Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA0855

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-02-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
116483 - KG ZA 07-6
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

splitsing dierenartsenmaatschap; strekking overeenkomst; mag opgezegde partner nog enige tijd in praktijkpand werkzaam blijven?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 2 februari 2007

Zaaknummer : 116483 / KG ZA 07-6

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort-gedingvonnis gewezen

inzake

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PRAKTIJK DIERGENEESKUNDE [X] BV,

gevestigd te Beek,

eiseres,

procureur mr. W.C.M. Coenen;

2. Johannes Anna Patricius [X],

wonende te Uikhoven, gemeente Maasmechelen, België,

eiser,

procureur mr. W.C.M. Coenen;

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PRAKTIJK DIERGENEESKUNDE [Y] BV,

gevestigd te Beek,

gedaagde,

procureur mr. J.P. van Dyck;

2. Petrus Gerardus Ludovicus Johannes [Y],

wonende te Beek,

gedaagde,

procureur mr. J.P. van Dyck;

3. [P],

wonende te Houthalen, België,

gedaagde,

procureur mr. J.P. van Dyck.

1. Het verloop van de procedure

Eisers hebben gedaagden gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 19 januari 2007, hebben eisers gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij hun vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader hebben doen toelichten.

Gedaagden hebben verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Eiser sub 2 is met gedaagde sub 1 en met gedaagde sub 3 bij schriftelijke overeenkomst met ingang van 1 januari 2004 een maatschap aangegaan, teneinde voor gezamenlijke rekening te Beek aan het adres [adres 1]A de dierenartsenpraktijk uit te oefenen. Per 1 januari 2005 heeft eiser sub 2 zijn dierenartspraktijk ingebracht in eiseres sub 1, zijn praktijkvennootschap. Vóór het aangaan van deze maatschapsovereenkomst had eiser sub 2 ook al een maatschapsovereenkomst met gedaagde sub 1, die is aangegaan op 1 januari 1999 en op dezelfde locatie was gevestigd. Met ingang van 1 januari 2004 is gedaagde sub 3 toegetreden tot de maatschap.

2.2 Bij brief d.d. 30 oktober 2006 hebben gedaagden de maatschap aan eiser sub 2 opgezegd tegen 1 januari 2007.

2.3 Vervolgens zijn partijen in onderhandeling getreden over de afwikkeling van een en ander. Onder meer is daarbij besproken welke mogelijkheden er waren om gedurende een overgangsperiode eiser en zijn praktijk onderdak te (blijven) bieden. Volgens eiser zijn in dat kader afspraken gemaakt om hem nog enige tijd in het praktijkpand aan de [adres] te dulden; volgens gedaagden is dat niet het geval. In verband met de verdeling van de maatschap is voorts een inventarisatie aan de orde gekomen.

2.4 Inmiddels heeft eiser een nieuw praktijkpand gevonden. Naar verwachting zal dit nog deze maand in eigendom aan hem worden overgedragen. Vervolgens dient dit pand te worden verbouwd en ingericht en geschikt gemaakt voor de uitoefening van de dierenartsen-praktijk. Eiser verwacht hiervoor vier à vijf maanden nodig te hebben.

2.5 In het licht van dit een en ander hebben eisers gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagde sub 1 te bevelen om binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis eisers, althans eiser sub 2, gedurende een overgangsperiode tot uiterlijk 1 juli 2007, althans tot een andere door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen datum, toegang te verlenen tot de praktijkruimte staande en gelegen aan de [adres], blijkens art. 8 van de maatschapsovereenkomst bestaande uit de gehele benedenverdieping, inclusief de operatiekamer, de kantineruimte en de kantoorruimte, teneinde daar spreekuur te kunnen houden en operaties te kunnen verrichten met bijbehorende ondersteuning van assistenten en hem ongehinderd in de gelegenheid te stellen daartoe gebruik te maken van alle zich in de praktijkruimte aan voormeld adres bevindende faciliteiten/apparatuur waarvan het gebruik noodzakelijk is voor het naar de regelen der kunst kunnen uitoefenen van de dierenartspraktijk (met inbegrip van het automatiseringssysteem, de patiëntenkaarten e.d.), zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- (zegge: vijfentwintighonderd euro) per dag voor elke dag of gedeelte daarvan dat gedaagde sub 1 niet aan deze veroordeling zou voldoen, met veroordeling van gedaagden sub 2 en sub 3 deze veroordeling te gehengen en te gedogen, eveneens op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag voor het geval gedaagde sub 2 of gedaagde sub 3 niet aan deze veroordeling zouden voldoen;

