Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA0809

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
109070 - HA ZA 06-249
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Al dan niet overeenkomst tot voorlopige dekking, poging tot fraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2008, 23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 14 maart 2007

Zaaknummer : 109070 / HA ZA 06-249

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake

1. de vennootschap onder firma [eiser 1],

gevestigd te '[woonplaats];

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats];

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. E.J.J.M. Kneepkens;

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SNS ASSURANTIËN B.V.,

gevestigd te Maastricht;

2. de naamloze vennootschap REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer;

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SNS ASSURADEUREN B.V.,

gevestigd te Maastricht,

gedaagden,

procureur mr Ch.M.E.M. Paulussen.

1. Het verloop van de procedure

Eisers hebben gedaagden gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. Naar aanleiding van een beschikking van de rolrechter hebben eisers een akte genomen. Gedaagden hebben daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een [comparitie] na antwoord gelast. Bij brief van 27 september 2006 is zijdens eisers een akte met producties overgelegd ten behoeve van de [comparitie]. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

2. De feiten

2.1 Tussen partijen staat het volgende vast.

2.1.1 Eisers drijven een winkel in kantoorartikelen. Vanaf 1 januari 2001 hadden eisers een verzekering bij Amev Schadeverzekeringen N.V. (hierna te noemen: Amev) tegen brand en inbraak in hun bedrijfspand. In 2003 is twee keer ingebroken bij eisers. Bij brief van 28 mei 2004 heeft Amev aan eisers de verzekering opgezegd per 1 januari 2005, omdat eisers aan haar eis, dat een inbraakinstallatie zou worden aangebracht in het bedrijfspand, niet hebben voldaan.

2.1.2 Eisers hebben met de heer [werknemer], werknemer van gedaagde sub 1, afgesproken dat deze als tussenpersoon een nieuwe geschikte brand- en inbraakverzekering voor eisers zou zoeken.

Op 26 mei 2004 hebben eisers in dit verband van EBOD Beveiligingen (hierna te noemen: “EBOD”) een offerte en een beveiligingsplan ontvangen, inhoudende het advies tot de installatie van een elektronische beveiligingssysteem.

2.1.3 Op 21 oktober 2004 hebben eisers via gedaagde sub 1 bij gedaagde sub 2 een offerte aangevraagd voor de verzekeringen van gebouwen, bedrijfsschade en winkelgeld.

Op 23 november 2004 heeft de heer [werknemer] namens gedaagde sub 1 gedaagde sub 2 schriftelijk benaderd met een aanvraag voor een technische expertise in verband met de offerte aan eisers en in dat kader aan gedaagde sub 2 de volgende vraag voorgelegd: “Graag met speciale aandacht kijken (……) of de elektronische beveiliging wellicht achterwege gelaten kan worden. (…)”. Hierbij is tevens opgemerkt: “Voor alle duidelijkheid; de kandidaatverzekering wenst geen elektronische beveiliging aan te leggen, dit is voor de huidige verzekeraar – AMEV- de reden geweest om de bestaande verzekering per 01-01-05 te royeren.” Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde sub 2 aan Qrisk opdracht gegeven tot een op 3 december 2005 in het bedrijfspand van eisers verricht onderzoek, naar aanleiding waarvan een inspectierapport is uitgebracht. De conclusie van dit onderzoek is dat er sprake is van een normaal verzekerbaar risico, uitgaande van de uitvoering van een aantal preventieve maatregelen waaronder de aanleg van een alarminstallatie.

2.1.4 Eind december 2004 heeft de heer [werknemer] telefonisch aan eisers meegedeeld dat zij per 1 januari 2005 in voorlopige dekking zouden worden genomen. In verband hiermee zijn geen nadere voorwaarden gesteld en over de inhoud en de omvang van de voorlopige dekking zijn aan eisers geen mededelingen gedaan. Evenmin hebben eisers hieromtrent vragen gesteld.

De heer [werknemer] heeft daaraan voorafgaand namens gedaagde sub 3 telefonisch toestemming voor de voorlopige dekking aan de heer [werknemer] gegeven.

