij verschillende werkgevers meetellen in de keten van meer dan drie arbeidsovereenkomsten, op grond waarvan de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. Deze bepaling is echter niet opgenomen in het Bard, zodat de uitzendperiode van eiseres niet meetelt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij het in geding zijnde besluit is eiseres bij het eindigen van haar tijdelijke aanstelling ontslag verleend. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (TAR 2003, 171) vloeit uit de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld voort, dat het bestuursorgaan niet gehouden is die aanstelling na afloop van de gestelde termijn te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling, tenzij er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, dan wel het niet verlengen in strijd zou komen met enige regel van ongeschreven recht.

Blijkens de Nota van toelichting op het daartoe strekkende Besluit van 22 oktober 2001 (Stb. 2001, 511), houdende wijziging van onder meer het Bard in het kader van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Defensie voor de periode 1 augustus 2000 – 30 september 2001, zijn artikel 7, vijfde en achtste lid, van het Bard gewijzigd naar analogie van het bepaalde ten aanzien van zogenaamde flex-werkers in artikel 7:668a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Hiermee werd uitdrukkelijk beoogd gevolgen te verbinden aan een reeks van (nagenoeg) aaneensluitende tijdelijke arbeidsverhoudingen en wordt onder voorwaarden een tijdelijk dienstverband van rechtswege omgezet in een vast dienstverband. Dit is met name het geval als drie tijdelijke aanstellingen elkaar opvolgen en de tussenpozen tussen die aanstellingen niet langer zijn dan drie maanden.

De tewerkstelling van 26 mei tot 20 juni 2003 bij verweerder heeft plaatsgevonden vanuit een rechtsverhouding van eiseres met Randstad Uitzendbureau B.V. Op deze aanstelling was het burgerlijk recht van toepassing. Niet is gebleken dat hierbij sprake was van enige rechtsverhouding tussen eiseres en verweerder, het Bard was in deze periode niet van toepassing op eiseres.

De rechtbank concludeert dat deze tewerkstellingsperiode via Randstad Uitzendbureau B.V. niet in aanmerking hoeft te worden genomen voor het bepalen van de ambtelijke diensttijd.

De ambtelijke diensttijd van eiseres beslaat dan drie aaneensluitende perioden van telkens één jaar van 15 augustus 2003 tot 15 augustus 2006, derhalve exact een totale periode van drie jaren.

De rechtbank concludeert dat hiermee is voldaan aan het bepaalde in artikel 7, achtste lid, van het Bard, volgens welk artikellid een aanstelling in tijdelijke dienst wordt omgezet in een aanstelling in vaste dienst, indien meerdere aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar opvolgen in een periode van 3 jaren of langer. De tekst van het Bard brengt, anders dan het BW en het ARAR, met zich mee dat meerdere aanstellingen voor bepaalde tijd in een periode van precies 36 maanden leiden tot een aanstelling voor onbepaalde tijd.

Op basis van het bepaalde in artikel 115, eerste lid, van het Bard wordt eiseres geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangesteld.

Op grond van bovenstaande overwegingen dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd.

Nu voor verweerder vervolgens geen andere mogelijkheid overblijft zal de rechtbank om proceseconomische redenen bepalen dat het primaire besluit van 8 juni 2006 dient te worden herroepen en dat eiseres met ingang van 15 augustus 2006 bij verweerders organisatie is aangesteld in een aanstelling voor onbepaalde tijd.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij¬stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De rechtbank kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indie¬ning van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te ver¬goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 1 = € 644,--.

Het bedrag van de reiskosten van eiseres wegens haar verschijning ter zitting wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Bpb en artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 door de rechtbank vastgesteld op € 6,35, zijnde de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. herroept het primaire besluit van 8 juni 2006;

3. bepaalt dat eiseres met ingang van 15 augustus 2006 bij verweerders organisatie is aangesteld in een aanstelling voor onbepaalde tijd;

4. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 wordt vergoed door de Staat der Nederlanden;

5. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 650,35 (waarvan wegens de kosten van rechtsbijstand € 644,00), te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan eiseres.

Aldus gedaan door mr. P.J.M. Bruijnzeels in tegenwoordigheid van drs. F.A.W. van Gils als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2007 door mr. Bruijnzeels voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. F.A.W. van Gils w.g. P.J.M. Bruijnzeels

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 11 juni 2007

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, ook de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.