Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA5553

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
23-05-2007
Zaaknummer
03/700742-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inzet van de Aanhoudings Eenheid bij aanhouding van verdachte een té zwaar middel, hetgeen gecompenseerd wordt in de strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 200

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700742-06

Datum uitspraak: 13 april 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 maart 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 15 december 2006 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer

73,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 6,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, zijnde cocaïne, MDMA, N-ethyl MDA (=MDEA) en amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

zij op of omstreeks 15 december 2006 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 30 gram hasjiesj en/of ongeveer 193,2 gram, in elk geval in totaal een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj en hennep, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

zij in of omstreeks de periode van 31 augustus 2005 tot en met 30 november 2006, in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht,meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met [naam medeverdachte], althans alleen, (telkens) een aan haar en/of [naam medeverdachte] ter uitvoering van de bij of krachtens de Algemene Bijstandswet en/of de Wet Werk en Bijstand gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift "Periodieke verklaring", zijnde dit formulier een geschrift, dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,valselijk heeft opgemaakt,

hierin bestaande dat zij, verdachte, en/of [naam medeverdachte], valselijk (telkens) niet op dat formulier heeft/hebben opgegeven dat zij, verdachte, en/of [naam medeverdachte], in de periode waarop dat formulier betrekking had,-zakelijke weergegeven- -werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten heeft genoten in/uit de handel van verdovende middelen en (vervolgens) dat formulier (telkens) voor waar heeft ondertekend, een en ander (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

zij op 15 december 2006 in de gemeente Maastricht tezamen en in

vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 73,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 6,5 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en amfetamine middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

zij op 15 december 2006 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 30 gram hasjiesj en ongeveer 193,2 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

zij in de periode van 31 augustus 2005 tot en met 30 november 2006, in de gemeente Maastricht, meermalen, tezamen en in vereniging met [naam medeverdachte], een aan haar en [naam medeverdachte] ter uitvoering van de bij of krachtens de Algemene Bijstandswet en/of de Wet Werk en Bijstand gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift "Periodieke verklaring", zijnde dit formulier een geschrift, dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande dat zij en [naam medeverdachte], valselijk niet op dat formulier hebben opgegeven dat [naam medeverdachte], in de periode waarop dat formulier betrekking had,-zakelijke weergegeven- werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten uit de handel van verdovende middelen en dat formulier voor waar heeft ondertekend, een en ander met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

T.a.v. feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 3:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot

- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van twee jaren en

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht

De raadsman attendeert de rechtbank op de gedrevenheid en passie van verdachte voor haar echtgenoot. Verdachte heeft bijna nooit iets van de inkomsten van haar echtgenoot uit de drugshandel ontvangen. Ook de inboedel van de woning wijst niet op financieel gewin.

Zelfs de in huis aanwezige televisie is via een vriend op afbetaling gekocht. De recente uithuiszetting heeft verdachte een flinke klap gegeven. Mede gelet op het voorgaande en het feit dat verdachte nooit eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, pleit de raadsman voor een lagere voorwaardelijke straf. Verdachte staat voorts positief tegenover het uitvoeren van een taakstraf.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie, verdachte en haar raadsman ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank zal, voor wat betreft het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen straffen, volstaan met het opleggen van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor het hierna te noemen aantal uren. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten en het belang van een juiste normhandhaving.

Naast een onvoorwaardelijke taakstraf acht de rechtbank het passend een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de hierna te noemen duur op te leggen.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte er rekening mee gehouden dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank voorts gelet op het volgende.

Op 22 juli 2006 ontvangt de politie een anonieme brief waarin onder andere wordt gesteld dat de echtgenoot van verdachte, samen met een vriend, cocaïne verkoopt. Ook zou hij een vuurwapen bezitten.

Op 7 november 2006 krijgt de politie een telefonische mededeling dat vanuit de woning van verdachte en haar echtgenoot gedeald wordt in soft- en harddrugs. In deze mededeling wordt niet gesproken over vuurwapenbezit.

