Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA5899

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
03-700248-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag.

Verdachte stak het slachtoffer éénmaal in de rug en éénmaal in de borst en aanvaardde daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden.

Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van bovenvermeld feit, nu zij van oordeel is dat verdachte niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een noodweersituatie, van waaruit zij haar handelingen uitvoerde. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een zodanige situatie dat zij, of haar dochter, in onmiddellijk gevaar verkeerde waartegen zij zich mocht verweren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700248-06

Datum uitspraak: 1 mei 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 april 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

thans wonende te [adres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 21 april 2006 in de gemeente Gulpen-Wittem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in het bovenlichaam van die [naam slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 21 april 2006 in de gemeente Gulpen-Wittem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in het bovenlichaam van die [naam slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 21 april 2006 in de gemeente Gulpen-Wittem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een mes in het bovenlichaam van die [naam slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Verdachte en het slachtoffer zijn echtelieden. In de nacht van 21 april 2006 is verdachte met haar dochter op stap geweest en wordt zij door een vriend thuis afgezet. Moeder en dochter hebben beiden alcohol genuttigd.

Op aanbellen wordt door het slachtoffer niet opengedaan. Daardoor ontstaat de nodige irritatie bij verdachte en haar dochter. Wat daarna is gebeurd, is voor de rechtbank niet meer exact vast te stellen maar feit is wel dat een ruit bij de voordeur sneuvelt, de dochter als gevolg daarvan snijwonden aan haar hand oploopt en de politie ter plaatse moet komen om de gemoederen enigermate te kalmeren.

Na het vertrek van de politie is het slachtoffer in de keuken. Vast staat dat verdachte het slachtoffer dan met een keukenmes in de rug steekt en daarna met het zelfde mes nog eens in de borst. De rechtbank heeft dit kunnen vaststellen op grond van de verklaring van het slachtoffer, de verklaring van de verdachte, die het toebrengen van de messteken op zich toegeeft, en hetgeen omtrent het letsel van het slachtoffer is komen vast te staan.

Het slachtoffer is voor zijn steekwonden behandeld in het ziekenhuis te Heerlen. Uit een rapport van dat ziekenhuis blijkt dat de verwondingen van het slachtoffer levensbedreigend waren en er sprake was van flink bloedverlies.

Tijdens het requisitoir heeft de officier van justitie er op gewezen dat verdachte een beroep heeft gedaan op noodweer. Kort samengevat heeft verdachte verklaard dat zij na het vertrek van de politie, in de keuken aangevallen werd door het slachtoffer. Hij zou haar hebben geslagen en geschreeuwd hebben dat hij haar zou gaan vermoorden. Verdachte is in de keuken ten val gekomen. Terwijl zij op de grond lag, en dacht dat haar laatste seconden geslagen hadden, heeft zij met een hand een mesje van het keukenblad gepakt en het slachtoffer daarmee in de rug gestoken.

Deze door verdachte geschetste noodweersituatie wordt door het slachtoffer echter ontkend.

De officier van justitie heeft vervolgens het standpunt ingenomen dat het slachtoffer onder ede een valse verklaring heeft afgelegd met betrekking tot de vraag waar het slachtoffer en verdachte bij aanvang van hun relatie elkaar hebben leren kennen. Het slachtoffer heeft namelijk verklaard dat hij verdachte in een bar heeft leren kennen maar volgens verdachte was het in een bordeel. De bordeelhoudster is door de politie gehoord en bevestigt de lezing van verdachte.

Nu het slachtoffer, aldus de officier van justitie, heeft gelogen is zijn geloofwaardigheid ernstig geschaad. Dat die leugen geen betrekking heeft op het onderhavige feitencomplex is daarbij niet van belang. Zijn ontkenning van het bestaan van een noodweersituatie is daarmee niet meer boven iedere twijfel verheven. Deze onzekerheid laat de officier van justitie doorwegen in het voordeel van de verdachte en zij concludeert uiteindelijk tot vrijspraak.