2.1.5 Op 21 januari 2005 is door de heer [werknemer] aan eisers een offerte overhandigd en mondeling toegelicht, gedateerd 30 december 2004 en aangeduid als “Offertespecificaties SNS Verzeker op Maat”, voor de verzekering van inventaris/goederen, inclusief winkelgeld, en bedrijfsschade. Eisers hebben de offerte op die datum aanvaard.

Deze offerte vermeldt onder andere:

“(…)

Clausule 25 – Garanties

Indien niet voldaan wordt aan één of meer “garanties” die deel van deze polis uitmaken, is de maatschappij ontheven van alle verplichting tot schadevergoeding (…).

Clausule 26 – Preventie inbraak / diefstal

De verzekerde garandeert aan de maatschappij en deze geschiedt daarom ook op uitdrukkelijke voorwaarde dat ten aanzien van het diefstal-/vandalismerisico het/de in de polis genoemde adres(sen) is/zijn beveiligd door een NCPBORG erkend en NCP/Borg gecertificeerd beveiligingsbedrijf overeenkomstig de van toepassing zijnde risicoklasse 2 Bn+Es of Bs+Es+CN van het NCP.

(…)”

Bij gelegenheid van het aanbieden van deze offerte is door de heer [werknemer] het voortduren van de voorlopige dekking bevestigd en is niet uitdrukkelijk aangegeven dat de voorlopige dekking voortaan aan nadere voorwaarden onderhevig was of anderszins een verband gelegd tussen de inhoud van de offerte en de sinds 1 januari 2005 verleende voorlopige dekking.

2.1.6 In de nacht van 24 op 25 februari 2005 is in het bedrijfspand van eisers ingebroken. Op die datum was nog geen alarminstallatie geïnstalleerd.

2.1.7 Bij brief van 1 maart 2005 heeft gedaagde sub 1 eisers bericht dat de schade ten gevolge van de inbraak niet voor vergoeding in aanmerking komt, aangezien “op de schadedatum de door verzekeraars vereiste inbraakalarminstallatie niet was geïnstalleerd.”

2.1.8 Bij brief van 3 maart 2005 van gedaagde sub 3 is aan eisers de voorlopige dekking opgezegd met ingang van 4 maart 2005.

3. Het geschil

3.1 Eisers hebben voorop gesteld dat zij zich genoodzaakt hebben gezien alle drie de gedaagden in rechte te betrekken, omdat gedaagden niet bereid zijn gebleken duidelijkheid te verschaffen over wie als contractspartij van eisers aangemerkt dient te worden voor wat betreft de voorlopige dekking en wie van gedaagden de schade dient te vergoeden in geval van een toewijzend vonnis.

3.2 Eisers hebben zich in verband met hun vorderingen primair op het standpunt gesteld dat de door hen ten gevolge van de inbraak in de nacht van 24 op 25 februari 2005 geleden schade onder de voorlopige dekking valt. Subsidiair stellen eisers dat, indien mocht blijken dat de schade niet onder de voorlopige dekking valt, de schade als gevolg van het vervallen van de voorlopige dekking voor rekening van gedaagde sub 1 dient te komen, aangezien deze haar zorgplicht als tussenpersoon heeft geschonden door eisers niet tijdig te waarschuwen voor het verval van de voorlopige dekking.

Ten slotte hebben eisers gesteld buitengerechtelijke incassokosten te hebben gemaakt ad

€ 3.279,64.

3.3 Eisers hebben op grond van het vorenstaande gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

1. te verklaren voor recht dat de door eisers geleden schade onder de door gedaagden afgegeven voorlopige dekking valt;

2. gedaagden te veroordelen de schade van eisers te vergoeden, welke schade nader opgemaakt dient te worden bij staat;

subsidiair:

1. te verklaren voor recht dat gedaagde sub 1 haar zorgplicht als assurantietussenpersoon van eisers heeft geschonden;

2. gedaagde sub 1 te veroordelen de schade van eisers te vergoeden, welke schade nader opgemaakt dient te worden bij staat;

primair en subsidiair:

1. gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf de 15e dag na de dag van de uitspraak;

2. gedaagden te veroordelen in de redelijke kosten buiten rechte ad € 3.279,64, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de 15e dag na de dag van de uitspraak.