II. gedaagden te veroordelen binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis op het centrale telefoonnummer van de praktijk een antwoordapparaat in werking te (doen) stellen dat alle inkomende telefoontjes beantwoordt en neutraal doorverwijst naar een tweede te kiezen telefoonnummer van één van beide partijen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor elke dag dat gedaagden niet aan deze veroordeling zouden voldoen;

III. gedaagden te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis mee te werken aan het inventariseren van de vermogensbestanddelen binnen de maatschap met het oog op de verdeling daarvan en daartoe een deurwaarder toegang te verlenen tot het praktijkpand aan de [adres], zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor elke dag of gedeelte daarvan dat gedaagden hieraan geen medewerking zouden verlenen;

IV. gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

2.6 Gedaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer wordt – voor zover van belang – hierna ingegaan.

3. De beoordeling

3.1 Een spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.

3.2 Aan de vordering die strekt tot het verlenen van toegang tot de praktijkruimte aan de [adres] tot 1 juli 2007 ligt in de eerste plaats ten grondslag dat partijen dit zouden zijn overeengekomen. Daartoe verwijzen eisers naar de volgende passage uit een brief d.d. 30 november 2006 van de advocaat van gedaagden aan de toenmalige advocaat van eisers:

“Praktijkruimte

Cliënten hebben er oog voor dat Uw cliënt zijn praktijk elders dienen voort te zetten. Cliënten hebben ook al de nodige signalen ontvangen dat Uw cliënt een nieuwe praktijk aan het oprichten is.”

“.... Totdat hij zelf een praktijklocatie heeft gevonden zal Uw cliënt door mijn cliënten geduld worden aan de Julianalaan, zij het met enige praktische aanpassingen en voor bepaalde tijd. Een voor alle partijen werkzame oplossing laat zich m.i. dus wel denken.”

zijnde dit een reactie op een brief d.d. 21 november 2006 van de advocaat van eisers aan die van gedaagden, waarin wordt opgemerkt:

“Ten tweede zal rekening moeten worden gehouden met de omstandigheid dat cliënt zijn praktijk mogelijk elders dient voort te zetten (tenzij Uw cliënten bereid zijn de praktijkruimte te verlaten, hetgeen ik voorshands niet aannemelijk acht).”

“Overigens moge duidelijk zijn dat cliënt ook nà 01-01-2007 zijn praktijk dient te kunnen voortzetten. Ik acht het onaannemelijk dat deze kwestie voor die datum geheel is afgewikkeld. Het lijkt mij dan ook noodzakelijk om nu vast af te spreken dat cliënt de praktijkruimte, de bijbehorende apparatuur etc. kan blijven gebruiken om zijn eigen cliënten te bedienen totdat hij nieuwe praktijkruimte heeft gevonden en wij tot een vergelijk zijn gekomen (of totdat een arbitragecommissie een bindende, onherroepelijke uitspraak heeft gedaan). Indien e.e.a. niet het geval zou zijn zal cliënt onvermijdelijk forse schade lijden, welke hij uiteraard op Uw cliënten zal verhalen.”

en ten slotte een brief d.d. 5 december 2006 van de advocaat van eisers, voor zover van belang luidende als volgt:

“5) Praktijkruimte:

Het is goed dat kennelijk begrip bestaat voor het feit dat cliënt een praktijkruimte nodig heeft. Dit biedt in ieder geval enige aanknopingspunten voor verdere gesprekken. Cliënt aanvaardt het voorstel om de ruimten aan de Julianalaan te blijven gebruiken totdat een definitieve oplossing is gevonden c.q. een arbitraal eindvonnis is gewezen. Voorts gaat hij ervan uit dat hem het werken niet onmogelijk zal worden gemaakt.”

3.3 Met gedaagden is de voorzieningenrechter van oordeel dat voormelde door eisers gestelde afspraak niet voldoende aannemelijk is geworden. Niet ondenkbaar is dat van de zijde van gedaagden voormelde correspondentie aldus is bedoeld resp. begrepen, zoals ook door hen is betoogd, dat eiser van de ruimte aan de [adres 1] (en dus niet 7A) voorlopig gebruik mocht maken, zijnde een leegstaand belendend pand dat, net zoals [adres 1]A, eigendom is van gedaagde sub 2. Deze lezing vindt ook enigermate steun in de notulen van de bespreking van 19 december 2006, zoals die van beide kanten afzonderlijk zijn opgemaakt. De door eiser vertolkte opvatting behoeft nader bewijs, en derhalve meer onderzoek naar feiten en omstandigheden, waarvoor in kort geding geen plaats is.