De rechtbank kan de officier van justitie in deze conclusie niet volgen. Vast staat immers dat verdachte het slachtoffer twee keer met een mes heeft gestoken, één keer in de rug en één keer in de borst, en dat het daaruit voortvloeiende letsel levensbedreigend was. Daarmee staan de feitelijkheden die verdachte in de tenlastelegging verweten worden vast. Voor wat betreft de bij verdachte bestaande opzet merkt de rechtbank nog op dat wie een persoon met een mes in de rug en in de borst steekt willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardt dat het slachtoffer daarbij komt te overlijden, zodat er in ieder geval opzet in voorwaardelijke zin aanwezig was.

De vraag of er al dan niet een noodweersituatie bestond is niet van belang nu die vraag pas beantwoord wordt bij de vraag naar de strafbaarheid van de verdachte. Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank dan ook tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als volgt:

poging tot doodslag.

De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte in noodweer heeft gehandeld. Subsidiair heeft hij een beroep gedaan op noodweer exces en meer subsidiair op putatief noodweer. De raadsman heeft derhalve bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Zoals reeds overwogen ontkent het slachtoffer de door verdachte geschetste gang van zaken. Volgens hem stond hij na het vertrek van de politie aan het aanrecht en wilde hij gaan opruimen toen hij plotseling een stekende pijn in zijn rug voelde. Nadat hij zich had omgedraaid zag hij verdachte staan met een mes in haar hand. Verdachte stak nogmaals toe en raakte hem in de borst.

Gelet op deze twee haaks op elkaar staande schetsen van het gebeurde zal de rechtbank moeten vaststellen of de weergave van verdachte aannemelijk is en zo ja, of haar dan een beroep op noodweer toekomt.

Bij de beoordeling van het beroep op noodweer hebben volgens de rechtbank twee uitgangspunten te gelden, te weten:

1. tegen de achtergrond van het gebruikte wapen, een mes dat op zich geschikt is om dodelijk letsel te veroorzaken, en de ernst van de veroorzaakte verwondingen dient verdachtes lezing van de gebeurtenissen met een grote mate van waarschijnlijkheid vast te komen staan;

2. tegen de achtergrond van het feit dat verdachte zich op noodweer beroept staat de toets van haar verklaring op de eerste plaats.

Bij de beoordeling van de waarheid van de verklaring van verdachte stelt de rechtbank allereerst vast dat er geen technisch bewijs voorhanden is dat haar lezing ondersteunt. Zo blijkt uit het dossier bijvoorbeeld niet van letsel bij verdachte als gevolg van de klap die zij gekregen zou hebben van verdachte of haar val op de grond.

Verder is er ook geen getuigenbewijs beschikbaar. De in de woning aanwezige dochter van verdachte heeft de gebeurtenissen niet gezien.

De rechtbank beschikt dus enkel over de verklaring van verdachte zelf.

Met betrekking tot de vraag of de verklaring van verdachte voldoende aannemelijk is, is de rechtbank het volgende gebleken:

- Verdachte verklaart dat zij hoogstens vier glazen champagne gedronken had toen zij samen met haar dochter thuis kwam (dossier doorgenummerde pagina 52). De dochter verklaart dat haar moeder whiskey met cola gedronken had en dronken was (dossier, doorgenummerde blz. 49);

In dit verband stelt de rechtbank nog vast dat zij in het dossier een groot aantal politiemutaties heeft aangetroffen, waarin is vastgelegd dat de politie heeft moeten ingrijpen in twisten tussen verdachte en haar dochter of tussen verdachte en het slachtoffer. Doorgaans speelde alcoholgebruik door verdachte daarbij dan een rol. Bij één voorval verklaarde de dochter dat haar moeder erg agressief is als zij heeft gedronken;