3.4 Gedaagden hebben naar aanleiding van de stelling van eisers over de onduidelijkheid over wie van gedaagden als contractspartij moet worden aangemerkt voor wat betreft de voorlopige dekking, aangegeven zich als volgt tot elkaar te verhouden.

Bij acceptatie van de door gedaagde sub 3 als volmachtbedrijf, via gedaagde sub 1 als assurantietussenpersoon, uitgebrachte offerte zou de verzekering zijn ondergebracht bij gedaagde sub 2 als verzekeraar (optredend als leider van vier volmachten). Als de primaire vordering zou worden toegewezen op de grondslag dat de inbraak onder de voorlopige dekking valt, zal de schade worden vergoed door gedaagde sub 2. Als de vordering zou worden toegewezen op de grondslag dat gedaagde sub 1 haar zorgplicht als tussenpersoon heeft geschonden, dan betreft dit uitsluitend gedaagde sub 1.

3.5 Gedaagden voeren verder verweer hetwelk, kort samengevat en voor zover thans van belang, het volgende inhoudt.

3.5.1 Ten aanzien van de primaire grondslag van de vordering is door gedaagden primair aangevoerd dat de inbraak niet onder de voorlopige dekking valt in verband met het ontbreken van een elektronische beveiligingsinstallatie en dat eisers dit, alle omstandigheden in aanmerking genomen, zo niet vanaf 1 januari 2005 dan wel in ieder geval vanaf 21 januari 2005, redelijkerwijs hadden moeten begrijpen.

Daarnaast hebben gedaagden ten verwere aangevoerd dat eisers zich schuldig hebben gemaakt aan (een poging tot) verzekeringsfraude. Eisers hebben immers in strijd met de waarheid aan de heer [werknemer] meegedeeld dat zij bij EBOD en Chubb voorafgaand aan de inbraak offertes hadden aangevraagd en een hunner opdracht hadden gegeven om een alarminstallatie aan te leggen. Bovendien hebben eisers in dit verband aan EBOD gevraagd de opdrachtbevestiging te antedateren, althans te verklaren dat reeds voor de schadedatum contact was geweest met EBOD. Dit dient eveneens tot afwijzing van de vordering te leiden.

Subsidiair verweren gedaagden zich met de stelling dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van eisers, in het bijzonder roekeloosheid, omdat eisers zich bewust waren van de omstandigheid dat de lichtkoepel, via welke de inbraak heeft plaatsgevonden, een bijzonder kwetsbaar punt was, maar desondanks hebben nagelaten deze te beveiligen. Dit leidt ertoe dat eisers geen aanspraak kunnen maken op enige uitkering.

3.5.2 Ten aanzien van de subsidiaire grondslag van de vordering heeft gedaagde sub 1 zich op het standpunt gesteld dat de opzegging van de voorlopige dekking buiten beschouwing dient te blijven, nu deze niets te maken heeft met het ontstaan van de schade en eerst heeft plaatsgevonden nadat de schade zich had voorgedaan. Voorts stelt zij dat zij niet is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht als tussenpersoon, omdat het vanwege de voorgeschiedenis evident was dat inbraakdekking zonder alarminstallatie niet mogelijk was.

3.5.3 Verder wordt de omvang van de door eisers genoemde schade betwist en verzetten gedaagden zich tegen een schadestaatprocedure, daartoe aanvoerend dat het ruim een jaar na de inbraak mogelijk moet zijn de schade te specificeren. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten dient volgens gedaagden eveneens te worden afgewezen.

4. De beoordeling

De voorlopige dekking

4.1 Het door gedaagden gestelde over wie als contractspartij van eisers moet worden aangemerkt, is door eisers niet weersproken.

