Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA3948

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
27-04-2007
Zaaknummer
233643 CV EXPL 2717/06
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvulling op de Boulidam-doctrine? Kennelijk onredelijke opzegging aanwezig geacht op het gevolgencriterium. Andere gronden niet valide en herstelvordering afgewezen bij gebrek aan grondslag; wel hoge schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

rolno: 2717/06

zaakno: 233643

toev. eis. 1DJ0534

vonnis d.d. 11 april 2007

in de zaak van

[Naam eisende partij],

wonend te [Woonplaats eisende partij],

verder ook te noemen: [Eisende partij],

eisende partij,

gemachtigde: mr. A.M.H.E.G. Lemmens, advocaat te Maastricht,

tegen:

de besloten vennootschap SAPPI NETHERLANDS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te Maastricht,

verder ook te noemen: Sappi,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J.A.M.G. Vogels, advocaat te Maastricht.

1.VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[Eisende partij] heeft bij dagvaarding van 18 september 2006 een vordering ingesteld tegen Sappi en heeft zich daarvoor mede beroepen op zeven, deels meervoudige, aan het exploot van dagvaarding gehechte producties in fotokopievorm.

Sappi heeft schriftelijk geantwoord onder overlegging van tien eveneens deels meervoudige producties (fotokopieën).

[Eisende partij] heeft vervolgens voor repliek geconcludeerd onder toevoeging van twee producties. Sappi heeft hier schriftelijk op gereageerd (dupliek), eveneens met twee extra producties.

Op de inhoud van die laatste producties kan vooralsnog geen acht worden geslagen.

Hierna is uitspraak bepaald.

2.MOTIVERING

a.het geschil

[Eisende partij] vordert naast een verklaring van rechts dat Sappi de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk ‘heeft doen eindigen’ de veroordeling van Sappi bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad tot herstel van de arbeidsovereenkomst op straffe van een dwangsom van € 500,= per dag en tot betaling van een schadevergoeding ‘naar billijkheid’ ter hoogte van het genoten loon dan wel anderszins voor de periode van onderbreking, alsmede (cumulatief en niet subsidiair) tot betaling van een bedrag van € 120.824,= bruto (dan wel een bedrag ‘naar billijkheid’) met wettelijke rente ter zake van schadevergoeding, alles met verwijzing tevens van Sappi in de proceskosten.

[Eisende partij] baseert zijn diverse vorderingen op de stelling dat de kennelijke onredelijkheid haar grond vindt in het hanteren van een voorgewende of valse reden en dat voorts de gevolgen van de opzegging voor [Eisende partij] onevenredig ernstig zijn. Daartoe beroept hij zich op de diverse vaststaande feiten en op zijn lezing van een aantal omstreden feiten/omstandigheden ter zake van het onderhavige dienstverband, zijn arbeidsongeschiktheid, de reïntegratie en zijn persoonlijke omstandigheden. Zo is er in zijn visie sprake van door althans in de arbeid ontstane nek- en schouderklachten en is het opvallend dat Sappi de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd zonder enige voorziening voor [Eisende partij] te treffen.

Sappi verweert zich gemotiveerd en bestrijdt zowel de vorderingen als de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde lezing van de (voornaamste) feiten. Sappi stelt daar in het bijzonder tegenover dat [Eisende partij] (aanvankelijk) van een te hoog loon uitging, dat zij zich bij diens arbeidsongeschiktheid aan verplichtingen tot loondoorbetaling en uitkeringsaanvulling alsmede aan verplichtingen tot reïntegratie heeft gehouden ([Eisende partij] zelf daarentegen lang niet altijd), dat iedere causaliteitsrelatie tussen werk en arbeidsongeschiktheid ontbreekt (er zou in haar ogen sprake zijn van ‘predispositie’) en dat zij in vergelijkbare gevallen niet anders heeft gehandeld. Voor de herstelvordering voert [Eisende partij] geen reële argumenten aan.