- Verdachte verklaart dat zij in de keuken werd aangevallen door het slachtoffer en dat de dochter daarbij stond te schreeuwen (dossier, blz. 53). De dochter zegt echter dat zij meteen doorgelopen is naar boven en niets heeft gezien van wat zich in de keuken heeft afgespeeld (dossier, blz. 50);

- Het slachtoffer zou geroepen hebben dat hij haar zou vermoorden (dossier, blz. 53). De dochter heeft echter geen tumult in de keuken gehoord (dossier, blz. 50);

- Verdachte verklaart dat zij denkt dat zij het slachtoffer één keer gestoken heeft. Uit de verwondingen blijkt dat zij twee keer gestoken heeft;

- Verdachte verklaart dat zij daarna naar haar dochter gelopen is die in de keuken op de grond zat en helemaal onder het bloed zat (dossier, blz. 53). De dochter was echter niet in de keuken aanwezig (dossier, blz. 50);

- Enkele dagen later wordt verdachte weer verhoord. Zij heeft dan dus de tijd gehad de gebeurtenissen nog eens rustig te overdenken en op een rij te zetten. Zij verklaart dat alles wat zij gezegd heeft over het gebeuren in de keuken de waarheid is (dossier, blz. 62). Zij zegt ook dat zij naar haar dochter geschreeuwd heeft om de politie te bellen. De dochter heeft hierover bij de politie niets verklaard (dossier, blz. 50). Tot het moment waarop de politie voor de tweede keer kwam wist zij niet dat er in de keuken nog iets was voorgevallen.

De rechtbank heeft in het dossier ook nog verklaringen aangetroffen van verdachte en haar dochter die geruime tijd later bij de rechter commissaris zijn afgelegd. Hierin wordt een gebeuren geschetst dat in detail weer anders is dan hiervoor is weergegeven en waarbij de verklaringen van moeder en dochter meer op elkaar aansluiten. Gelet op het tijdsverloop dat inmiddels heeft plaatsgevonden, de vele contacten die tussen moeder en dochter plaatsgehad kunnen hebben en de gedetailleerde andersluidende verklaringen die direct na het gebeuren zijn afgelegd, acht de rechtbank deze verklaringen niet geloofwaardig.

Op grond van het vorenstaande constateert de rechtbank dat verdachte geen betrouwbare verklaring heeft afgelegd met betrekking tot het gebeuren in de keuken.

Door de verdediging en het openbaar ministerie, is veel betekenis toegekend aan het feit dat het slachtoffer niet de waarheid heeft gesproken over de gelegenheid waar hij verdachte voor het eerst heeft ontmoet, in een bar of in een bordeel. Terzijde merkt de rechtbank op dat verdachte in het kader van een forensisch psychologisch onderzoek heeft verklaard dat zij het slachtoffer in een bar heeft leren kennen, een zelfde gelegenheid dus als het slachtoffer steeds heeft beweerd.

Zou het slachtoffer over dit onderwerp inderdaad niet de waarheid gesproken hebben – de rechtbank begrijpt dat zulks wellicht nog onderwerp wordt van nader onderzoek in het kader van een verdenking van het plegen van meineed – dan betreft het echter een situatie die geen rechtstreeks verband heeft met het onderhavige feit en in tijd en plaats er ver van verwijderd is. Met betrekking tot het feit waarover de rechtbank moet oordelen verklaart het slachtoffer in ieder geval consistent.

Zoals hiervoor uiteengezet is acht de rechtbank het echter van veel groter belang dat de verklaring van verdachte, die zich immers op noodweer beroept, geloofwaardig en betrouwbaar is. Tot die conclusie komt de rechtbank op grond van hetgeen hiervoor overwogen is echter niet.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte het bestaan van een noodweersituatie niet aannemelijk heeft gemaakt. Het beroep op noodweer dient dan ook te worden verworpen. Nu een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden geldt het zelfde voor het beroep op noodweer exces.

