Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA6172

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
224514 CV EXPL 3166/06
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ABP; artikel 16.4 en 16.6 (oud) Pensioenreglement; Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling; wijziging FPU-regeling per 1 januari 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

rolno: 06-3166

zaakno:224514

typ: M.L.

coll:

Vonnis van de kantonrechter d.d. 24 januari 2007

inzake

[Naam eiser],

[Woonadres eiser], [Woonplaats eiser],

eiser,

tegen

de stichting Stichting Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP)

Oude Lindestraat 70, 6411 EJ Heerlen,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.H.L. Rademakers te Heerlen,

verschijnende bij P.M.F. Otten, gerechtsdeurwaarder.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Door partijen zijn de volgende processtukken ingediend c.q. proceshandelingen verricht:

- dagvaarding

- conclusie van antwoord

- conclusie van repliek

- akte eisende partij

- conclusie van dupliek.

MOTIVERING VAN DE BESLISSING

Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet, althans onvoldoende betwist het volgende vast.

Eiser, geboren [Geboortedatum eiser], trad op [Datum indiensttreding eiser] in dienst bij de rijksoverheid en heeft op datum dagvaarding 35 jaar pensioenpremie aan het ABP betaald.

Per 1 april 1997 trad de regeling Flexibel pensioen en uittreden (FPU-regeling) in werking, waardoor de mogelijkheid werd geboden tussen de 55 en 65 jarige leeftijd uit te treden met recht op FPU-pensioen, indien aan bepaalde voorwaarden voldaan werd.

Eiser heeft in 1999 overeenkomsten voor drie bijspaarproducten bij het ABP afgesloten, te weten FPU-EXTRA, FPU-Totaal en ABP-ExtraPensioen. Deze producten dienden om het FPU-pensioen sneller en hoger op te bouwen dan wel het ouderdomspensioen te verhogen en waren geregeld in artikel 16.4 en 16.6 Pensioenreglement (PR).

Per 1 januari 2006 werd de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) van kracht. Daarmee werd onder meer de fiscale faciliering van de prepensioenregelingen voor mensen geboren na 1949 afgeschaft. Dientengevolge moest de FPU-regeling gewijzigd dan wel afgeschaft worden. Degenen die geboren waren vóór 1 januari 1950 moesten een aantal maanden langer doorwerken voordat zij eenzelfde uitkeringsniveau als voorheen konden bereiken. Eiser viel daar juist buiten. Voor iedereen geboren na 1949 werd de FPU-regeling afgeschaft. De nieuwe regeling kent een ABP keuzepensioen (versterkt ouderdomspensioen) dat tussen de 60 en 70 jarige leeftijd kan ingaan.

Meest relevante bepalingen uit Pensioenreglement ABP

(volgens de regeling tot 1 januari 2006)

Artikel 16.4

1. De werknemer kan kiezen voor een extra opbouw van het flexibel pensioen teneinde te streven naar een hoger uitkeringsniveau bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar, voor zover dit binnen de Wet op de Loonbelasting 1964 is toegestaan.

2. De extra opbouw van het pensioen wordt gevormd door een voorziening voor het bijsparen

a.tot ten hoogste 2,15% per dienstjaar voor de werknemer geboren na 31 december 1963;

b.tot ten hoogste 2,05% per dienstjaar voor de werknemer geboren na 31 december 1953 en voor 1 januari 1964;

c.tot ten hoogste 2% per dienstjaar voor de werknemer geboren voor 1 januari 1954.

3. Daarenboven kan de werknemer bijsparen voor het ophogen van het basisdeel van de FPU-regeling tot 70% van de in die regeling bedoelde franchise, welke verhoging in een periode van minimaal tien jaren kan worden bijgespaard.

