Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA3011

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-03-2007
Datum publicatie
17-04-2007
Zaaknummer
03/700457-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

Hij heeft het slachtoffer met een mes/hakbijl geslagen met letsel als gevolg. De rechtbank heeft rekening gehouden met het voor het slachtoffer traumatiserend karakter van hetgeen hij heeft ondergaan.

Tevens heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Aan hem wordt de bijzondere voorwaarde opgelegd dat hij alle aanwijzingen moet opvolgen, die door de reclassering aan hem worden gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700457-06

Datum uitspraak: 19 maart 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 februari 2007 en 5 maart 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [woonadres verdachte],

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 27 augustus 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer ] van het leven te beroven, met dat opzet met twee, althans een, hakmes(sen)/hakbijl(en), althans met (een) scherp(e) voorwerp(en), meermalen, althans eenmaal, heeft gestoken/geslagen/gehakt tegen/in de/het

borstkas/(boven)lichaam en/of tegen het hoofd en/of tegen een arm van die [naam slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 27 augustus 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, aan een persoon genaamd [naam slachtoffer ], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een geperforeerde long), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met twee, althans een, hakmes(sen)/hakbijl(en), althans met (een) scherp(e) voorwerp(en) te slaan/steken/hakken in de borst(streek)/het (boven)lichaam en/of tegen/aan het hoofd en/of tegen/aan de arm(en);

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 27 augustus 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer ], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met twee, althans een hakmes(sen)/hakbijl(en), althans met (een) scherp(e) voorwerp(en) meermalen althans eenmaal, heeft gestoken/geslagen/gehakt tegen/in de/het borstkast/(boven)lichaam en/of tegen het hoofd en/of tegen een arm van die [naam slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De geldigheid van de dagvaarding

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is derhalve geldig.

De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Het bewijs

- Op basis van het dossier van de strafzaak en hetgeen ter terechtzitting is gebeurd en besproken staan voor de rechtbank de navolgende feiten vast:

Op 27 augustus 2006 vroeg [naam getuige], ook wel [A.] genoemd, in de keuken van restaurant [O.] in Sittard aan de verdachte de ventilatieroosters te verwijderen. De verdachte reageerde hierop met schelden, waarna ruzie ontstond. [naam slachtoffer], het slachtoffer en ook wel [K.] genoemd, bemoeide zich met deze ruzie. [naam getuige] en [naam slachtoffer] liepen beiden op de verdachte af. Op enig moment nam de verdachte één of twee messen of hakbijltjes ter hand. Met een mes of hakbijltje raakte de verdachte [naam slachtoffer] in zijn borst, ter hoogte van zijn hart.

- De officier van justitie is van mening dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat uit de omstandigheden is af te leiden dat de verdachte minimaal voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, [naam slachtoffer], door twee keer in te hakken op diens borst, ter hoogte van zijn hart. Naar de mening van de officier van justitie was er geen sprake van een situatie van noodweer of noodweerexces, omdat de verklaring van de verdachte, namelijk dat hij zich op deze manier moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, niet wordt gestaafd door de verklaringen van de getuigen. Dat de verdachte zelf werd geslagen, zoals door hem aangevoerd, wordt bovendien niet gestaafd door de beschrijving van zijn letsel.

- De raadsman van de verdachte heeft zijn verdediging gebaseerd op het uitgangspunt dat zijn cliënt werd aangevallen door het slachtoffer, [naam slachtoffer], en de eveneens in de keuken aanwezige [naam getuige], en dat zijn cliënt zich tegen deze aanval teweer stelde door van een tafel achter hem één of twee messen te pakken. Volgens zijn cliënt had [naam slachtoffer] een grote ijzeren soeplepel in zijn hand, waarmee hij hem probeerde te slaan. In een poging deze slagen af te weren zou zijn cliënt vervolgens het slachtoffer zowel in zijn borst als bij zijn oor en elleboog geraakt hebben.

Op basis van de verklaringen van [naam getuige] en [naam slachtoffer] als getuigen heeft de raadsman het standpunt ingenomen dat niet duidelijk is of [naam slachtoffer] met de messen is geraakt toen hij zijn cliënt, die met de messen stond te zwaaien of er hakkende bewegingen mee maakte, probeerde vast te pakken, of dat [naam slachtoffer] al daarvoor geraakt was. Er bestaat, naar de mening van de raadsman, teveel twijfel over de vraag of zijn cliënt [naam slachtoffer] wel of niet per ongeluk heeft geraakt. Omdat niet kan worden vastgesteld dat zijn cliënt stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van [naam slachtoffer], maar het ervoor gehouden moet worden dat zijn cliënt heeft geprobeerd [naam slachtoffer] van zich af te houden, heeft de raadsman primair bepleit dat zijn cliënt moet worden vrijgesproken van zowel de hem primair tenlastegelegde poging tot doodslag als de hem subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat zijn cliënt een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt, op grond waarvan hij van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen. Naar de mening van de raadsman bevond zijn cliënt zich in een situatie waarin hij door twee collega’s werd aangevallen en kwam hem het recht toe zich tegen deze ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn lijf te verdedigen.