Tenslotte heeft de rechtbank ook niet kunnen vaststellen dat zich een zodanige situatie heeft voorgedaan dat verdachte mocht menen dat zij, of haar dochter, in onmiddellijk gevaar verkeerde waartegen zij zich mocht verweren. Ook het beroep op putatief noodweer faalt derhalve.

Ten aanzien van verdachte is door drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog/neuropsycholoog, een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van dat onderzoek heeft genoemde psycholoog een rapport, gedateerd 3 juli 2006, opgemaakt, welk rapport vermeldt

-zakelijk weergegeven- als conclusie:

- dat er bij onderzochte/verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens; er wordt voldaan aan de diagnostische criteria van een borderline persoonlijkheidsstoornis; daarnaast wordt zwakbegaafdheid vastgesteld; mogelijk is er bij betrokkene ook nog sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van alcoholmisbruik;

- dat de persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid ook aanwezig waren ten tijde van het ten laste gelegde en dat betrokkene bovendien te kennen gaf dat ze die avond had gedronken;

- dat de gebrekkige ontwikkeling en vermoedelijk ook alcoholmisbruik van invloed waren op betrokkene’s gedrag ten tijde van het plegen van het haar ten laste gelegde feit zodanig dat dit feit, voor zover bewezen, haar slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.

De raadsman heeft ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, zoals hiervoor reeds is overwogen.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- de mate waarin het bewezenverklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht;

- het gewelddadig karakter van het bewezenverklaarde.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 19 mei 2006, gewezen in de zaak met het parketnummer 03/411484-05, is veroordeeld tot straf en dat verdachte nu opnieuw is schuldig verklaard aan een strafbaar feit dat voor die datum is gepleegd.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij de heer [naam en adres slachtoffer] zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan genoemde benadeelde partij[naam slachtoffer] door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 25,-- terzake schade aan een hemd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat aan deze benadeelde partij door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij heeft als voorschot een bedrag gevorderd ad € 2.500,--. De rechtbank is van oordeel dat de hoogte van de immateriële schade tot dit gevorderde bedrag van eenvoudige aard is, gelet op het leed dat het slachtoffer door dit feit aangedaan is, waarbij bovendien sprake is van vooralsnog blijvende last aan een arm.

Nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal de vordering daarom tot een totaal-bedrag van € 2.525,-- worden toegewezen.

Nu de verdachte ter zake van het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer] aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

Genoemde benadeelde partij[naam slachtoffer] heeft voorts reiskosten gevorderd tot een bedrag gesteld op p.m., stellende dat de benadeelde partij in het kader van de onderhavige strafzaak drie maal vanuit zijn woonplaats Nijswiller, gemeente Gulpen-Wittem, naar het gerechtsgebouw te Maastricht heeft moeten reizen. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting hieromtrent aangevoerd dat [naam slachtoffer] telkens is opgeroepen om als getuige ter terechtzitting te verschijnen.

De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij aan dit onderdeel van haar vordering ten grondslag gelegde kostenpost niet is geconcretiseerd, nu deze schade op het desbetreffende formulier of ter terechtzitting niet genoegzaam is toegelicht, noch op enigerlei wijze nader met bescheiden is geadstrueerd, zodat deze vordering dient te worden afgewezen.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank:

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 36 maanden;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot 10 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij de heer [naam en adres slachtoffer], te betalen een bedrag van 2.525,-- Euro;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het meerdere van de immateriële schadevordering zich tot de burgerlijke rechter dient te wenden;

- wijst af de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer], voornoemd, wat betreft de post reiskosten;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer], voornoemd, in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het laatstgenoemde slachtoffer aan de staat voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle 50 euro van het te betalen bedrag, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. Van Leeuwen, voorzitter, mr. Provaas en mr. Schalken, rechters, in tegenwoordigheid van Wouters-Debougnoux, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 1 mei 2007, zijnde mr. Schalken buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.