Van kennelijke onredelijkheid is noch op grond van artikel 7:681 lid 2 aanhef en sub a. BW sprake noch op basis van het gevolgencriterium sub b. van dat artikellid. Net als [Eisende partij] beroept Sappi zich op voorbeelden uit de rechtspraak om het veronderstelde eigen gelijk te illustreren. Zij verdedigen ieder voor zich uiteenlopende standpunten over de vraag of de kantonrechtersformule op de voet van artikel 7:685 lid 8 BW toepassing zou moeten krijgen bij bepaling van de schadevergoeding op de voet van artikel 7:681 BW. Subsidiair concludeert Sappi dat [Eisende partij] een (veel) te hoge schadevergoeding vordert.

b.de feiten en omstandigheden

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op grond van de inhoud van in dat opzicht onweersproken gebleven producties staat tussen partijen het navolgende vast.

-[Eisende partij], [Geboortedatum eisende partij], is [Periode dienstverband] in een aantal elkaar opvolgende uitvoerende functies krachtens arbeidsovereenkomst bij (de rechtsvoorgangster van) Sappi in dienst geweest, laatstelijk als snijder tegen een brutoloon (basis loonheffing) van € 2.447,31 per maand inclusief ploegentoeslag.

-Aan de arbeidsovereenkomst met [Eisende partij] is een einde gekomen - na een aantal jaren (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en na mislukking van pogingen topt interne herplaatsing - door opzegging zijdens Sappi na verkregen toestemming van de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI).

-De CWI-beschikking is afgegeven op 5 december 2005 na een zeer uitgebreide procedure van bijna tien maanden, waarin [Eisende partij] van alle verweermogelijkheden gebruikgemaakt heeft en waarin zowel het UWV als de Ontslagadviescommissie van advies heeft gediend.

-De arbeidsongeschiktheid wegens ziekte dateert van november 2002 en heeft uiteindelijk geleid tot toekenning van een WAO-uitkering naar een percentage arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45, bij kennelijk aanwezig geachte mogelijkheden tot bepaalde vormen van aangepaste arbeid (WAO-beslissing en stukken omtrent aard en omvang restcapaciteit dan wel geschiktheid voor een bepaald type functie ontbreken in het procesdossier).

-Ten tijde van de opzegging, bij brief van 8 december 2005 tegen 1 april 2006, was er geen sprake meer van aanvullingsverplichtingen en/of loonbetaling van Sappi, die tot en met 15 november 2005 voor [Eisende partij] de WAO-uitkering tot 100% van het brutoloon had aangevuld.

-Sappi heeft per 31 maart 2006 wel met [Eisende partij] afgerekend, in het bijzonder waar het een eventueel resterend vakantietegoed betrof, doch Sappi heeft de werknemer geen extra vergoeding of schadevergoeding betaald.

-Op een sommatie d.d. 24 mei 2006 van de gemachtigde van [Eisende partij], waarbij aanspraak werd gemaakt op een schadevergoeding van € 120.824,=, is afwijzend gereageerd.

c.de beoordeling

Vooropgesteld moet worden dat op de werknemer in geval van een vordering op de voet van artikel 7:681/7:682 BW de plicht rust gemotiveerd (dat wil zeggen gespecificeerd en waar mogelijk gedocumenteerd) te stellen en bij voldoende tegenspraak zo nodig te bewijzen dat en waarom de opzegging kennelijk onredelijk is. In elk geval voor de grond die geformuleerd is in artikel 7:681 lid 2 aanhef en sub a. BW voldoet [Eisende partij] niet aan zijn gemotiveerde stelplicht, terwijl voor het gevorderde herstel van de arbeidsovereenkomst zelfs geldt dat [Eisende partij] geheel verzuimt een grondslag te formuleren. De vordering tot herstel en/of tewerkstelling zal daarom hoe dan ook moeten worden afgewezen, nog daargelaten dat [Eisende partij] deze claim niet alternatief doch in cumulatie met die tot schadevergoeding heeft ingesteld. [Eisende partij]s vordering berust overigens volledig op het uitgangspunt dat ‘hem een schadevergoeding toekomt’. Hij legt nergens uit wat hij zelf heeft ondernomen om passende tewerkstelling te stimuleren of zelfs (in rechte) af te dwingen vanaf het moment in 2003 dat hij inactief is geweest in iedere vorm van aangepast werk bij Sappi en blijkens een brief van Sappi aan hem met dagtekening 4 augustus 2003 op externe reïntegratie aangewezen was. Gesteld noch gebleken is dat [Eisende partij] tegen de in laatstgenoemde brief betrokken stelling protest heeft aangetekend, laat staan dat hij er ook iets tegen heeft ondernomen. Zelfs als het niet zo erg is als Sappi stelt, namelijk dat [Eisende partij] zijn eigen reïntegratie dwarsboomde (al dan niet op vermeend medische gronden), kan bij gebrek aan expliciete andersluidende stellingen van [Eisende partij], uit een dergelijke houding of uit [Eisende partij]s gedrag op geen enkele wijze blijken dat hij Sappi heeft willen houden aan verplichtingen die in zijn visie mogelijk wel degelijk bestonden. Opmerking verdient dat de (gemachtigde van de) werknemer heeft nagelaten stukken over te leggen dan wel feiten te noemen waaruit valt af te leiden met welke precieze functionele beperkingen [Eisende partij] rekening moet houden en op welke nek, rug of schouder ontlastende arbeid hij precies aangewezen is (bij de stukken ontbreekt zelfs het zogeheten ‘belastbaarheidsprofiel’, dat kennelijk op 11 november 2003 door het UWV is opgemaakt, zoals uit een wel overgelegd stuk valt af te leiden).