- De rechtbank verwerpt het primair door de raadsman gevoerde verweer, namelijk dat de verdachte het slachtoffer, [naam slachtoffer], wellicht per ongeluk heeft geraakt met een mes. De verdachte heeft immers reeds bij de politie verklaard dat hij het mes gebruikte om te hakken naar [naam slachtoffer] en dat hij met het mes vanaf de voorzijde van zijn borst heeft geslagen in de richting van de borst van [naam slachtoffer], ter hoogte van het hart. Dat de verdachte [naam slachtoffer] per ongeluk heeft geraakt met het mes acht de rechtbank, gelet op de verklaring van de verdachte zelf, dan ook niet aannemelijk. Door met een mes in de richting van het hart van [naam slachtoffer] te slaan of te hakken heeft de verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, bewust het risico aanvaard dat [naam slachtoffer] dodelijk getroffen zou worden. In navolging van de officier van justitie acht de rechtbank daarom het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Subsidiair heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de verdachte met het mes heeft geslagen ten verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door zijn beide collega’s [naam slachtoffer] en [naam getuige]. Hoewel naar het oordeel van de rechtbank vaststaat dat [naam slachtoffer] en [naam getuige] op de verdachte afliepen, is daarmee niet komen vast te staan dat de verdachte door hen werd aangevallen. Noch [naam slachtoffer] noch [naam getuige] heeft immers verklaard over een aanval op de verdachte; de getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 3], die ook in de keuken aanwezig waren tijdens het incident, hebben hierover evenmin verklaard. Gelet op de zich in het dossier bevindende verklaringen en de vaststaande feiten zoals hiervoor weergegeven, acht de rechtbank derhalve niet aannemelijk dat er van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte sprake was op 27 augustus 2006 in Sittard. Nu er van een dergelijke aanranding geen sprake was, wordt niet alleen het beroep op noodweer verworpen, maar faalt ook het beroep op noodweerexces.

De gebezigde bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het hierboven omschreven feit heeft begaan, op de feiten en omstandigheden zoals in dit vonnis opgenomen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 27 augustus 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer ] van het leven te beroven, met dat opzet met (een) hakmes(sen)/hakbijl(en), heeft gestoken/geslagen/gehakt in de borstkas en tegen het hoofd en tegen een arm van die [naam slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het strafbare feit dat moeten worden gekwalificeerd als volgt.

poging tot doodslag

De straf

Ten aanzien van de verdachte is door drs. J.H.A.M. Kobussen, klinisch psycholoog BIG – psychotherapeut BIG, een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte ingesteld en van dat onderzoek heeft genoemde psycholoog een rapport, gedateerd 10 januari 2007, opgemaakt, welk rapport vermeldt -zakelijk weergegeven- als conclusie dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde feit lijdende was aan een aanpassingsstoornis, waarbij tevens sprake was van een acculturatieprobleem, waardoor het tenlastegelegde feit is gepleegd in een staat van verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte de aanwijzingen van de reclassering zal opvolgen, ook indien die inhouden dat de verdachte zich laat begeleiden door een maatschappelijk werker en dat de verdachte zich onder behandeling van de GGZ laat stellen.

De raadsman heeft ten aanzien van de strafoplegging gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn gezin. Voorts heeft de raadsman naar voren gebracht een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, passend te achten, indien de rechtbank de primair tenlastegelegde poging tot doodslag bewezen acht. Met oplegging van de bijzondere voorwaarde, zoals gevorderd door de officier van justitie, stemt de verdediging in.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de volgende omstandigheden.

Het slachtoffer [naam slachtoffer] is tijdens zijn werkzaamheden door de verdachte, een collega, met een mes/hakbijl in onder meer zijn borst geslagen, waardoor hij onder meer een geperforeerde long opliep. Een strafbaar feit als het onderhavige is uiteraard voor het slachtoffer traumatiserend en kan tot langdurige psychische schade bij hem leiden.

In het voordeel van de verdachte heeft de rechtbank bij de strafoplegging rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte nooit eerder wegens een geweldsdelict met justitie in aanraking is gekomen. Ook heeft de rechtbank in haar oordeel betrokken dat de verdachte berouw heeft getoond van zijn daad en dat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar heeft te gelden.