3.4 Voorts faalt eisers beroep op huur- c.q. ontruimingsbescherming. Het moge zo zijn dat gedaagde sub 1 het praktijkpand aan de [adres 1] te Beek in de maatschap heeft ingebracht, maar indien er uit dien hoofde een huurovereenkomst heeft gevigeerd dient daarbij, tegenover gedaagde sub 1 als verhuurder, de maatschap als huurster te worden aangemerkt en niet eiser pro se. Een redelijke en op de praktijk afgestemde uitleg van de maatschapsovereenkomst en meer in het bijzonder artikel 8 daarvan, brengt zulks, mede in het licht van de brief d.d. 15 januari 2007 van eiser aan zijn advocaat, mee. Nu de maatschap ten aanzien van eiser is opgezegd komt hem geen beroep op huurbescherming (meer) toe.

3.5 Ten slotte biedt ook artikel 16 lid 2 sub a van de maatschapsovereenkomst geen voldoende basis voor toewijzing van de gevraagde voorziening. Hierin is, voor zover van belang, bepaald:

“Indien de maatschap op één van de hierboven aangegeven wijzen eindigt:

a. Wordt de maatschapspraktijk op zodanige wijze feitelijk gesplitst dat iedere partij op dezelfde wijze en ten aanzien van dezelfde cliënten praktijk kan blijven uitoefenen als ten tijde van de maatschap het geval was en wel zonder dat terzake enige verrekening tussen partijen zal plaatsvinden.”

Dat de opgezegde maat na beëindiging van de maatschap zijn werkzaamheden in dezelfde praktijkruimte zou mogen blijven voortzetten, kan hierin immers bezwaarlijk gelezen worden, en ligt, gelet op de onverkwikkelijke geschiedenis die niet zelden aan de beëindiging van een maatschap voorafgaat, zijnde een algemeen ervaringsfeit waaraan betekenis toekomt, toch ook buitengewoon weinig voor de hand. Gedaagden hebben de maatschap opgezegd met een termijn van twee maanden. Toegegeven kan worden dat dit relatief kort is, maar het gaat hier om een als zodanig tussen partijen uitdrukkelijk overeengekomen termijn (60 dagen, artikel 2 maatschapsovereenkomst). Dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om op deze betrekkelijk korte termijn een beroep te doen, is niet aannemelijk geworden. Er zijn geen of onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die dat oordeel zouden kunnen dragen.

3.6 Wel brengen de redelijkheid en billijkheid die partijen als voormalig maten jegens elkaar in acht dienen te nemen met zich, dat gedaagden zich de belangen van eiser in zoverre dienen aan te trekken dat aan de klanten van eiser die proberen hem na zijn vertrek telefonisch te bereiken door de medewerkers van gedaagden wordt medegedeeld op welk telefoonnummer hij voortaan bereikbaar is. En het is ook alleszins redelijk dat gedaagden hiertoe buiten kantooruren een antwoordapparaat in werking stellen. Mocht de vordering echter anders en ruimer opgevat moeten worden - en op die basis wordt zij afgedaan - dan komt zij niet voor toewijzing in aanmerking. Tot meer of anders dan het, zoals gezegd, aan klanten van eiser telefonisch mededelen van diens nieuwe telefoonnummer en het in verband hiermee buiten kantooruren in werking stellen van een antwoordapparaat, zijn gedaagden postcontractueel redelijkerwijs niet gehouden, nog los van de eventuele technische onmogelijkheid van waar het eiser kennelijk om te doen is, zoals door gedaagden benadrukt.

3.7 De vordering tot veroordeling van gedaagden tot het verlenen van medewerking aan het inventarisen van vermogensbestanddelen kan ten slotte ook niet worden toegewezen. Gedaagden hebben gemotiveerd aangevoerd dat tijdens de op 29 december 2006 gehouden bespreking, in het bijzijn van deskundigen, reeds een uitgebreide opname van de stand van de boedel heeft plaatsgevonden, ten bewijze waarvan ook inventarislijsten in het geding zijn gebracht. Dat aan de gevraagde voorziening in dat licht nog behoefte bestaat is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden. Een inventarisatie die plaatsvindt ruimschoots na de peildatum komt bovendien niet erg zinvol voor.

3.8 Eisers worden verwezen in de proceskosten.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

weigert de gevraagde voorzieningen;

veroordeelt eisers in de proceskosten tot aan dit vonnis gerezen en aan de zijde van gedaagden begroot op € 248,- aan vast recht en € 816,- voor salaris procureur;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bergmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

RQ