4 Het bestuur stelt een individuele premie vast. De premie komt geheel voor rekening van de werknemer

5

Artikel 16.6

1. De werknemer kan er voor kiezen om bij te sparen voor een uitkering in aanvulling op het flexibel pensioen en/of het ouderdomspensioen, voor zover dit past binnen de Regeling taakafbakening pensioenfondsen ingevolge artikel 13, vijfde lid van de Wet toezichtverzekeringsbedrijf 1963 en is toegestaan binnen de Wet op de loonbelasting 1964. De uitkering, bedoeld in de vorige zin, is pensioen in de zin van de Pensioen- en Spaarfondsenwet.

2 Met inachtneming van het bepaalde in het vorige lid bepaalt de werknemer de hoogte van de inleg.

3 De inleg, bedoeld in het tweede lid, redeneert op basis van het ABP-rendement ten behoeve van de kostendekking.

4. Het totale saldo, zijnde de som van de inleg en het rendement, bedoeld in het derde lid, wordt aan de hand van de door het bestuur nader vast te stellen aanwendingsfactoren op het moment van pensionering, overlijden of ontslag gevolgd door waardeoverdracht naar een andere pensioenuitvoerder, omgezet in een periodieke uitkering in aanvulling op, respectie-

velijk in een aanspraak op flexibel pensioen, ouderdomspensioen of nabestaanden pensioen.

5 Bij aanwending, bedoeld in het vierde lid, dan wel bij afkoop, bedoeld in de artikelen 11.1, 11.2, en 11.5 is het totale saldo, bedoeld in het vierde lid, minimaal gelijk aan de som van de ingelegde bedragen.

6...

Standpunten van partijen

Door individuele bijstortingen wilde eiser de mogelijkheid hebben om tussen 55 en 58 jaar te stoppen met werken. Hij stelt dat het ABP de met hem gemaakte afspraken dat inleg en rendement van drie spaarproducten tussen 55 en 60 jaar kan worden opgenomen, niet nakomt. Het ABP heeft wel de mogelijkheid (bevoegdheid) om deze afspraak op een andere wijze na te komen, namelijk door afkoop en storting op de levenslooprekening van eiser. Het ABP weigert dit. Het niet nakomen van de afspraken levert wanprestatie op. Aldus eiser. Voorts stelt eiser dat hij in 1999 na zorgvuldige afweging gekozen heeft voor de drie bij-spaarproducten. Op geen enkele wijze is hem uit de prospectus gebleken dat het ABP hem de vrije keuze van opname van zijn drie bijspaarproducten tussen 55 en 60 jaar zou kunnen ontnemen. Het ABP is tekort geschoten in zijn voorlichting en communicatie. Eiser heeft verschoonbaar gedwaald.

Het ABP maakt zich schuldig aan verboden leeftijdsdiscriminatie. (50-jaar grens)

Het ABP stelt dat door gewijzigde wetgeving (Wet VPL) inzake fiscale faciliëring de FPU-regeling noodzakelijk gewijzigd diende te worden. De sociale partners, verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid hebben een nieuwe regeling vastgesteld die het ABP slechts kan uitvoeren. Voor eiser betekent de nieuwe regeling dat hij pas vanaf zijn 60e jaar kan uittreden met pensioen. Op grond van een gedane toezegging per brief geldt voor eiser in afwijking van het nieuwe reglement dat hij vanaf die leeftijd ook alleen de zogenaamde FPU-delen (= FPU-opbouw, bijspaarproducten en ABP ExtraPensioen) kan opnemen. Ze behoeven niet aan het ouderdomspensioen toegevoegd te worden; hij kan ze ook zelfstandig aanwenden voor uittreden. In vergelijking met de oude FPU-regeling is alleen de leeftijd waarop hij daarvan gebruik kan maken gewijzigd, te weten 60 jaar.

Het vervallen van de FPU-regeling voor eiser betekent automatisch dat de aanspraken uit de bijspaarproducten niet meer kunnen worden aangewend voor verhoging van het flexibel pensioen vanaf 55 jaar. "...wat er niet meer is, kun je ook niet meer verhogen". Van schending van rechten is geen sprake. Het enige dat voor eiser verandert, is dat eiser de mogelijkheid van aanwending van aanspraken van bijspaarproducten pas heeft op de leeftijd van 60 jaar, en niet, zoals onder de (oude) FPU-regeling, vanaf de leeftijd van 55 jaar.