In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet de rechtbank aanleiding om de aan hem op te leggen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf lager te stellen dan door de officier van justitie gevorderd.

De rechtbank acht naast de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, oplegging van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen. Als bijzondere voorwaarde zal de rechtbank opleggen dat de verdachte alle aanwijzingen moet opvolgen, die hem door de reclassering worden gegeven. Deze aanwijzingen kunnen onder meer inhouden dat de verdachte een individuele behandeling, gericht op zijn aanpassingsstoornis en het verbeteren van zijn probleemoplossend vermogen, moet ondergaan. De aanwijzingen van de reclassering kunnen ook bestaan in het ondergaan van behandeling en begeleiding door een maatschappelijk werker, gericht op socio-economische steun, gezien het acculturatieprobleem in combinatie met de financiële problemen die de verdachte en zijn gezin nu ondervinden.

De vordering van de benadeelde partij

De officier van justitie heeft toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer] -inhoudende € 6.575,73 aan medische kosten en € 1.800,- aan immateriële schade- gevorderd. Zij heeft daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte weliswaar verantwoordelijk is voor de ziekenhuiskosten van [naam slachtoffer], doch dat de vordering, voor wat betreft deze materiële schade, niet toegewezen dient te worden, aangezien het vergoeden van deze kosten aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] geen enkele zekerheid biedt dat deze kosten aan het ziekenhuis zullen worden voldaan, zodat de verdachte het risico loopt nogmaals tot vergoeding van deze kosten te zullen worden aangesproken.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade en de hoogte daarvan heeft de raadsman de rechtbank gewezen op verdachtes inmiddels precair geworden financiële situatie. De raadsman heeft primair de niet-ontvankelijkheid van dit gedeelte van de vordering bepleit. Subsidiair heeft de raadsman zich ten aanzien van de gevorderde vergoeding van de immateriële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer], voor zover deze vordering betrekking heeft op een vergoeding ter zake van de materiële schade, niet van zodanig eenvoudige aard dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent. Het is de rechtbank niet gebleken dat de benadeelde partij [naam slachtoffer] voor deze medische kosten niet verzekerd is, reden waarom zij zal bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering voor wat dit gedeelte betreft niet-ontvankelijk is en die vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Voor het overige is de vordering van de benadeelde partij wel van zodanig eenvoudige aard gebleken dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] door het hiervoor primair bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank waardeert deze schade naar maatstaven van redelijkheid op een bedrag van € 1.250,-. Nu aan de verdachte ter zake van dit feit een straf zal worden opgelegd, zal de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Het, met inachtneming van het vorenoverwogene, nog resterende deel van het immateriële gedeelte van de vordering van de benadeelde partij zal worden afgewezen, daar de gestelde schade in zoverre ter terechtzitting niet is komen vast te staan.

Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, zoals door de officier van justitie gevorderd, acht de rechtbank niet aangewezen, nu de rechtbank ambtshalve is gebleken dat de benadeelde partij [naam slachtoffer] in vreemdelingendetentie verblijft en, naar te verwachten valt, op korte termijn Nederland zal verlaten, waardoor het de rechtbank onduidelijk is of het van verdachte te incasseren bedrag de benadeelde partij zal bereiken.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

-verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

-verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

-verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

-veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 24 maanden;

-beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

-beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot 10 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit dan wel de volgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

-stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen overeenkomstig de door de Reclassering Nederland, Regio Limburg, Unit Maastricht, gevestigd te 6224 LA Maastricht, Heerderweg 25, te stellen richtlijnen zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ook indien dit inhoudt het ondergaan van individuele therapie en/of het deelnemen aan groepstherapie in een ambulante setting bij de GGZ en behandeling en begeleiding door een maatschappelijk werker;

-geeft opdracht aan genoemde instelling aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

-veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer ], zonder feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, te betalen een bedrag van € 1.250,- (twaalfhonderd vijftig euro) ter zake van geleden immateriële schade;

-wijst de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer ] ter zake van de post immateriële schade voor het overige af;

-bepaalt dat de benadeelde partij [naam slachtoffer ] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

-compenseert de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer ] in het kader van deze procedure gemaakt en door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, aldus dat ieder de eigen kosten draagt;

-veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer ] ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. M.E. Kramer en

mr. E.W.A. van den Berg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. Vinken, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 maart 2007.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700457-06

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare terechtzitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 19 maart 2007 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [woonadres verdachte],

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig. Hij heeft afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman: mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard.