Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA5361

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-05-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
AWB 06 / 2092 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar aanleiding van diverse incidenten die in [naam zaak] hebben plaatsgevonden heeft de burgemeester bij brief van 6 september 2005 eiser te kennen gegeven voornemens te zijn een vervroegd sluitingsuur op te leggen voor [naam zaak], indien eisers gewijzigd toelatingsbeleid niet tot het gewenste resultaat zou leiden.

Vervolgens heeft de Politie Limburg Zuid, District Maastricht, Basiseenheid Heuvelland de burgemeester bij schrijven van 20 mei 2006 bericht dat op die datum, omstreeks 01.15 zich een ernstig incident heeft voorgedaan in [naam zaak]. Op voornoemd tijdstip is een 15 jarige bezoeker in [naam zaak] met een scherp voorwerp in de linkerzij gestoken. Het slachtoffer was behoorlijk dronken en was in het bezit van een wapen (boksbeugel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2007/937
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06 / 2092 VEROR HEM

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser],

wonende te Valkenburg, eiser,

tegen

de Burgemeester van de Gemeente Valkenburg aan de Geul,

gevestigd te Valkenburg, .

Datum bestreden besluit: 28 augustus 2006

Kenmerk: 2023

Behandeling ter zitting: 17 april 2007

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 28 augustus 2006 (verzonden: 29 augustus 2006) heeft de burgemeester een namens eiser ingediend bezwaarschrift van 24 mei 2006 tegen een door de burgemeester genomen besluit van 23 mei 2006, waarbij de burgemeester naar aanleiding van een steekpartij die op 20 mei 2006 heeft plaatsgevonden in of buiten het bedrijf van eiser [naam bedrijf], op basis van artikel 2.3.1.5. van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Valkenburg aan de Geul (hierna: APV) heeft besloten een vervroegd sluitingsuur vast te stellen voor [naam zaak], met dien verstande dat [naam zaak] op vrijdag 26 mei 2006 en zaterdag 27 mei 2006 om 22.00 uur gesloten moet zijn in plaats van 0.300 uur, ongegrond verklaard.

Bij brief van 1 oktober 2006 is tegen eerstgenoemd besluit namens eiser beroep ingesteld door zijn gemachtigde mr. G.M.J. Diederen, advocaat te Heerlen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door de burgemeester ingediende verweerschrift. De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 17 april 2007, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. I.E.H.E. Gerards, advocaat te Heerlen. De burgemeester heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door dhr. R.J.J.H. Paulsssen.

2. Overwegingen

De feiten

Naar aanleiding van diverse incidenten die in [naam zaak] hebben plaatsgevonden heeft de burgemeester bij brief van 6 september 2005 eiser te kennen gegeven voornemens te zijn een vervroegd sluitingsuur op te leggen voor [naam zaak], indien eisers gewijzigd toelatingsbeleid niet tot het gewenste resultaat zou leiden.

Vervolgens heeft de Politie Limburg Zuid, District Maastricht, Basiseenheid Heuvelland de burgemeester bij schrijven van 20 mei 2006 bericht dat op die datum, omstreeks 01.15 zich een ernstig incident heeft voorgedaan in [naam zaak]. Op voornoemd tijdstip is een 15 jarige bezoeker in [naam zaak] met een scherp voorwerp in de linkerzij gestoken. Het slachtoffer was behoorlijk dronken en was in het bezit van een wapen (boksbeugel).

Naar aanleiding van voornoemd incident heeft de burgemeester op 23 mei 2006 met eiser een gesprek gehad over meergenoemd incident en het toelatingsbeleid voor [naam zaak]. Voorts heeft de burgemeester daarbij aangegeven voornemens te zijn voor [naam zaak] op vrijdag 26 en zaterdag 27 mei 2006 een vervroegd sluitingsuur op te leggen en wel om 22.00 uur. Bij besluit van eveneens 23 mei 2006 heeft de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid en gezondheid op basis van artikel 2.3.1.5 van de APV overeenkomstig zijn voornemen besloten.

Bij brief van 24 mei 2006 is namens eiser tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij de burgemeester.