Ten aanzien van de subsidiaire vordering stelt het ABP dat afkoop van de spaarproducten slechts mogelijk is in de limitatief opgesomde gevallen. In casu is dat niet het geval.

Vorderingen

Op grond van wanprestatie en dwaling vordert eiser ontbinding van de drie spaarovereenkomsten en uitbetaling van inleg en opgebouwde rechten.

Bij Repliek stelt eiser vier aanvullende dan wel subsidiaire vorderingen in. (1) Ontbinding van genoemde overeenkomsten met terugbetaling van € 48.766,-- wegens verboden leeftijdsdiscriminatie; (2) vergoeding van overigens geleden vermogens- en/of pensioen-schade van € 250.000,-- wegens misleiding, wanprestatie en verboden leeftijdsdiscriminatie; (3) subsidiair: vernietiging van het weigeringsbesluit om de drie spaarproducten af te kopen en aan levensloopregeling toe te voegen; (4) uitspraak over pensioenschade die eiser bij 46 dienstjaren zou lijden, zijnde 83,5% terwijl volgens het pensioenoverzicht van 18 juli 2006 een pensioengevend percentage van 76,20 % resulteert.

BEOORDELING:

1.De kern van het geschil is gelegen in het feit dat eiser niet meer van de bijspaarproducten gebruik kan maken op de wijze zoals dat ten tijde van het afsluiten van de overeenkomsten kon. Hij stelt vooreerst wanprestatie en/of dwaling.

2.De fiscaal gefacilieerde bijspaarproducten waren geregeld in de artikelen 16.4 en 16.6 van het toen geldend PR. Gelet op de samenhang met en door verwijzing naar het flexibel en ouderdomspensioen kan de conclusie niet anders zijn dan dat de regeling van de bijspaarproducten in de pensioenregeling geïncorporeerd is. Bovendien is voor wat betreft artikel 16.6 met evenzoveel woorden vermeld dat het bijspaarproduct pensioen is in de zin van de Pensioen- en Spaarfondsenwet. (PSW)

Dit betekent dat de wettelijke waarborgen voor de privatisering van het ABP en voor privaatrechtelijke pensioenregelingen, zoals neergelegd in de PSW en in vervolg daarop in de nieuwe "Pensioenwet" ook hierop van toepassing zijn. Voor zulke pensioenregelingen geldt dat zij niet door de deelnemers maar door overlegpartners terzake tot stand gebracht en gewijzigd kunnen worden zonder dat de deelnemers daarbij rechtstreeks betrokken zijn. Dit vertoont overeenkomst met totstandkoming en wijziging van CAO's. De uitleg van de regelingen geschiedt ook aan de hand van de CAO-norm zoals door de Hoge Raad overwogen (HR 20 februari 2004). Dit betekent dat pensioenregelingen door de daartoe geëigende overlegpartners ook ten nadele van de deelnemers gewijzigd kunnen worden, al dan niet noodzakelijk vanwege nieuwe wetgeving. Voor de wijziging van de pensioenregeling is daarbij niet relevant dat een deelnemer geen lid is van een vakorganisatie die aan het overleg heeft deelgenomen of vertegenwoordigd was. De door eiser aangevoerde stelling dat hij zodanig lidmaatschap niet bezat, kan dan ook gepasseerd worden.

3.Bij wijziging van pensioenregelingen ligt het in de rede, dat reeds toegekende pensioenen niet of slechts in uitzonderingsgevallen, ten nadele van de gepensioneerden aangepast worden.

