Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA5400

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
AWB 06 / 1861 GEMWT
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verschoonbaarheid termijnoverschrijding bij indienen bezwaar omdat (beweerdelijk) bijlage, bevattende bestuursdwangbesluit, niet bij toezendingsbrief was gevoegd? De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van eiseres had gelegen om actie te ondernemen om de bijlage bij de brief van 1 juli 2005 bij verweerder op te vragen, aangenomen dat deze bijlage inderdaad abusievelijk niet bij de brief was gevoegd. Immers, gelet op de uitdrukkelijke verwijzingen in de brief van 1 juli 2005 had het eiseres zonder meer duidelijk moeten zijn dat beoogd was het bestuursdwangbesluit als (afzonderlijke) bijlage bij deze brief te voegen. Het feit dat van de zijde van eiseres is nagelaten (tijdig) navraag naar de bijlage te doen, dient voor haar risico te blijven en kan mitsdien niet leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06 / 1861 GEMWT

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam eiseres],

wonende te Eijsden, eiseres,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Eijsden,

gevestigd te Eijsden, verweerder.

Datum bestreden besluit: 5 juli 2006.

Kenmerk: 3752.

Behandeling ter zitting: 4 april 2007.

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 5 juli 2006 (bekendgemaakt bij brief gedateerd 10 juli 2006, verzonden op 17 juli 2006) heeft verweerder het door eiseres ingediende bezwaarschrift tegen zijn - hieronder nader te duiden - besluit van 9 juni 2005 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen het besluit van 5 juli 2006 heeft eiseres bij brief van 15 augustus 2006 beroep ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingesteld bij deze rechtbank.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden. De inhoud van deze stukken dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 4 april 2007, alwaar voor eiseres is verschenen haar echtgenoot [naam].

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. B.L.J. Cremers, ambtenaar der gemeente.

2. Overwegingen

Bij brief van 13 april 2005 heeft verweerder aan eiseres een vooraankondiging met betrekking tot het toepassen van bestuursdwang doen toekomen. Deze vooraankondiging bestuursdwang heeft betrekking op het verwijderen van bloembakken die, zonder de benodigde bouwvergunning, op het dak van de uitbouw aan het pand van eiseres zijn geplaatst.

Eiseres heeft bij (ongedateerde) brief, door verweerder ontvangen op 29 april 2005, haar zienswijze tegen de vooraankondiging ingediend.

Vervolgens heeft verweerder bij brief gedateerd 1 juli 2005 - aangetekend verzonden op 6 juli 2005 - zijn besluit van 9 juni 2005 ten aanzien van het toepassen van bestuursdwang met betrekking tot de bloembakken aan eiseres bekendgemaakt. Voor de inhoud van dit bestuursdwangbesluit heeft verweerder verwezen naar de bijlage bij de brief van 1 juli 2005.

Blijkens de stukken is de brief van 1 juli 2005 op 11 juli 2005 aan de partner van eiseres uitgereikt, waarbij deze voor ontvangst ervan heeft getekend.

Bij brief van 26 oktober 2005 heeft eiseres tegen het besluit van 9 juni 2005 bezwaar gemaakt bij verweerder. In bezwaar heeft eiseres (onder meer) aangevoerd dat zij weliswaar de brief van 1 juli 2005 heeft ontvangen, maar zonder de daarbij behorende bijlage waarin het bestuursdwangbesluit is opgenomen.

Bij brief van 15 december 2005 (verzonden op 21 december 2005) heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat verweerder in zijn vergadering van 15 november 2005 besloten heeft om het bezwaarschrift van eiseres ontvankelijk te verklaren.

Eiseres is in de gelegenheid gesteld om op 6 april 2006 op het bezwaar te worden gehoord ten overstaan van de Intergemeentelijke Adviescommissie Bezwaar- en Beroepschriften, een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb (hierna: de Commissie). Van dit horen is een verslag gemaakt.

Bij brief van 2 mei 2006 heeft eiseres verweerder verzocht om het besluit van 9 juni 2005 tot toepassing van bestuursdwang in te trekken.

Op 2 mei 2006 heeft de Commissie verweerder geadviseerd om de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren. De Commissie heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“In de brief van 1 juli 2005 wordt in de aanduiding van het onderwerp waarop deze brief ziet uitdrukkelijk en vetgedrukt vermeld: “Bijlage(n): Beschikking toepassing bestuursdwang”. Voorts wordt in de eerste alinea van de betreffende brief medegedeeld dat reclamante hierbij het besluit ten aanzien van de geplaatste bloembakken op het bijbouwvlak van het perceel [adres] te Eijsden ontvangt, voor de inhoud waarvan met zoveel woorden naar de bijlage wordt verwezen.