Daarbij is aangevoerd, dat [naam zaak] is gevestigd aan een openbaar park en eiser geen invloed heeft op ongeregeldheden buiten of elders. Eiser heeft in overleg met de gemeente Valkenburg aan de Geul een beveiligingsbureau gecontracteerd. In overleg met dat bureau is een plan van aanpak opgemaakt. Eiser bestrijdt dat het incident van 20 mei 2006 in [naam zaak] heeft plaatsgevonden. Eiser ontkent eveneens dat die 15 jarige bezoeker dronken was. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat het niet mogelijk is dat die bezoeker een boksbeugel bij zich had omdat anders de detectiepoort zou zijn aangeslagen. Naar de mening van eiser zijn de door de burgemeester gestelde gevolgtrekkingen onjuist en niet gebaseerd op feitelijk onderzoek. Uit de video-opnames van [naam zaak], welke in het bezit van de politie zijn, zou blijken dat de gestelde feiten onjuist zouden zijn.

Bij brief van (eveneens) 24 mei 2006 heeft eisers gemachtigde zich tevens gewend tot de voorzieningenrechter van de rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb te treffen.

Bij uitspraak van 24 mei 2006 (verzonden: 30 mei 2006) heeft de voorzieningenrechter dat verzoek afgewezen (partijen bekend onder procedurenummer AWB 06 / 1275 VEROR VV).

Eiser en zijn gemachtigde zijn in de gelegenheid gesteld om op 27 juni 2006 op het bezwaar te worden gehoord door de commissie bezwaarschriften gemeente Valkenburg aan de Geul.

Van dit horen is verslag opgemaakt. De commissie heeft de burgemeester geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren. De commissie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de burgemeester eerst tot besluitvorming zou kunnen overgaan nadat hij de beschikking heeft over in ieder geval het rapport van de politie en zelf de beelden van het incident dient te beoordelen.

Het besluit

In afwijking van het advies van voornoemde commissie heeft de burgemeester bij het thans bestreden besluit het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag het standpunt van de burgemeester -kort samengevat- dat het toelatingsbeleid in [naam zaak] op 20 mei 2006 heeft gefaald, waardoor een ernstig incident heeft kunnen gebeuren en waardoor de handhaving van de openbare orde en veiligheid in geding zijn geweest. Bij het thans bestreden besluit heeft de burgemeester een afweging gemaakt tussen het belang van openbare orde en veiligheid en heeft dat belang laten prevaleren boven het financiële belang van eiser.

Het beroep

Eiser kan zich met voormeld standpunt van de burgemeester niet verenigen.

Daartoe is in beroep -onder verwijzing naar het bezwaarschrift en de pleitnota- aan¬ge¬voerd, dat:

• het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel;

• het besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat dit besluit is genomen zonder deugdelijk en objectief vooronderzoek wat verklaarbaar is door het anti-[naam zaak]beleid dat de burgemeester al geruime tijd voert;

• het besluit is aan eiser uitgereikt zonder dat hem de gelegenheid werd geboden zijn kant van het verhaal te vertellen;

• de burgemeester heeft zijn besluit enkel op eenzijdige informatie van een politieambtenaar gebaseerd;

• het incident op 20 mei 2006 niet in de [naam zaak] heeft plaatsgevonden;

• de burgemeester heeft geen kennis genomen van de aanwezige camerabeelden.

Het verweer

De burgemeester heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De beoordeling

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Artikel 174 Gemeentewet luidt:

1. De burgemeester is belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.

2. De burgemeester is bevoegd bij de uitoefening van het toezicht , bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.

3. De burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht.

Artikel 2.3.1.5. van de APV Afwijking sluitingsuur; algehele sluiting luidt:

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, bij openbaar bekend te maken besluit tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.1.1.4 geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijk algehele sluiting van een of meer horecabedrijven bevelen. Hij brengt het besluit onmiddellijk ter kennis van de houder van het bedrijf die het betreft.

.

Blijkens de tekst van voornoemd artikel komt de burgemeester een ruime beoordelingsvrijheid toe bij de vraag of in het belang van de openbare orde, veiligheid en gezondheid tijdelijk andere sluitingsuren vast te stellen. Dit betekent dat de toets door de rechtbank marginaal dient te zijn, wat wil zeggen dat de rechtbank dient te beoordelen of de burgemeester in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Bij deze beoordeling dient de rechtbank zich te beperken tot de vraag of de voorgedragen gronden tot het oordeel leiden dat de burgemeester het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, dan wel bij de beoordeling van de daarvoor in aanmerking komende aspecten en afweging van de daarvoor in aanmerking komende belangen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten een vervroegd sluitingsuur op te leggen voor vrijdag 26 mei 2006 en 27 mei 2006.

Eiser heeft betoogd dat de burgemeester zijn besluit enkel op eenzijdige informatie van een politieambtenaar heeft gebaseerd en geen kennis heeft genomen van de aanwezige beelden.