De rechtbank gaat er daarom van uit dat gedaagde sub 2, in de hiervoor genoemde hoedanigheid van verzekeraar, dient te worden aangemerkt als de formele wederpartij van eisers bij de – door tussenkomst van gedaagde sub 1 en gedaagde sub 3 – tot stand gekomen verzekeringsovereenkomst, inhoudende voorlopige dekking. Al hetgeen de rechtbank hierna overweegt, zal derhalve op haar in haar contractuele relatie tot eisers betrekking hebben.

Het voorgaande brengt met zich dat de primaire vordering jegens gedaagde sub 1 en gedaagde sub 3 bij eindvonnis zal worden afgewezen. De door gedaagden gezamenlijk gevoerde verweren zullen hierna ten aanzien van gedaagde sub 2 worden behandeld.

4.2 Bij de beoordeling van het geschil neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat eind december 2004 de heer [werknemer] telefonisch aan eisers heeft meegedeeld dat zij per 1 januari 2005 in voorlopige dekking zouden worden genomen, zonder dat daarbij nadere voorwaarden zijn gesteld inzake de inbraakpreventie, terwijl inzake inhoud en omvang van de voorlopige dekking evenmin nadere mededelingen zijn gedaan of door eisers vragen zijn gesteld. Voorts neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat bij gelegenheid van het aanbieden de offerte voor de definitieve verzekering op 21 januari 2005, door de heer [werknemer] het voortduren van de voorlopige dekking tegenover eisers is bevestigd, zonder dat daarbij

– alsnog – nadere voorwaarden zijn gesteld op het gebied van de inbraakpreventie.

4.3 Kort samengevat en juridisch geduid in het licht van het bepaalde in de artikelen 3:33 en 3:35 BW stellen eisers, gelet op deze gang van zaken:

- dat partijen in december 2004 wilsovereenstemming hebben bereikt over een onvoorwaardelijke voorlopige dekking,

- dat de inhoud van de overeenkomst niet is gewijzigd bij gelegenheid van het aanbieden van de offerte op 21 januari 2005,

zodat gedaagde sub 2 zich nadien niet alsnog op - niet overeengekomen - beperkende voorwaarden kan beroepen.

4.4 Gedaagde sub 2 stelt daarentegen (primair) dat eisers er, gegeven de omstandigheden, in december 2004, maar in elk geval op 21 januari 2005 niet op mochten vertrouwen dat de voorlopige dekking zonder enige beperking zou gelden. Kennelijk - en opnieuw juridisch geduid in het licht van het bepaalde in de artikelen 3:33 en 3:35 BW - wil gedaagde sub 2 aldus betogen:

- dat aan haar zijde de wil was gericht op het verlenen van voorlopige dekking onder beperkende voorwaarde(n), zulks in december 2004, maar in elk geval op 21 januari 2005,

- dat deze wil gebrekkig is geuit, in die zin dat - in december 2004 én op 21 januari 2005 - niet uitdrukkelijk melding is gemaakt van de wil om niet dan wel niet langer zonder beperkende voorwaarde(n) dekking te verlenen,

- dat eisers aan die wilsuiting echter niet het vertrouwen konden ontlenen dat gedaagde sub 2 voorlopige dekking wilde verlenen zonder beperkende voorwaarde(n), dit - opnieuw - in december 2004, maar in elk geval op 21 januari 2005,

- dat gedaagde sub 2 er veeleer van uit mocht gaan dat in december 2004, maar in elk geval op 21 januari 2005, wilsovereenstemming was bereikt over een voorlopige dekking onder beperkende voorwaarde(n), met name betrekking hebbende op de uit te breiden inbraakpreventie.