Met voorwaardelijke rechten, ook wel aangeduid als uitzicht op pensioenrechten, ligt dat anders. De toepasbaarheid van die rechten is pas aan de orde vanaf het moment dat toekenning van een pensioen of uitkering (aan)gevraagd wordt, bijvoorbeeld op het moment van ontslag wegens ongeschiktheid door ziekte of wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. De regeling die dan geldt is van toepassing. In pensioenoverzichten die dienen als prognose wordt deze voorwaardelijkheid meestal vermeld. Zo bijvoorbeeld op de door eiser overgelegde prognose 2004 staat vermeld: "De berekeningen zijn gebaseerd op de pensioenregeling zoals die geldt vanaf 1 januari 2004, dus op het middelloonsysteem, en op uw persoonlijke gegevens op die datum. Veranderingen in uw persoonlijke situatie, uw dienstverband, uw inkomen of in de ABP- en FPU-regeling kunnen leiden tot een andere prognose." (Bijlage 1C derde blad bovenaan.) Maar ook zonder vermelding volgen ze uit het (wettelijk beschermd) pensioensysteem. Uiteraard is het mogelijk dat een pensioenfonds een toezegging wil doen die afwijkt van of in strijd is met de regeling, maar dat zal dan heel expliciet, duidelijk en stellig dienen te zijn, zoals uit de jurisprudentie dienaangaande naar voren komt.

4.Toen eiser een overeenkomst aanging voor de bijspaarproducten verkreeg hij voorwaardelijke rechten. Het niet nakomen van voorwaardelijke rechten kan op zich zelf nog niet tot wanprestatie leiden.

In een al ouder arrest bevestigde de Hoge Raad het bestaan van de voorwaardelijke pensioenrechten: " Pensioenrechten... zijn voorwaardelijke vorderingsrechten die als zodanig reeds bestaan, ook al is het pensioen.. nog niet tot uitkering gekomen."(HR 27 november 1981, NJ 1982, 503).

Voor de beoordeling van de gestelde wanprestatie dient gelet te worden op de tekortkoming in de nakoming van een verbintenis zoals bedoeld in artikel 7:74 BW. Van een tekortkoming kan echter eerst sprake zijn als de verbintenis opeisbaar is, hetgeen in casu niet het geval is. Tot 1 januari 2006 had eiser nog de mogelijkheid volgens het oude PR gebruik te maken van zijn voorwaardelijke rechten inzake bijspaarproducten. Dat is expliciet door het ABP bij brief van 21 december 2005 aan eiser medegedeeld. Na uitleg van de gewijzigde regeling schrijft het ABP: "Gelet op het vorenstaande heeft u derhalve nog tot 1 januari 2006 de tijd om te beslissen of u (met terugwerkende kracht) per 1 december 2005 met FPU wilt gaan....Onder de nieuwe pensioenregeling kunt u pas vanaf uw 60e jaar stoppen met werken." En dan volgt een gespecificeerde berekening van eisers FPU-uitkering per 1 december 2005, indien hij daarvan gebruik wil maken. Eiser had het toen in zijn macht de vordering opeisbaar te maken, maar heeft dat om hem moverende redenen niet gedaan. Een beroep op wanprestatie dient derhalve afgewezen te worden.

De tegoeden van de bijspaarproducten blijven behouden, heeft het ABP bij herhaling aan eiser medegedeeld. Zij kunnen aangewend worden vanaf 60 jaar ter aanvulling van het pensioen, of – vanwege toezegging – als separate aanspraken op flexibel pensioen, de aanspraken voortvloeiende uit de bijspaarproducten en ABP ExtraPensioen.

5.Voor zover eisers stelling inzake wanprestatie inhoudt dat het ABP het oude PR niet had mogen wijzigen c.q. het oude PR had moeten blijven toepassen, wordt verwezen naar hetgeen in punt 1 over de structuur en waarborgen van het pensioenreglement is overwogen. Daar kan nog aan toegevoegd worden dat de privatisering en structurering van het ABP door separate formele wetgeving heeft plaats gevonden. En sindsdien aangevuld met waarborgen van de Pensioen- en Spaarfondsenwet tot aan de inwerkingtreding van de Pensioenwet (2007). Ook in zoverre kan geen beroep op wanprestatie gedaan worden.

6.Eiser doet ook een beroep op dwaling. Ingevolge artikel 6:228 lid 1 BW is een overeenkomst die tot stand gekomen is onder invloed van dwaling vernietigbaar indien die o.a. te wijten is aan inlichtingen van de wederpartij of indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten.