In zijn verweerschrift heeft de burgemeester gesteld dat uit het politieonderzoek is gebleken dat de steekpartij in de [naam zaak] moet hebben plaatsgevonden. Uit de door de politie bekeken camerabeelden blijkt dat het slachtoffer uit de [naam zaak] komt en zonder uit beeld te zijn geweest even later met een steekwond op het trottoir gaat zitten. Uit diverse getuigenverklaringen is voorts gebleken dat het slachtoffer kort daavoor op de dansvloer van de [naam zaak] bij een vechtpartij betrokken is geweest.

Ingevolge artikel 3:2 van de Awb ligt het op de weg van de burgemeester om bij de voorbereiding van een door hem te nemen besluit voldoende deugdelijk onderzoek te doen naar alle van belang zijnde feiten en omstandigheden en de af te wegen belangen. Van belang is voorts dat de rechter in staat moet zijn de overtuiging van de burgemeester, dat op grond van de voor hem beschikbare feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk is dat in [naam zaak] een steekpartij heeft plaatsgevonden, te toetsen aan de hand van deugdelijk vastgestelde gegevens die de burgemeester bij het nemen van het besluit ter beschikking hebben gestaan. De rechterlijke toets van de feiten betreft een volle toets.

De burgemeester heeft zijn besluit, naast het politierapport van 20 mei 2006 en mondelinge mededelingen van de politie, de zienswijze van eiser en de incidenten die zich in 2004 en 2005 in en rond [naam zaak] hebben voorgedaan, mede gebaseerd op de overtreding van de huisregels en de daarop volgende rumoerige en gespannen sfeer in het uitgaansgebied en de daarmee gepaard gaande extra politie-inzet.

Zoals uit de gedingstukken kan worden opgemaakt zijn er video-opnamen beschikbaar van hetgeen op 20 mei 2006 in [naam zaak] heeft plaatsgevonden, zijn er meerdere getuigenverklaringen en zou er nog een politierapport zijn. De burgemeester heeft de video-opnamen niet zelf bekeken noch bestaat er een politierapport over hetgeen op de video-opnamen wordt waargenomen.. Verslagen van ooggetuigen en een ander politierapport dan dat van 20 mei 2006, bevinden zich evenmin in het dossier.

De rechtbank is van oordeel dat de voor de onderhavige zaak relevante gegevens zowel niet voor de rechter en evenmin voor eiser zijn te verifiëren. De burgemeester heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de door hem vergaarde feiten en omstandigheden toereikend moeten worden geacht om na afweging van de onderscheiden belangen tot de conclusie te komen dat hij in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het vaststellen van een vervroegd sluitingsuur op 26 en 27 mei 2006.

Ten aanzien van de in het bestreden besluit genoemde feiten welke zich hebben voorgedaan na 20 mei 2006 en welke feiten door de burgemeester, blijkens het gestelde ter zitting, worden gebruikt om aan te geven dat eiser ook na 20 mei 2006 de huisregels niet naleeft, merkt de rechtbank nog op dat in het dossier geen schriftelijke bescheiden met betrekking tot deze feiten zijn aangetroffen, zodat verificatie daarvan noch voor de rechtbank noch voor eiser mogelijk is.

Het beroep van eiser tegen het besluit van 28 augustus 2006 moet dan ook voor gegrond worden gehouden. Het bestreden besluit kan de rechterlijke toets in zoverre niet doorstaan wegen strijd met het bepaalde in artikel 3:2 respectievelijk 7:12, eerste lid, van de Awb, welke een zorgvuldige voorbereiding respectievelijk deugdelijke motivering eisen.

De rechtbank acht termen aanwezig om de burgemeester te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij¬stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De rechtbank kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indie¬ning van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te ver¬goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 1 = € 644,--.

Het bedrag van de reiskosten van eiser wegens zijn verschijning ter zitting wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Bpb en artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 door de rechtbank vastgesteld op € 5,81, zijnde de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt de burgemeester op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 wordt vergoed door de gemeente Valkenburg aan de Geul;

4. veroordeelt de burgemeester in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 649,81 (waarvan wegens de kosten van rechtsbijstand € 644,00), te vergoeden door voornoemde rechtspersoon aan eiser.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr.D.H.J. Laeven

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2007

door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van mr. M.A.C. Heyltjes, griffier.

w.g. M. Heyltjes w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 14 mei 2007

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onver¬wijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.