Op 20 november 2006 stelt de CIE informatie aan de Regiopolitie Limburg-Zuid ter beschikking waarvan de strekking is dat de echtgenoot van verdachte handelt in cocaïne. Tevens was hij enkele maanden geleden in het bezit van een vuurwapen. Of hij dat vuurwapen nu nog heeft is niet bekend.

De politie stelt vast dat in de woning aan de [adres verdachte] verdachte, [naam medeverdachte], haar echtgenoot en hun 13 jarige dochter [naam dochter] woonachtig zijn.

De echtgenoot van verdachte is vele jaren geleden enkele keren met justitie in aanraking geweest. Echter niet voor Opiumwetdelicten of bezit van wapens. Verdachte zelf is nimmer met justitie in aanraking geweest. Verder blijkt uit niets dat de echtgenoot van verdachte als gewelddadig te boek staat.

Uit het dossier blijkt verder niet dat de politie in de periode na deze meldingen tot het moment van de inval op 15 december 2006 nog onderzoekshandelingen heeft verricht waarbij in het bijzonder het bezit van het vuurwapen is geverifieerd. De rechtbank neemt dan ook aan dat zulks niet is gebeurd en de politie tot actie is overgegaan op grond van de hiervoor weergegeven informatie.

Op vrijdag 15 december 2006 wordt verdachte aangehouden door de Aanhoudings Eenheid van de politie regio Limburg Zuid. Deze eenheid is de woning binnengevallen door de voordeur te forceren middels een ram. De in de woning aanwezige personen, verdachte en haar echtgenoot en kind, werden vervolgens gecontroleerd en daarna volgde de aanhouding van verdachte en haar echtgenoot.

Bij de toepassing van de verschillende ter beschikking staande dwangmiddelen, en de wijze waarop die worden uitgeoefend, dient de politie steeds scherp te letten op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Met andere woorden, er moet gekozen worden voor het, gegeven de omstandigheden van het geval, minst belastende dwangmiddel. In dat kader is uitgangspunt dat bezit van een vuurwapen inzet van zwaardere middelen rechtvaardigt dan het “enkele” bezit van drugs. Maar de politie dient bij de keuze voor de manier van ingrijpen wel alle bekende omstandigheden te betrekken. In dit geval denkt de rechtbank dan in het bijzonder aan de omstandigheden dat de echtgenoot van verdachte geen antecedenten heeft op het gebied van vuurwapens, niet als gewelddadig te boek staat, er geen harde aanwijzingen zijn dat de echtgenoot van verdachte daadwerkelijk over een vuurwapen beschikt en er in de woning, naast de echtgenoot van verdachte, ook andere personen aanwezig zijn in de persoon van verdachte en hun 13 jarig kind.

Overigens sluit de rechtbank niet uit dat de politie zelf ook twijfels heeft gehad over de gevaarlijkheid van verdachte nu niet blijkt dat de politie na de melding over een vuurwapen op 22 juli 2006 iets heeft ondernomen met betrekking tot dit vuurwapen en het na de, overigens weinig concrete, informatie van de CIE nog van 20 november 2006 tot

15 december 2006 heeft geduurd voordat werd ingegrepen.

Onder de hiervoor geschetste omstandigheden acht de rechtbank het inzetten van de Aanhoudings Eenheid een te zwaar middel. Dit verzuim kan niet meer worden hersteld.

In de inzet van dit te zware middel ziet de rechtbank aanleiding verdachte te compenseren bij het bepalen van de strafmaat.

De rechtbank ziet naast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uur geïndiceerd.

Gelet op eerdergenoemd verzuim ziet de rechtbank aanleiding om dit verzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering te verdisconteren in de strafmaat in dier voege dat zij de opgelegde taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uur zal minderen tot 88 uur.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 225

van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10(oud), 11 van de Opiumwet.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 88 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht,vervangende hechtenis voor de duur van 44 dagen zal worden toegepast;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het werkstrafgedeelte van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uren per dag;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 maanden;

- beveelt dat de opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. I.M.T. Wijnands, voorzitter, mr. C.M.J. van den Acker en mr. R.A.J. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, griffier en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 13 april 2007