Eiser heeft niet een overeenkomst van bijspaarproducten afgesloten die buiten het PR werden aangeboden, maar die daarvan deel uit maakten. Aan eiser die meer dan 35 jaar deelnemer bij het ABP-pensioenfonds is moet duidelijk geweest zijn dat het pensioenreglement in de loop der jaren, vaak aan de hand van maatschappelijke ontwikkelingen of gewijzigde maatschappelijke inzichten, gewijzigd dan wel aangepast is.

En dat het uitzicht (voorwaardelijk recht) niet steeds met overgangsrechten voor de oude situaties behouden bleef. Er zijn in de loop der jaren soms fundamentele wijzigingen doorgevoerd (moeten worden) die het uitzicht voor de één verbeterde en de ander verslechterde. Zo bijvoorbeeld het stelsel van de franchiseberekening. De mogelijkheid van wijziging behoeft niet telkens bij ieder nieuw aangeboden onderdeel apart vermeld te worden. Een beroep op dwaling kan derhalve niet gehonoreerd worden.

7.Eiser stelt dat hij in 1999 na zorgvuldige afweging gekozen heeft voor deelname aan drie bijspaarproducten van het ABP. Hij vervolgt: "Hij mocht afgaan op volledigheid en betrouwbaarheid van de prospectussen van ABP en de daarin vermelde afspraken. Op geen enkele wijze heeft [het ABP] in zijn prospectus duidelijk gemaakt dat eiser de vrije keuze van opname van zijn drie bijspaarproducten tussen 55 en 60 jaar zou kunnen worden ontnomen". Deze stellingname is niet terecht. Zo bijvoorbeeld bevat de door eiser overgelegde brochure (met aanvraagformulier) "Bij sparen met ABP ExtraPensioen" de passage "Om zo duidelijk mogelijk te zijn, vat de brochure de belangrijkste regels samen. U kunt er geen rechten aan ontlenen. Een volledige weergave leest u in de reglementen ABP en FPU. Bedragen en percentages in deze brochure gelden in 2004 en kunnen wijzigen." (productie 1 H) Deze door eiser overgelegde brochure zal gelet op het vermelde jaar 2004 van latere datum zijn dan die hij in 1999 gebruikt heeft, doch die oudere heeft hij niet overgelegd. De door hem overgelegde brochure biedt in elk geval geenszins steun voor de stelling dat de brochures volledigheid pretenderen. Expliciet is vermeld dat het een samenvatting is en dat daaraan geen rechten ontleend kunnen worden.

De brochures over pensioenproducten geven informatie, maar zijn naar hun aard niet gelijk te stellen met de juridische regeling zelf over dat onderwerp. Doorgaans wordt in brochures ook vermeld dat meer informatie desgewenst verkregen kan worden. In de overgelegde FPU-brochure (bijlage 1G van eiser) staat op blz. 10 in grote vette letter: "Meer informatie" En dan "Pensioen is geen gemakkelijke kost. Dat geven wij graag toe. Hebt u nog vragen of wilt u meer informatie? Neem dan gerust contact met ons op..." Ook hieruit kan niet afgeleid worden dat de brochure de enige bron voor het aangaan van een overeenkomst is. En ook hier geldt dat indien een brochure meer zou kunnen en willen bieden dan de onderliggende regeling dat die afwijking dan expliciet en stellig vermeld moet zijn.

8.Eiser stelt onder verwijzing naar de Ombudsman Pensioenen dat de bijspaarproducten niet tot pensioenen te rekenen vallen. De overgelegde brief d.d. 29 december 2005 (productie 1J) beperkt zich tot het standpunt : "De spaarregelingen houden weliswaar een zeker verband met de ABP-pensioenregelingen, maar maken daar geen deel van uit." en bevat geen motivering. Het ABP heeft naar aanleiding daarvan ook met de Ombudsman Pensioenen gecorrespondeerd en onder adequate toelichting en motivering opnieuw naar de zienswijze van de Ombudsman gevraagd. In een kort antwoord per email schrijft deze "Voor wat betreft de hoofdvraag: jullie argumentatie is onweerlegbaar", ook zonder motivering. Het ABP stelt verder dat in de regeling staat dat het product van artikel 16.4 tot pensioen behoort.