Pas in de CWI-procedure ex artikel 6 BBA in de loop van het jaar 2005 is [Eisende partij] zich kennelijk op het standpunt gaan stellen dat er over passend werk en een aangepaste functie (intern bij Sappi) alsnog gepraat zou moeten worden, overigens zonder veel concreter te worden dan het gebruik van deze globale termen en zonder interne functies te duiden waarvoor hij in aanmerking meende te komen. Mede daarom wellicht is in het kader van de gebruikelijke advisering door de bij uitstek gekwalificeerde arbeidsdeskundige van het UWV aan de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) geadviseerd dat bij de eigen werkgever geen passende vacatures aanwezig of te verwachten waren. Daaraan wordt weinig afgedaan door een oordeel van een eveneens aan het UWV verbonden verzekeringsgeneeskundige uit 2003 of zelfs door het in de CWI-procedure ingebrachte oordeel van een andere UWV-arts uit 2005 over benutbare restcapaciteiten. Sterker nog: een dergelijk oordeel spoort geheel met de WAO-beslissing van hetzelfde UWV ten aanzien van [Eisende partij] waaruit blijkt dat hij nog aanzienlijke verdienmogelijkheden heeft, die naar bevinding van de arbeidsdeskundige per saldo extern moeten worden benut. Omtrent de arbeidsdeskundige vraag of dit al dan niet (ook) intern bij Sappi kon, was het antwoord uiteindelijk ontkennend. De CWI heeft zich daaraan - geheel in lijn overigens met het unanieme oordeel van de ontslagadviescommissie - geconformeerd, getuige de beslissing van 5 december 2005 om Sappi toestemming tot opzegging te verlenen. De motivering, waarop weinig af te dingen valt, is daarover duidelijk.

