Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA5427

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-04-2007
Datum publicatie
22-05-2007
Zaaknummer
03/703341-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn twee-jarige dochter seksueel heeft misbruikt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 254
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/116

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703341-06

Datum uitspraak: 19 april 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 april 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [adres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij meermalen althans éénmaal in of omstreeks de periode van 1 december 2005 tot en met 1 maart 2006, in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, met zijn dochter [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer], zijnde iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, handelingen heeft gepleegd die (mede) hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft verdachte in de genoemde periode meermalen, althans eenmaal, zijn vinger in de vagina van zijn dochter voornoemd gestopt en/of heeft hij meermalen, althans eenmaal, met zijn vinger op de vagina van zijn dochter voornoemd masturberende bewegingen gemaakt en/of heeft hij zijn dochter voornoemd zijn penis laten wassen en/of heeft hij zijn dochter voornoemd zijn penis laten likken;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij meermalen althans éénmaal in of omstreeks de periode van 1 december 2005 tot en met 1 maart 2006 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer], immers heeft verdachte in de genoemde periode meermalen, althans eenmaal met zijn vinger op de vagina van zijn dochter voornoemd masturberende bewegingen gemaakt en/of heeft hij zijn dochter voornoemd zijn penis laten wassen en/of heeft hij zijn dochter voornoemd zijn penis laten likken.

Het requisitoir

-De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur

van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee

jaren.

-De raadsman heeft betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Vooropgesteld zij dat de door de rechtbank te beantwoorden vraag is of het aan de verdachte ten laste gelegde bewezen kan worden, met andere woorden of deze verdachte een strafrechtelijk verwijt treft van hetgeen [naam slachtoffer] mogelijkerwijs is overkomen.

In de eerste plaats overweegt de rechtbank daartoe het volgende. In het dossier is

– om begrijpelijke redenen – geen verklaring van [naam slachtoffer], het vermeende slachtoffer, zelf voorhanden. Wel voorhanden zijn onder meer de getuigenverklaringen van de moeder van [naam slachtoffer], [naam moeder slachtoffer], de oma van [naam slachtoffer], [naam oma slachtoffer], alsmede de huidige partner van [naam moeder slachtoffer], [naam huidige partner moeder]. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze getuigen¬verklaringen echter niet bijdragen aan de bewezen¬verklaring van het aan de verdachte ten laste gelegde. Daartoe overweegt de rechtbank dat de genoemde getuigen weliswaar hebben verklaard dat zij hebben gezien dat [naam slachtoffer] vaker een rode en gezwollen vagina had – de oma van [naam slachtoffer] spreekt zelfs van een vaginale bloeding – en dat zij wel eens (een) vinger(s) in haar vagina stak of met een vinger tussen haar schaamlippen wreef, waaraan [naam slachtoffer] dan toevoegde “Dat moet zo van papa [S.]” (p. 36 van de doornummering) of “Zo doet papa dat ook” (p. 42 van de doornummering), maar naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit niet eenduidig en ondubbelzinnig worden geconcludeerd dat verdachte de hem ten laste gelegde seksuele handelingen daadwerkelijk heeft gepleegd bij [naam slachtoffer].

Dat voornoemde getuigenverklaringen de hiervoor bedoelde conclusie onvoldoende kunnen dragen correspondeert, zo overweegt de rechtbank in de tweede plaats, met de bevindingen van [de W.], huisarts van [naam slachtoffer] en haar moeder, die [naam slachtoffer] blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 5 april 2007 drie maal heeft onderzocht. Bij de eerste keer, 11 oktober 2004, ging het om roodheid bij de vulva van [naam slachtoffer]. [de W.] voornoemd heeft toen in het dossier genoteerd dat het waarschijnlijk ging om luieruitslag en heeft om die reden zalf voorgeschreven. Op 9 maart 2005 heeft de moeder van [naam slachtoffer] gebeld met de assistente van [de W.], omdat [naam slachtoffer] luieruitslag zou hebben; de assistente heeft toen ook zalf voorgeschreven. De tweede keer was op 27 september 2005. Toen had [naam slachtoffer] last van buikpijn en diarree. Volgens [de W.] was sprake van een virus. De derde keer vertelde de moeder van [naam slachtoffer] dat haar dochter agressief en niet meer zindelijk zou zijn alsmede seksueel getint gedrag zou vertonen. Daarop heeft [de W.] [naam slachtoffer] op 16 januari 2006 onderzocht, met dien verstande dat het haar enkel lukte om in de oortjes van [naam slachtoffer] te kijken, omdat enig lichamelijk onderzoek niet mogelijk was, nu [naam slachtoffer] zich daartegen verzette. Wat er ook zij van dit verzet, gelet op het voorgaande heeft [de W.] niet geconstateerd dat (mogelijk) sprake zou zijn van seksueel misbruik.

In de derde plaats overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat het gedrag van [naam slachtoffer] vanaf november/december 2005 veranderde, zoals getuige [B.], groepsleidster bij het kinderdagverblijf ‘[P.]’, heeft verklaard en zoals blijkt uit een ‘observatie’ door genoemd kinderdagverblijf, evenmin substantieel gewicht in de schaal kan leggen, nu het een feit van algemene bekendheid is dat het gedrag van zeer jonge kinderen door velerlei externe factoren kan worden beïnvloed en veranderd. De gedragsverandering kan dus zeer goed een andere oorzaak hebben gehad dan seksueel misbruik.

Nu voor het overige geen ander bewijs voorhanden is dient, zoals reeds hiervoor gezegd, verdachte te worden vrijgesproken.

DE BESLISSING:

De rechtbank

-verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. Th. Provaas, voorzitter, mr. F.A.G.M. Vluggen en

mr. R.A.J. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.L.P. Biesmans, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 19 april 2007, zijnde

mr. F.A.G.M. Vluggen buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703341-06

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 19 april 2007 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [adres verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Maastricht.