In de door eiser overgelegde brief van de Ombudsman kan derhalve geen steun gevonden worden voor het standpunt van eiser omdat die geen motivering bevat en door hem zelf weersproken is. Eiser heeft verder geen motivering aangevoerd. De stelling van eiser kan derhalve niet tot de conclusie leiden dat de bijspaarproducten niet tot de pensioenregeling behoren.

Voorts valt in dit verband op te merken dat een pensioenregeling een samenhangend geheel vormt. Het gaat dan ook niet aan onderdelen daaruit los te maken en daaraan een eigen regime toe te schrijven, ook al zouden die buiten een pensioenregeling zelfstandig aangeboden kunnen worden.

9.Bij Repliek heeft eiser aangevoerd dat sprake is van ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie door de zogenaamde 50 plussers nagenoeg wel en de "minners" niet de mogelijkheden van het oude PR-reglement te bieden. Eiser beperkt zich bij zijn stelling van leeftijdsdiscriminatie nagenoeg tot "Redelijkheid en billijkheid zijn vereist bij leeftijdsdiscriminatie en deze veronderstellen een gemotiveerde belangenafweging." Hij stelt dan dat de ene groep alle rechten behoudt en de andere, waaronder hemzelf alle rechten, garanties en verwachtingen worden afgenomen, hetgeen hij in strijd met het gelijkheidsbeginsel, onredelijk, onbillijk en onnodig acht. Hij onderbouwt dit standpunt verder niet.

10.Het ABP heeft daartegen aangevoerd dat deze aangelegenheid in de vorm van het hoofdlijnenakkoord dat in de nieuwe regeling is neergelegd door de Pensioenkamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid aan de Commissie Gelijke Behandeling is voorgelegd. De uitspraak van deze is dat hier geen verboden onderscheid aan de orde is. Het onderscheid is objectief gerechtvaardigd. (Oordeel 2005-219 d.d. 8 november 2005). Het ABP heeft de uitspraak met onderliggende argumenten tot de hare gemaakt en voor wat betreft de kernpunten uitvoerig geciteerd. De Commissie overweegt dat direct onderscheid gemaakt is naar leeftijd en dat er door toepassing van de structurele regeling sprake van indirect onderscheid is, "nu de verwachtingen voor oudere deelnemers minder gunstig zijn dan die van jongere deelnemers en oudere werknemers derhalve in overwegende mate getroffen worden door de regeling." Anders dan eiser veronderstelt, zijn het juist de ouderen die door de nieuwe regeling in zijn totaliteit minder gunstige verwachtingen tegemoet kunnen zien.

Het ABP vervolgt dan "Het doel van het hoofdlijnenakkoord, het streven naar een betaalbaar en stabiel pensioensysteem, dat binnen bepaalde leeftijdsgrenzen flexibel inzetbaar is, voorziet in een inkomensniveau dat in redelijke verhouding staat tot het inkomen tijdens het arbeidsleven en de duur daarvan, gerechtvaardigde verwachtingen binnen de fiscale grenzen zoveel mogelijk respecteert en de lasten redelijk verdeelt over alle deelnemers, wordt legitiem geacht.

Alhoewel door de toepassing van het hoofdlijnenakkoord niet ieder afzonderlijk onderdeel van het doel voor jongere en oudere deelnemers in gelijke mate zal kunnen worden bereikt, zal het doel wel in zijn totaliteit kunnen worden bereikt. De Commissie acht het middel daarom passend.

Ten aanzien van de directe leeftijdsgrens, geldt dat het doel ten aanzien van een betaalbaar pensioensysteem niet wordt behaald, indien deze grens niet wordt toegepast. Ten aanzien van het indirecte onderscheid overweegt de Commissie dat de Pensioenkamer vele alternatieven heeft bekeken, maar dat geen van deze alternatieven een beter alternatief is gebleken dan het Hoofdlijnenakkoord."