Anders dan reclamante in haar bezwaarschrift stelt, is de commissie van oordeel dat er aanleiding bestond om actie te ondernemen. Aangenomen dat de bewuste bijlage ontbrak, had het, gelet op de uitdrukkelijke verwijzingen in de brief, op de weg van reclamante gelegen om hiernaar te vragen. Nu zulks is nagelaten kan niet worden gesteld dat zij door te wachten met het indienen van een bezwaarschrift tot eind oktober 2005 niet in verzuim is geweest.

De omstandigheid dat burgemeester en wethouders reclamante bij brief van 15 december 2005 -derhalve na indiening van het onderhavige bezwaarschrift- hebben bericht dat zij hebben besloten om het bezwaarschrift ontvankelijk te verklaren doet hieraan niet af. Nu bepalingen van openbare orde zijn bestond voor het oordeel van het college geen ruimte.”

In navolging van voornoemd advies van de Commissie heeft verweerder het thans bestreden besluit van 5 juli 2006 genomen.

Bij brief gedateerd 10 juli 2006 (aangetekend verzonden op 17 juli 2006) heeft verweerder het thans bestreden besluit van 5 juli 2006 aan eiseres doen toekomen. Verder blijkt uit de brief van 10 juli 2006 dat verweerder het verzoek van eiseres van 2 mei 2006 om het bestuursdwangbesluit van 9 juni 2005 in te trekken niet heeft gehonoreerd.

Eiseres heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. Eiseres is van mening dat het indienen van het bezwaarschrift buiten de wettelijke termijn verschoonbaar is nu zij de bijlage bij de brief van 1 juli 2005, waarin het bestuursdwangbesluit was opgenomen, niet heeft ontvangen. Eerst in oktober van dat jaar is eiseres van dit besluit op de hoogte geraakt en heeft zij zo snel mogelijk een bezwaarschrift ingediend. Daarnaast is eiseres van mening dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door haar (eerst) in tweede instantie niet-ontvankelijk te verklaren. Verweerder heeft immers eiseres bij brief van 15 december 2005 ontvankelijk verklaard in haar bezwaren tegen het bestuursdwangbesluit van 9 juni 2005, zodat deze ontvankelijkheid geen onderwerp van discussie meer kan zijn. Door alsnog af te wijken van een eerder genomen besluit om eiseres ontvankelijk te verklaren, heeft verweerder volgens eiseres het thans bestreden besluit onzorgvuldig en in strijd met de rechtszekerheid genomen.

Verder heeft eiseres aangevoerd dat in het thans bestreden besluit ook is besloten dat het bestuursdwangbesluit wordt gehandhaafd, hetgeen volgens eiseres moet worden opgevat als een (primair) besluit tot afwijzing van haar verzoek om het bestuursdwangbesluit in te trekken. Eiseres heeft tegen dit onderdeel van het bestreden besluit een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Eiseres heeft voorts de rechtbank verzocht om, indien het onderdeel van het thans bestreden besluit over het handhaven van het bestuursdwangbesluit moet worden gezien als een beslissing op bezwaar, het bij verweerder ingediende bezwaarschrift dan te beschouwen als een bij de rechtbank ingediend beroepschrift.

Met betrekking tot dit laatste onderdeel van het beroep van eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder een primair (inhoudelijk) besluit heeft genomen op het verzoek van eiseres van 2 mei 2006. Verweerder kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat de brief van 2 mei 2006 moet worden gezien als een aanvulling van het bezwaarschrift van 26 oktober 2006, enerzijds omdat eiseres in deze brief expliciet heeft vermeld dat dit verzoek “los van de bezwaarprocedure” wordt gedaan en anderzijds omdat de brief is geschreven nadat de hoorzitting bij de Commissie heeft plaatsgevonden en niet is gebleken dat verweerder de brief (alsnog) aan de Commissie ter hand heeft gesteld teneinde deze bij haar advisering te betrekken. Nu voorts gebleken is dat eiseres een bezwaarschrift heeft ingediend tegen dit onderdeel van het bestreden besluit, gaat de rechtbank er van uit dat verweerder alsnog een beslissing op dit bezwaarschrift zal nemen. Nu dit onderdeel van de besluit¬vorming derhalve niet in beroep ter beoordeling voorligt, zal de rechtbank hieraan voorbij gaan.