Het ware aan [Eisende partij] geweest om niet zozeer een fout in de CWI-beoordeling te traceren en daar de vinger op te leggen, doch - in het kader van zijn eerste onredelijkheidsmotief - gespecificeerd te stellen en zo nodig te bewijzen waarin het voorgewende of valse karakter van het door Sappi aan de opzegging ten grondslag gelegde motief was gelegen. Sappi had immers - met volledige instemming van de CWI - de arbeidsovereenkomst met [Eisende partij] na meer dan twee jaar ongeschiktheid voor zijn eigen werk (laatstelijk snijder) opgezegd bij gebrek aan reëel (volledig) herstelperspectief en bij ontstentenis van reële interne mogelijkheden tot (aangepaste) herplaatsing voor de met beperkingen kampende werknemer. [Eisende partij] heeft daarin gefaald. Hij heeft in dit verband ook nog eens niet of onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn huidige beperkte arbeidsgeschiktheid direct door (de zwaarte van) het werk bij Sappi is veroorzaakt. Laat staan dat dit rechtstreeks zou voortvloeien uit een ‘arbeidsongeval’ dat hij bij exploot in 1976 situeerde en bij repliek op een niet nader geduid tijdstip in 1982 laat plaatsvinden, maar waarvan hij de kantonrechter en de wederpartij alle relevante details onthoudt, zoals de precieze toedracht, zijn eigen rol daarin, de betrokkenheid van de Arbeidsinspectie en de medische of andere gevolgen (met name in de vorm van deskundige rapportage). [Eisende partij] heeft het slechts in zeer vage bewoordingen over een vallende papierrol die zijn nek en/of schouder zou hebben geraakt. Tegenover de ontkenning van Sappi dat haar ook maar iets bekend is omrent een dergelijk ‘ongeval’ is [Eisende partij] niet alsnog met concrete feiten en documenten op de proppen gekomen (sterker nog: een in kopie ingebracht rapportje van een orthopedisch chirurg van het AZM uit augustus 2003 over ‘patiënt [Naam patiënt]’ vermeldt in de voorgeschiedenis ‘geen trauma’), zodat aan deze bewering volledig voorbij moet worden gegaan. Datzelfde geldt voor de impliciet in het betoog van de werknemer verscholen stelling dat andere belastende factoren in het werk de ziekte-uitval en arbeidsongeschiktheid direct aanwijsbaar hebben veroorzaakt. Zware aspecten van of belastende factoren in het werk worden niet geschetst, een opsomming van de inhoud van de diverse taken ontbreekt. Alleen al de onduidelijkheid over de precieze aard en ontstaansdatum van de klachten (volgens [Eisende partij] aan schouder en nek, maar volgens het AZM alleen aan de nek en hoewel de huisarts ook de rechterschouder noemt, is in de UWV-rapportage weer - vrijwel - alleen de nek als locatie of bron van de klachten aanwezig) maakt dat geen sluitende conclusies te trekken zijn over de causaliteit. De beperkte medische stukken in het dossier laten dit ook niet toe. Omdat [Eisende partij] nalaat om gericht bewijs op dit onderdeel aan te bieden, zal de kantonrechter het bij deze vaststelling laten. Als conclusie resteert dan slechts dat [Eisende partij] aan het einde van zijn actieve carrière bij Sappi last had van meer of minder concrete nekklachten (met uitstraling naar de schouder dan wel met een zelfstandige bron in die schouder), die mogelijk aan slijtage of overbelasting van onduidelijke aard en ernst te wijten waren en die in elk geval (eventueel in combinatie met psychische klachten) tot gedeeltelijke langdurige en misschien zelfs blijvende arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO hebben geleid (naar een voorlopig arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45).

Hoewel niet kan worden gesproken van een opzegging onder opgave van een voorgewende of valse reden, noch van een aan Sappi te verwijten gebrek aan redelijkerwijs te vergen inzet tot reïntegratie van een met ziekteklachten uitgevallen werknemer, zijn er voldoende aan de omstandigheden ten aanzien van arbeid en persoon te ontlenen gronden om met het oog op het gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 aanhef en sub b. BW van kennelijk onredelijke opzegging te spreken. Terecht wijst [Eisende partij] in dit verband op zijn leeftijd (ten tijde van de opzegging bijna 56 jaar), op zijn lichamelijke beperkingen na een lang arbeidzaam leven die hem maar beperkt arbeidsgeschikt maken en slechts voor functies (naar de werkgeefster erkent niet bij Sappi zelf, dus extern) die uitsluitend of voornamelijk buiten de directe productiesfeer en dus ook niet binnen de kring van zijn ervaring liggen, op zijn beperkte opleiding en eenzijdige arbeidsverleden, op zijn lange carrière van ruim 32 jaar bij Sappi en haar rechtsvoorgangster(s) en op een al met al te verwaarlozen kans op succes op de arbeidsmarkt, zeker wanneer [Eisende partij] geheel op zichzelf aangewezen zal zijn. [Eisende partij] kon dus geacht worden belang te hebben bij behoud van werk en inkomensaanvulling in welke vorm dan ook bij een werkgeefster ten opzichte van welke hij in de loop van al die actieve jaren - naar aan te nemen valt - enig krediet had verworven. Krediet dat zich in het geval van ontbinding wegens veranderingen in de omstandigheden doorgaans vertaalt in een vergoeding als beloning voor trouwe dienst en als vertaling van de individuele bijdrage aan het bedrijfsresultaat over een reeks van jaren. Aan de zijde van Sappi staat tegenover dit evidente belang van [Eisende partij] het belang van het formeel slechten van de contractuele band na voltooiing van verplichtingen tot het verschaffen van arbeid en/of loon op een moment dat redelijkerwijs niet meer kan worden gesproken van een kans op interne werkhervatting.

