Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA5353

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-05-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
AWB 06 / 228 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2005 heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (hierna WWB) wordt gewijzigd.

Tegen dat besluit is namens eiser bij schrijven van 24 november 2005 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser bij schrijven van 20 januari 2006 beroep aangetekend bij deze rechtbank in verband met het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift.

Op 3 april 2006 heeft verweerder een beslissing op het bezwaar genomen. Het beroep van eiser dient, voor zover dat is gericht tegen het beweerdelijk uitblijven van deze beslissing, wegens het ontbreken van proces-belang, niet-ontvankelijk te worden verklaard. Gesteld noch gebleken is dat eiser niettemin enig belang bij een gegrondverklaring van het beroep heeft blijven behouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06 / 228 WWB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser],

wonende te Maastricht, eiser,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Maastricht (Domein Sociale en Culturele Zaken, onderdeel Sociale Zaken),

gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluit: 3 april 2006

Kenmerk: 31275903

Behandeling ter zitting: 6 februari 2007

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 3 april 2006 heeft verweerder een namens eiser ingediend bezwaarschrift van 24 november 2005 tegen een door verweerder genomen besluit van 22 november 2005 ongegrond verklaard.

Bij brief van 20 januari 2006, aangevuld bij schrijven van 20 juli 2006 is tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar namens eiser beroep ingesteld door zijn gemachtigde

mr. L. Bovenkamp, advocaat te Maastricht.

Bij uitspraak van 9 juni 2006 heeft deze rechtbank dit beroep kennelijk gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen vier weken een besluit te nemen op het bezwaar van eiser.

Eiser is tegen deze uitspraak in verzet gekomen op 20 juli 2006 omdat verweerder op 3 april 2006 reeds een besluit op bezwaar genomen had.

Dit verzet is bij uitspraak van deze rechtbank van 25 juli 2006 gegrond verklaard, waarbij de rechtbank heeft bepaald dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Zoals gezegd heeft verweerder bij besluit van 3 april 2006 een besluit op bezwaar genomen. Namens eiser is bij brief van 20 juli 2006 aan de rechtbank meegedeeld, dat dat besluit niet (geheel) aan het beroep tegemoet komt. Het beroep wordt dan ook ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen dit nieuwe besluit.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 6 februari 2007, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Bovenkamp voornoemd.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door M. Merken.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

Ten aanzien van de fictieve weigering.

De rechtbank zal als eerste het besluit als bedoeld in artikel 6:2, sub b, van de Awb (fictieve weigering) beoordelen.

Bij besluit van 22 november 2005 heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (hierna WWB) wordt gewijzigd.

Tegen dat besluit is namens eiser bij schrijven van 24 november 2005 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser bij schrijven van 20 januari 2006 beroep aangetekend bij deze rechtbank in verband met het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift.

Op 3 april 2006 heeft verweerder een beslissing op het bezwaar genomen. Het beroep van eiser dient, voor zover dat is gericht tegen het beweerdelijk uitblijven van deze beslissing, wegens het ontbreken van proces-belang, niet-ontvankelijk te worden verklaard. Gesteld noch gebleken is dat eiser niettemin enig belang bij een gegrondverklaring van het beroep heeft blijven behouden.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser, welke met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), gelet op het feit dat het gaat om een beroepschrift tegen een fictieve weigering met wegingsfactor zeer licht, zijn begroot op € 80,50.

Ten aanzien van het besluit van 3 april 2006.

De feiten

Bij besluit van 22 november 2005 is aan eiser medegedeeld dat vanaf 4 oktober 2005 zijn uitkering op grond van de WWB wordt gewijzigd omdat zijn persoonlijke situatie is veranderd. Met ingang van die datum is [mevr x] bij eiser woonachtig. In de periode 1 april 2003 tot en met 30 september 2004 heeft eiser met [mevr x] een WWB-uitkering voor gehuwden ontvangen. Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en sub a, van de WWB wordt in deze situatie een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht.

Bij brief van 24 november 2005 is namens eiser tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Daarbij is aangevoerd, dat inhouding van een deel van de uitkering onrechtmatig is geschied. Eiser voert geen gezamenlijke huishouding met [mevr x] maar heeft haar tijdelijk onderdak verschaft vanwege haar huisvestingsproblemen.

In aanvulling hierop heeft eiser op 23 december 2005 aangevoerd dat hij van zijn bijstandconsulent had begrepen dat zijn uitkering met 10 % zou worden verminderd op het moment dat [mevr x] bij eiser zou komen inwonen. Het is in strijd met het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel om ondanks de toezegging van de consulent de gehuwdennorm toe te passen.

Eiser en zijn gemachtigde zijn in de gelegenheid gesteld om op 14 februari 2006 op het bezwaar te worden gehoord. Zij hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Het besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt, dat er sprake is van een hernieuwde aanvraag voor bijstand binnen twee jaar nadat eiser en [mevr x] als gehuwden zijn aangemerkt en een gezamenlijke uitkering hebben ontvangen. Er is derhalve sprake van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en sub a van de WWB. Eiser heeft zich niet vergewist van de zekerheid van de mededeling van de consulent en mocht hier geen verwachtingen aan ontlenen. Bovendien is niet gebleken dat hij daadwerkelijk met de beschikbaarheid van de verwachte geldmiddelen heeft rekening gehouden.