4.5 De rechtbank kan gedaagde sub 2 in deze opvatting niet volgen en overweegt in dat verband als volgt.

4.5.1 Gedaagde sub 2 heeft in december 2004, door tussenkomst van gedaagden sub 1 en 3, aan eisers voorlopige dekking verleend, in afwachting van het (al dan niet) sluiten van een definitieve verzekeringsovereenkomst. Beide partijen was duidelijk dat in verband met die definitieve overeenkomst het al dan niet aanleggen van een alarminstallatie een belangrijk punt van overleg en eventueel onderhandeling zou vormen. Definitief uitsluitsel over haar standpunt ter zake had gedaagde sub 2 nog niet gegeven op het moment dat in december 2004 voorlopige dekking werd verleend. Gedaagde sub 2 was daarbij op de hoogte van het feit dat de wil van eisers niet was gericht op de totstandkoming van een overeenkomst, inhoudende de verplichting om een dergelijke installatie aan te leggen. Als gedaagde sub 2 op dat moment – niettemin – uitsluitend voorlopige dekking had willen verlenen onder het stellen van beperkende voorwaarden in verband met de aanleg van een alarminstallatie, dan had het op haar weg gelegen om dat uitdrukkelijk aan te geven. Nu dat niet is gebeurd, mochten eisers er terecht op vertrouwen dat de voorlopige dekking onvoorwaardelijk werd verleend en dat de kwestie van het al dan niet aanleggen van een alarminstallatie pas aan de orde zou komen in verband met het (al dan niet) sluiten van de definitieve verzekeringsovereenkomst.

Op 21 januari 2005 had gedaagde sub 2 wèl een standpunt ingenomen inzake de alarminstallatie in eisers bedrijfspand. Dat standpunt was eisers ook bekend. Ook toen is door gedaagde sub 2, opnieuw vertegenwoordigd door gedaagden sub 1 en/of 3, niet uitdrukkelijk een koppeling gelegd tussen de inmiddels verleende voorlopige dekking en het aanleggen van een alarminstallatie. Aldus mochten eisers er op en na 21 januari 2005 onverminderd van uit gaan dat de kwestie van het aanleggen van een alarminstallatie pas aan de orde zou komen in het kader van de in de definitieve verzekeringsovereenkomst ter zake te maken afspraken.

4.5.2 Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de schade als gevolg van de inbraak in de nacht van 24 of 25 februari 2005 onder de voorlopige dekking valt, zodat op gedaagde sub 2 de verplichting rust de verzekerde schade te vergoeden.

De (poging tot) verzekeringsfraude

4.6 Uit de als productie 4 bij dagvaarding overgelegde brief van 1 maart 2005 van gedaagde sub 1 aan eisers blijkt dat de schade-uitkering is geweigerd, omdat “op de schadedatum de door verzekeraars vereiste inbraakalarminstallatie niet was geïnstalleerd”. Hieruit volgt aldus dat het niet daadwerkelijk beschikken over de installatie ten tijde van de inbraak de reden is geweest om dekking te weigeren. Dit standpunt is herhaald in de als productie 5 bij dagvaarding overgelegde brief van 3 maart 2005 van gedaagde sub 1/gedaagde sub 3 aan eisers. De gestelde (poging tot) verzekeringsfraude ziet daarentegen op de door eisers aan de betreffende installateur verzochte antedatering van de door eisers verstrekte opdracht tot aanleg van de installatie.

Aangezien gedaagde sub 2, gelet op voornoemde brief van 1 maart 2005, ook niet tot uitkering was overgegaan als de opdracht door eisers al vóór de inbraak was verstrekt, is er aldus ook geen causaliteit tussen de gestelde (poging tot) verzekeringsfraude, wat daar verder ook van zij, en de reden van afwijzing van de dekking. De rechtbank zal derhalve dit verweer passeren.

Eigen schuld van eisers

4.7 Onder verwijzing naar hetgeen onder 4.2 is overwogen constateert de rechtbank dat is gesteld noch gebleken dat door gedaagden vóór het aangaan van de voorlopige dekking of gedurende de looptijd daarvan voorwaarden zijn gesteld aan eisers met betrekking tot de beveiliging van de lichtkoepel. In het licht van deze omstandigheid en nu door gedaagden geen nadere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit blijkt dat de schade mede een gevolg is van eigen schuld aan de zijde van eisers, verwerpt de rechtbank het beroep op eigen schuld.