Zeker voor een werkgeefster van het kaliber Sappi mag dit eigen belang de ogen niet doen sluiten voor het belang van een zorgvuldige financiële inbedding van het noodzakelijk geachte vertrek van een werknemer als [Eisende partij]. In het bijzonder is niet gebleken dat Sappi enigerlei voorziening heeft getroffen, van financiële aard of in natura, om voor [Eisende partij] het betreden van de externe arbeidsmarkt te vergemakkelijken. Evenmin is gesteld of komen vast te staan dat Sappi door middel van aanvullende scholing, training of anderszins in de loop der tijd aandacht heeft besteed aan verruiming van de ‘employability’ van de werknemer, ook in de jaren voorafgaand aan [Eisende partij]s arbeidsongeschiktheid. Tot (of in het verlengde van) het van Sappi te vergen beleid van ‘employability’ zou mede kunnen worden gerekend een plicht tot een zekere diversificatie van haar arbeidsproces in die zin, dat in redelijke mate arbeidsmogelijkheden voor mensen met een arbeidshandicap worden behouden en geschapen, zo nodig zelfs door herverdeling of hergroepering van taken. De vaststelling dat Sappi hierin tekortgeschoten is, levert een compensatieverplichting wegens reëel toekomstig inkomensverlies van de ontslagen werknemer op, die in aanmerking dient te worden genomen naast de factoren die voor Sappi al aan de debetkant te noteren waren (beloning voor bewezen diensten en vergoeding voor persoonlijke bijdrage aan bedrijfsresultaat). Per saldo betekent dit dat in dit geval het karakter van kennelijke onredelijkheid eerst aan de opzegging ontnomen kan worden door een behoorlijke schadevergoeding, enigszins in lijn met hetgeen bij ontbinding van een arbeidsovereenkomst als de onderhavige aan vergoeding gebruikelijk is. Weliswaar is de schade van [Eisende partij] na de onderhavige opzegging niet althans nauwelijks direct terug te voeren op de beëindiging als zodanig, doch veeleer een gevolg van diens arbeidsongeschiktheid, maar de reden dat betrokkene zijn resterende arbeidscapaciteit vrijwel zeker bij Sappi noch elders meer te gelde kan maken, is mede aan tekortschietend beleid van Sappi te wijten, althans komt mede voor haar risico.

Bij het bepalen van de omvang van de schadevergoeding die in omstandigheden als deze redelijk geacht moet worden, kent de kantonrechter belang toe aan het feit dat de CWI-procedure die aan de opzegging voorafgegaan is, veel tijd gevergd heeft (van begin februari 2005 tot begin december 2005), dat in de loop van het toetsingsproces de twee jaar bestaan hebbende aanvullingsverplichting van Sappi uit hoofde van de cao tot een einde was gekomen en dat weliswaar een ruime opzegtermijn in acht genomen is, maar zonder dat dit resulteerde in extra financiële aanspraken van [Eisende partij]. [Eisende partij] was en bleef vanaf 15 november 2005 aangewezen op een gedeeltelijke WAO-uitkering van ruim onder € 800,= bruto per maand, al dan niet aangevuld met een beperkt bedrag aan gemeentelijke bijstand ingevolge de Wwb (hierover ontbreken gegevens) en bleef zonder werk.

Het komt de kantonrechter al met al redelijk en aanvaardbaar voor de schadevergoeding te bepalen op een bedrag van € 50.000,= bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2006. Als in belangrijke mate in het ongelijk gestelde partij dient Sappi ten slotte tevens de proceskosten te dragen.

3.BESLISSING

De kantonrechter:

verstaat dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst zoals neergelegd in een brief d.d. 8 december 2005 van Sappi aan [Eisende partij], kennelijk onredelijk is;

veroordeelt Sappi om aan [Eisende partij] tegen bewijs van kwijting ten titel van schadevergoeding te voldoen de somma van € 50.000,= bruto met de wettelijke rente ingaande 1 april 2006 tot de datum van algehele voldoening;

veroordeelt Sappi tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [Eisende partij] tot de datum van dit vonnis begroot op in totaal € 780,87 (waarin begrepen een bedrag van € 500,= aan salaris gemachtigde), alles te voldoen aan de Griffier van de Rechtbank Maastricht ter verdere verrekening, uitgezonderd een daarvan deel uitmakend rechtstreeks aan [Eisende partij] te voldoen bedrag van € 49,= aan betaald, want niet in debet gesteld vastrecht;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting van woensdag 11 april 2007.