Het beroep

Eiser kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep op 20 juli 2006 aan¬ge¬voerd, dat de beslissing op bezwaar onvoldoende gemotiveerd is. De consulent is degene waarbij men voor vragen over de uitkering terecht kan. Het ligt dan ook niet voor de hand dat eiser na een mededeling van zijn consulent bij een andere medewerker navraag zou doen. Eiser heeft zich juist tot zijn consulent gewend om uitsluitsel te krijgen over een voor hem onzekere toekomstige situatie.

Verweerder kan niet stellen dat niet is gebleken dat eiser geen rekening heeft gehouden met verwachte beschikbare geldmiddelen. Verweerder heeft hier immers op geen enkele manier bij eiser navraag naar gedaan, terwijl alleen al uit het feit dat [mevr x] direct is vertrokken toen bleek wat de financiële consequenties waren blijkt hoe belangrijk de geldmiddelen voor eiser waren.

Het verweer

In het verweerschrift heeft verweerder naar voren gebracht, dat de mededeling van de verlaging van de toeslag van 20% naar 10% is gedaan op basis van de informatie zoals die door eiser en [mevr x] zelf is verstrekt. Zij hebben niet naar voren gebracht dat ze reeds eerder een gezamenlijke uitkering hadden ontvangen.

De beoordeling

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Artikel 3 van de WWB – voorzover relevant - luidt:

...

3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;

Het onderhavig geding spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht en op goede gronden vanaf 4 oktober 2005 de WWB-uitkering van eiser heeft aangepast naar de gehuwdennorm.

De rechtbank heeft op grond van de gedingstukken vastgesteld dat [mevr x], nadat zij bij eiser in huis is gaan wonen, op 12 oktober 2005 een bijstanduitkering heeft aangevraagd. Daaraan voorafgaand heeft eiser zijn consulent gevraagd naar de consequenties voor zijn uitkering van deze verhuizing van [mevr x]. Eiser is medegedeeld dat de toeslag op zijn uitkering zou worden verlaagd van 20% naar 10%. Mede op basis van deze uitlatingen heeft [mevr x] de aanvraag ingediend.

Kennelijk is bij behandeling van de aanvraag door verweerder uit onderzoek gebleken dat eiser en [mevr x] binnen twee jaar voorafgaand aan de aanvraag een WWB-uitkering met als norm gehuwden hebben ontvangen. Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en sub a, van de WWB wordt bij eiser en [mevr x] vervolgens een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht en een uitkering met als norm gehuwden verstrekt en niet, zoals aan eiser medegedeeld een korting op de toeslag van zijn uitkering.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht eiser vertrouwen op de mededeling van zijn consulent. Weliswaar voldoet deze mededeling niet aan de vereisten die aan een toezegging worden gesteld, maar eiser mocht naar het oordeel van de rechtbank vertrouwen op deze informatie. Van eiser kan niet worden verlangd dat hij de mededelingen van zijn consulent bij een andere medewerker van verweerder dan wel op andere wijze controleert op juistheid. Van eiser kan evenmin worden verlangd dat hij op de hoogte is van de (juridische) relevantie van feiten en omstandigheden uit zijn uitkeringsverleden. Het is aan de consulent bij eiser daarover navraag te doen en eventueel eisers vastgelegde gegevens te raadplegen op relevante informatie met betrekking tot de uitkering. Dat is in het onderhavige geval eerst gebeurd nadat [mevr x] de aanvraag voor een uitkering heeft ingediend. Het lag op de weg van verweerder eiser (en [mevr x]) in te lichten over de consequenties van hun gezamenlijke uitkeringsverleden zodat zij zich hadden kunnen beraden over het al dan niet doorzetten van de aanvraag, met name nu eiser mondeling anders was geïnformeerd. Door de huidige handelwijze heeft verweerder beiden voor een voldongen feit gesteld. Het feit dat het hier gaat om een uitkering op het bestaansminimum met voor betrokkenen grote financiële gevolgen vereist van verweerder een zekere zorgvuldigheid in de voorbereiding van een besluit. Die zorgvuldigheid heeft verweerder in dit geval niet in acht genomen, hetgeen in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van eiser is derhalve gegrond.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij¬stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent ter zake drie punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indiening van het beroepschrift, het verzetschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te ver¬goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 3 x € 322,-- x 1 = € 966,--.

Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

Ten aanzien van het beroep tegen het besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb

- verklaart het beroep van eiser niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 80,50 (wegens kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de gemeente Maastricht aan de griffier van de rechtbank Maastricht.

Ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 3 april 2006

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;

- bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,00 wordt vergoed door de gemeente Maastricht;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 966,00 wegens de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Maastricht aan de griffier van de rechtbank Maastricht.

Aldus gedaan door mr. E.V.L. Heuts in tegenwoordigheid van mr. K. Vantilt als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2007 door mr. Heuts voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. K. Vantilt w.g. Heuts

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 14 mei 2007

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.