4.8 Het vorenstaande brengt met zich dat de primaire vordering van eisers jegens gedaagde sub 2 moet worden toegewezen.

Schadestaatprocedure

4.9. Eisers hebben gevorderd dat de omvang van hun schade wordt vastgesteld in een schadestaatprocedure. Gedaagden hebben zich hiertegen verzet en hebben daartoe aangevoerd dat de schade als gevolg van de inbraak ruim een jaar na dato gespecificeerd moet kunnen worden, zodat een schadestaatprocedure niet in de rede ligt.

4.10 De rechtbank overweegt op dit punt als volgt.

4.10.1 De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot het vaststellen van de schade in een schadestaatprocedure moet worden afgewezen, omdat de regeling betreffende de schadestaatprocedure niet van toepassing is, nu het gaat om een vordering die ziet op een uit een verzekeringsovereenkomst voortvloeiende primaire verplichting tot schadevergoeding.

4.10.2 Met inachtneming van de betreffende stellingen van partijen stelt de rechtbank voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers ten gevolge van meergenoemde inbraak schade hebben geleden. Partijen twisten over de omvang van de schade. Volgens eisers beloopt de totale waarde van de gestolen goederen, gewaardeerd tegen inkoopwaarde, een bedrag van

€ 55.974,21 exclusief btw. Dit bedrag is inclusief het gestolen kasgeld uit de kluis. Ter onderbouwing van de schade hebben zij ten behoeve van de comparitie een aantal stukken overgelegd. Gedaagde sub 2 betwist dat de schade van de omvang is als door eisers genoemd.

4.10.3 Teneinde de rechtbank in staat te stellen tot een begroting van de schade te komen, dienen eisers zich bij akte uit te laten over de hoogte van de ten gevolge van de inbraak geleden schade. Eisers dienen dit in ieder geval te doen aan de hand van een duidelijke en overzichtelijke, door bescheiden te staven en tot die bescheiden te herleiden, berekening. Voor de goede orde merkt de rechtbank in dit verband op dat zij voornoemde, voor de comparitie in geding gebrachte, stukken zonder nadere toelichting niet als een zodanige berekening kan aanmerken.

Vervolgens zal gedaagde sub 2 in de gelegenheid worden gesteld om bij antwoordakte te reageren.

4.10.4 Voor het geval de rechtbank zich vervolgens na aktewisseling nog niet in staat acht de schade te becijferen, houdt de rechtbank vooralsnog de optie open om nadien bewijs op te dragen en/of een deskundige te benoemen. Indien het tot een deskundigenbenoeming komt, zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over het aantal van de te benomen deskundigen, de aan de deskundige(n) te stellen vragen, de te benoemen perso(o)n(en) en de volgens partijen maximaal acceptabele hoogte van het voorschot.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.11 De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat buitengerechtelijke incassokosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele, eventueel herhaalde aanmaning, de contacten met de eigen cliënt, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze bestuderen en samenstellen van het dossier. Eisers hebben weliswaar een specificatie van de werkzaamheden van hun raadsman overgelegd en gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, maar uit de gegeven omschrijving van deze werkzaamheden kan het tegendeel worden afgeleid. Nu ook uit overgelegde stukken niet blijkt dat namens eisers werkzaamheden zijn verricht anders strekkende ter voorbereiding en ter instructie van de zaak, moet de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incasso kosten bij eindvonnis worden afgewezen.

4.12 Al het vorenstaande brengt met zich dat de primaire vordering onder 1 jegens gedaagde sub 2 bij eindvonnis zal worden toegewezen tot het - nader vast te stellen - schadebedrag.

De vorderingen jegens gedaagden sub 1 en sub 3 zullen worden afgewezen. De rechtbank acht termen aanwezig om bij eindvonnis in dit verband de proceskostenveroordeling ten laste van eisers te begroten op nihil.

4.13 In afwachting van de te nemen akten zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank:

verwijst de zaak naar de rol van 25 april 2007 voor akte uitlating als bedoeld in 4.10.3, aan de zijde van eisers;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Beurskens, mr. P.H. Brandts en mr. A.S. van der Ven, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.