Het ABP neemt dan de conclusie van de Commissie over dat, nu er geen betere alternatieven zijn, het middel noodzakelijk is en het gemaakte leeftijdsonderscheid objectief gerechtvaardigd.

Met deze overname van de motivering van het standpunt van de Commissie Gelijke Behandeling heeft het ABP gemotiveerd de stelling van eiser ten aanzien van de gestelde verboden leeftijdsdiscriminatie weersproken, terwijl ook overigens niet gebleken is van een niet objectief gerechtvaardigd onderscheid.

11.Bij Repliek heeft eiser de subsidiaire vordering ingebracht dat indien misleiding en wanprestatie geen grond zouden vormen voor de ontbinding van de spaarovereenkomsten hij vernietiging vordert van het weigeringsbesluit van het ABP-bestuur om de rechten van de drie spaarproducten af te kopen en aan zijn levenslooprekening toe te voegen. Terecht heeft het ABP erop gewezen dat afkoop op zichzelf slechts in limitatief bepaalde gevallen wettelijk geoorloofd is. Ingevolge artikel 32, vierde lid PSW kan een aanspraak op pensioen slechts worden afgekocht in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen. Die doen zich in casu niet voor. Afkoop in andere dan in deze regeling genoemde gevallen is niet toegestaan.

Het toevoegen van die tegoeden aan de levensloopregeling is slechts mogelijk indien de pensioenregeling in die mogelijkheid voorziet. Eiser stelt dat hem bekend is dat andere pensioenfondsen dat wel mogelijk achten. Wat daarvan ook zij, in het nieuwe PR is die mogelijkheid niet opgenomen. Eiser heeft ook geen bepaling die dat mogelijk zou moeten maken aangevoerd.

De subsidiaire vordering kan dan ook niet toegewezen worden.

12.Op grond van het vorenstaande komen de eerste twee toegevoegde vorderingen bij Repliek niet voor toewijzing in aanmerking. Dat was (1) ontbinding met terugbetaling van € 48.766,-- wegens verboden leeftijdsdiscriminatie en (2) vergoeding van overigens geleden vermogens en/of pensioenschade van € 250.000 wegens misleiding, wanprestatie en verboden leeftijdsdiscriminatie. De gronden van deze vorderingen zijn in het voorgaande besproken en niet toereikend geacht.

De vierde toegevoegde vordering betreft een verschil van mening naar aanleiding van het pensioenoverzicht van 18 juli 2006. Eiser stelt: "Inmiddels is met een deskundige van de Algemene Rekenkamer een berekening van de overige pensioenschade gemaakt met behulp van "maatmannen" op basis van het ABP pensioenoverzicht van 18 juli 2006. Hieruit [blijkt] dat bij doorwerken van eiser tot 65 jaar, na 46 dienstjaren, geen 76,2 maar 83,5 moeten zijn. Immers de pensioenopbouw op 65 jaar is: (36 jaar x 1,75% van het pensioengevend salaris) + (10 jaar x 2,05 % van het pensioengevend salaris) = 83,5 %. Deze aangelegenheid, aangebracht als vierde vordering bij Repliek d.d. 2 augustus 2006 naar aanleiding van een twee weken voordien ontvangen pensioenoverzicht, dient ter opheldering eerst tussen partijen onderling aan de orde te komen. Niet elk verschil van inzicht dient aanstonds, zonder ingebrekestelling aan de rechter voorgelegd te worden. Dit vanuit een goede procesorde. De vordering komt derhalve niet voor toewijzing in aanmerking.

13.Op grond van het vorenstaande komen de vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking.

Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

BESLISSING:

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eiser in de kosten aan de zijde van gedaagde gerezen en tot op heden begroot op:

salaris gemachtigde € 800,00.

Aldus gewezen door mr. drs. W.G.A.M. Veugelers, kantonrechter-plaatsvervanger en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.