Met inachtneming van het vorenstaande is het onderhavige geding beperkt tot de vraag of verweerder terecht en op goede gronden het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift ingevolge artikel 6:7 van de Awb zes weken bedraagt. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 6:7 van de Awb een voorschrift van openbare orde bevat. Dit betekent dat een bestuursorgaan niet van deze termijnstelling kan afwijken en dat de vraag of de gestelde termijn in acht is genomen door de rechtbank ambtshalve dient te worden getoetst. Van deze toetsing maakt de vraag of een niet-tijdig ingediend bezwaar¬schrift desondanks ontvankelijk moet worden geacht, omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, onderdeel uit. Dit brengt mee dat de vraag of een bestuursorgaan een bezwaarschrift terecht (niet-)ontvankelijk heeft geacht niet ter vrije beschikking van partijen staat en los van en eventueel tegen de wil van partijen onderdeel kan worden van het geding in (hoger) beroep. De grief van eiseres dat de ontvankelijkheid van haar bezwaar, gelet op verweerders brief van 15 december 2005, geen onderwerp van geschil meer kon zijn, dient derhalve te falen.

Niet in geding is dat het bezwaarschrift van eiseres dateert van 26 oktober 2005, op 28 oktober 2005 door verweerder is ontvangen en derhalve niet tijdig is ingediend, nu de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 24 augustus 2005.

Eiseres stelt dat dit indienen van het bezwaarschrift buiten de wettelijke termijn verschoonbaar is. Eiseres betoogt - zoals hiervoor reeds is vermeld - dat zij weliswaar de brief van 1 juli 2005 heeft ontvangen, maar niet de bijlage met daarin het bestuursdwang¬besluit.

De rechtbank overweegt dat indien een belanghebbende met vertraging kennis neemt van een besluit of van het feit dat een besluit is genomen, en daardoor pas na het verstrijken van de bezwaartermijn een bezwaarschrift indient, het bezwaar in voorkomende gevallen slechts met toepassing van artikel 6:11 van de Awb ontvankelijk zal kunnen worden geacht.

Vast staat - en door eiseres wordt dit ook niet betwist - dat de partner van eiseres op 11 juli 2005 heeft getekend voor ontvangst van de brief van 1 juli 2005. Deze brief heeft als onderwerp “toepassing bestuursdwang”; tevens is aangegeven dat er een bijlage is gevoegd aan de brief van 1 juli 2005, te weten de “Beschikking toepassing bestuursdwang”. De brief begint vervolgens met de mededeling dat eiseres via deze weg het besluit van verweerder ontvangt “ten aanzien van de geplaatste bloembakken op het bijbouwvlak van het perceel [adres] te Eijsden”. Verweerder verwijst voor de inhoud hiervan naar de bijlage. De brief vervolgt met de zinsnede “Tevens willen wij u op het volgende wijzen”, waarna verweerder zijn voornemen om handhavend te gaan optreden tegen een illegaal geplaatst hekwerk op het perceel van eiseres aankondigt.

De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van eiseres had gelegen om actie te ondernemen om de bijlage bij de brief van 1 juli 2005 bij verweerder op te vragen, aangenomen dat deze bijlage inderdaad abusievelijk niet bij de brief was gevoegd. Immers, gelet op de uitdrukkelijke verwijzingen in de brief van 1 juli 2005 had het eiseres zonder meer duidelijk moeten zijn dat beoogd was het bestuursdwangbesluit als (afzonderlijke) bijlage bij deze brief te voegen. Het feit dat van de zijde van eiseres is nagelaten (tijdig) navraag naar de bijlage te doen, dient voor haar risico te blijven en kan mitsdien niet leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is te achten.

Gelet hierop heeft verweerder bij het thans bestreden besluit terecht en op goede gronden tot niet-ontvankelijkverklaring van het door eiseres ingediende bezwaarschrift besloten. Hetgeen ter zitting door eiseres tegen het bestreden besluit is aangevoerd, kan aan de juistheid van dit oordeel niet afdoen. Het beroep van eiseres is mitsdien ongegrond te achten.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers in tegenwoordigheid van mr. D.H.J. Laeven als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2007.

w.g. D. Laeven w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 16 mei 2007.

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onver¬wijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.